Pekings plannen met het Midden-Oosten

En China blijft maar zwijgen

Het Syrische regime ligt steeds heviger onder vuur, maar Rusland en China blijven de dictatuur van Assad door dik en dun steunen. Wat heeft Peking daarbij te winnen?

Wie hebben Kofi Annans vredesmissie in Syrië laten mislukken? Rusland en China, zegt het Witte Huis. Volgens de westerse landen zijn Rusland en China de grote saboteurs van een oplossing van de bloedige crisis in Syrië. Rusland en China, steeds in die volgorde. De westerse pijlen richten zich vooral op Rusland. Alsof de Chinese veto’s in de Veiligheidsraad minder tellen dan de Russische. In werkelijkheid hangt de selectiviteit van de westerse verontwaardiging af van de bekendheid met de motieven van beide dwarsliggers. Die van Rusland zijn voor het Westen duidelijker dan die van China.

Rusland, dat is voor het Westen steeds meer een geactualiseerde versie van de oude bekende Sovjet-Unie uit de Koude Oorlog. Dankzij vader en zoon Assad is Syrië tientallen jaren lang de enige betrouwbare bondgenoot van de Russen in het Midden-Oosten geweest. Rusland heeft grote economische belangen in Syrië en is sinds jaar en dag zijn grootste wapenleverancier. De enige warmwaterhaven waartoe de Russische oorlogsvloot vrije toegang heeft is die van de Syrische stad Tartus.

Maar China, waarom trekt dat één lijn met Rusland? De vroegere communistische kameraden, die een halve eeuw geleden op de rand stonden van een kernoorlog, gaan tegenwoordig in het Westen voor dikke vrienden door. Vreemde bondgenoten, want tegenover elkaar koesteren ze vooral wantrouwen. Maar in grote politieke kwesties zitten ze vaak op ongeveer dezelfde lijn, zoals in hun afkeer van separatisme (bijvoorbeeld in Tsjetsjenië, Tibet en Taiwan) en in hun houding tegenover Syrië en Iran.

In het Westen verbazen de politieke erfgenamen van de oude communistenvreters zich niet over deze coördinatie tussen Moskou en Peking. Zij menen een wereldwijde samenzwering te ontwaren van Rusland, China, Cuba, Venezuela, Iran en Noord-Korea. Dit dictatoriale antiwesterse kamp zou uit zijn op de wereldheerschappij. Met hun sabotage van de westerse acties tegen de regimes van Syrië en Iran zouden Peking en Moskou bezig zijn de vrije wereld te ondermijnen. Als deze rabiate anticommunisten-nieuwe stijl gelijk hebben, dan bevindt de wereld zich al volop in een nieuwe Koude Oorlog en is het uitbreken van de Derde Wereldoorlog een kwestie van aftellen.

Iets van waarheid zit er wel in. Het Rusland van Poetin en het China van de economische revolutie vinden immers allebei dat er een eind moet komen aan de Amerikaanse wereld­hegemonie. Daarom willen ze dat de mondiale agenda niet meer in Washington wordt bepaald. Dat de VS en hun westerse bondgenoten zomaar kunnen besluiten een regime dat hun niet aanstaat te verjagen of op de zwarte lijst te zetten, vinden de Russen en Chinezen onaanvaardbaar. Volgens hen gaat ’t het Westen in Syrië niet om mensenrechten maar om macht. Alsof het Rusland en China niet zou gaan om het behoud van een vaste voet in de regio. Maar net als de Russen beweren de Chinezen dat hun eigen motieven nobel zijn. Het Syrische volk, zeggen ze, moet zijn eigen toekomst bepalen. Iedere vorm van buitenlandse interventie is dus uit den boze. De economische sancties van de Verenigde Staten en de Europese Unie tegen de wettige regering van Syrië vinden ze illegaal. Militaire hulp aan de opstandelingen zal het bloedvergieten alleen nog maar erger maken. Dat argument geldt kennelijk niet voor de nog altijd voortdurende Russische wapenleveranties aan het regime.

China is met zijn drie veto’s in negen maanden tijd in de Veiligheidsraad actiever dan ooit. Vroeger hield het zich juist gedeisd. De Chinezen hadden immers al hun aandacht nodig voor hun herrijzenis als economische en politieke wereldmacht. Het bestieren van de wereld lieten ze tot nader order over aan de bestaande grootmachten. Na de val van de Muur klonken er vanuit Peking rituele tirades tegen ‘hegemonisme en machtspolitiek’ – lees: de wereld­suprematie van de Verenigde Staten – maar het aantal confrontaties bleef beperkt.

Die bijna-afzijdigheid paste uitstekend in de Chinese buitenlandse politiek, die zich sinds jaar en dag laat leiden door een slachtoffer­complex en de Vijf Beginselen van Vreedzame Coëxistentie. Het ‘slachtofferisme’ leert dat het Westen er nog altijd op uit is om China te ringeloren, zoals het dat tijdens de ‘eeuw der vernedering’ deed. En de Vijf Beginselen vormen de hoeksteen van de Beweging van Niet-Gebonden Landen, waarvan China sinds het begin lid en zelf geproclameerd leider is. Centraal in de vreedzame coëxistentie staat een principe dat in het Westen al bij de Vrede van Westfalen in 1648 werd vastgelegd: niet-inmenging in andermans binnenlandse aangelegenheden. En dat is precies het belangrijkste argument dat China aanvoert voor zijn Veiligheidsraad-veto’s inzake Syrië.

China bemoeit zich niet met de binnenlandse zaken van andere landen omdat het niet wil dat andere landen zich met Chinese zaken bemoeien. Dat laatste idee gaat terug op de aloude overtuiging dat degenen die geen deel hadden aan de superieure Chinese beschaving, barbaren dus, niets in China te zoeken hadden. Een relatie van gelijkwaardigheid tussen barbarenlanden en China was ondenkbaar. Een buitenlandse gezant kon in Chinese ogen niet anders dan een vazal van de keizer zijn. Toen de westerse mogendheden in de negentiende en twintigste eeuw China de ene slag na de andere toebrachten, werd dat gevoeld als een onvoorstelbare vernedering die zich nooit meer mocht herhalen. Niet-inmenging dus, zeker zolang China niet in staat was een vuist te maken.

Maar waarom sprak China vorig jaar maart dan geen veto uit tegen de ontplooiing van westerse luchtsteun voor de opstandelingen in Libië? Was dat dan geen inmenging, die voor China zelf een precedentwerking kon hebben? Die stemonthouding smaakte naar olie. De hoogbejaarde Saoedische koning Abdullah kon immers Kadhafi’s bloed wel drinken, en van zijn olieklanten verwachtte hij dezelfde dorst. Saoedi-Arabië leverde China negentien procent van zijn geïmporteerde olie, en Libië slechts drie procent. De rekensom was dus snel gemaakt. De westerse bombardementen op Libië vormden natuurlijk een dubieuze interpretatie van het VN-mandaat. Zo ver wil China het ditmaal niet laten komen. Al was het alleen maar om zijn (olie)belangen in Syrië niet te verspelen zoals dat in Libië is gebeurd.

Veel landen passen het beginsel van de niet-inmenging slecht toe. China is geen uitzondering. Vraag bijvoorbeeld maar aan de landen van Zuidoost-Azië, die China als zijn moderne vazalstaten lijkt te beschouwen. In het steeds hoger oplopende zeslandenconflict om de strategische Zuid-Chinese Zee met zijn fabuleuze olievelden en gasbellen zet China op een agressieve manier zijn aanspraken kracht bij. Hetzelfde geldt voor het conflict met Japan over een groep eilandjes in de Oost-Chinese Zee.

Nu het Rijk van het Midden weer de status van wereldmacht heeft bereikt, is de internationale _low profile-_politiek dan ook achterhaald. China stelt zich steeds assertiever op. Die koerswijziging is vooral het werk van ultranationalistische kringen, die aangevoerd worden door een aantal legerleiders. Soms lijkt het er zelfs op dat de militairen de buitenlandse politiek hebben overgenomen. Het principe van de niet-inmenging is nog wel goed om winstgevende relaties met arme landen aan te gaan (Chinese hulp zonder politieke voorwaarden, in ruil voor grondstoffen en afzetmarkten), maar boet op andere fronten snel aan kracht in. Onder Chinese buitenlandexperts is een debat gaande over de houdbaarheidsdatum van China’s non-interventiebeginsel, dat stamt uit de tijd dat arme derdewereldlanden zich moesten verdedigen tegen westers imperialisme en neokolonialisme.

Ook internationaal is niet-inmenging geen absoluut beginsel meer. Mogendheden hebben tegenwoordig een ‘beschermingsverantwoordelijkheid’ die hun inmenging noodzakelijk maakt bij genocide, etnische zuiveringen, oorlogsmisdaden of andere men made disasters. In het geval van Syrië heeft geen enkele mogendheid die verantwoordelijkheid (nog) genomen. Ze hebben daar allemaal hun redenen voor. Wat zijn de redenen van China? Waarom vreest Peking regime change in Syrië?

De Chinese Volksrepubliek, zelf product van een uiterst bloedige revolutie, heeft het niet begrepen op revoluties in het algemeen en in de Arabische wereld in het bijzonder. Revoluties ondermijnen immers per definitie de bestaande orde, en als er iets is wat de communistische leiders nerveus maakt, dan is dat instabiliteit. Opstand, vooral een gewapende, is het ergste wat ze vrezen. Vandaar de overkill waarmee de geweldsuitbarstingen in de ‘autonome’ provincies Tibet en Xinjiang worden beantwoord. Uit angst dat de Arabische revoluties de onvrede in China zullen aanwakkeren heeft de overheid sinds begin vorig jaar preventieve maatregelen genomen: arrestaties, ontvoeringen, verscherping van de censuur. Wie even had gedacht dat China geen politiestaat meer was, moest zijn mening herzien.

Er is voor China een extra reden om Assad te blijven steunen: de relaties met Iran. Als je Iran te vriend wilt houden, en dat wil China, kun je Teherans protégé Assad niet afvallen. China, in eigen land bepaald geen vriend van zelfbewuste moslims, heeft met de ayatollahs van Iran een speciale relatie, en het wil die niet laten verstoren. Ook in het geval van Iran predikt China de niet-inmenging. Het verzet zich dus tegen de westerse sancties.

China en Iran werden lang geleden handelspartners dankzij de Zijderoute. Twee millennia later hebben ze elkaar herontdekt dankzij China’s behoefte aan olie en gas en Irans behoefte aan wapens, auto’s, consumptiegoederen en investeringen. In 2004 werd China de grootste exportmarkt van Iraanse olie en, met Rusland, Irans belangrijkste leverancier van wapens, vooral raketten en rakettechnologie. Amerikaanse sancties tegen Iran hadden voor de Russen en Chinezen het prettige effect dat Iran nog meer wapens bij hen bestelde. Ze storen zich dan ook niet aan de Amerikaanse strafmaatregelen.

Niemand weet hoe het Syrische drama zal aflopen. Als een overwinning van de rebellen in Syrië in zicht komt, zullen Rusland en China eieren voor hun geld kiezen. Misschien zullen ze dat ook doen als het conflict overgaat in sektarische oorlogen en een de facto opdeling van Syrië, want daarmee is niemand gebaat. Er schijnt voor Assad een datsja bij de Zwarte Zee klaar te staan. Voor China is een stabiele oplossing van groot belang, want het heeft grote plannen met het Midden-Oosten. Daarin passen geen grote conflicten, laat staan een bombardement door Israël van de Iraanse nucleaire installaties.

Die Chinese plannen houden nauw verband met een geleidelijke vermindering van het strategische belang van het Midden-Oosten voor de VS. Amerika gaat immers zijn eigen olie­productie opvoeren om minder afhankelijk te zijn van het onberekenbare Midden-Oosten. Bovendien gaat Washington, diep gefrustreerd over de militaire avonturen in Irak en Afghanistan, zich politiek en militair minder bemoeien met de regio. Er is gewoon geen geld en geen animo meer voor. De militaire topprioriteit voor de Verenigde Staten is verschoven naar de landen rond de Grote Oceaan, waar de Amerikanen hun militaire bondgenootschappen aan het uitbreiden en versterken zijn om gezamenlijk de Chinese expansiedrang in te tomen. Wie maakt zich op om in het gat te springen dat Amerika in het Midden-Oosten achterlaat? Precies.