En daarna een broodje kaas

Het proza van Bianca Boer is rustig, doeltreffend en kaal. © Bianca Sistermans / Lumen Photo

Judith verzorgt haar stokoude grootmoeder, voormalig Auschwitz-slachtoffer. Zelf heeft ze een abortus achter de rug, na een vrijpartij met de vriend van een vriendin, en haar studie filosofie is vastgelopen. Bianca Boer zet deze context van haar roman met veel gevoel in rustig, doeltreffend en kaal proza neer. ‘Om half acht ’s ochtends ontbijt aan de keukentafel, recht boven de garage. In onze donkere keuken. Ook al is het licht, in de keuken blijft het grauw.’

Oma is ziek en half dement, Judith moet haar met alles helpen. ‘Ik ondersteun je bij het traplopen. Het trapgat is krap, ik sta een tree onder je, als ik niet oppas sodemieteren we samen naar beneden.’ Dat ‘sodemieteren’ nam me sterk voor deze verder zo voorzichtige schrijfster in. Zeg het maar zoals het is, dacht ik. Met veel empathie beschrijft Boer de kleine wereld waarin Judith met haar oma leeft. De straat, de buurvrouw die te pas en te onpas langs komt, haar eigen tot nu toe half mislukte leven, herinneringen aan vroeger en de vragen die voortdurend opkomen over oma’s verleden. Langzamerhand komt ze erachter. Wat is het verband met Judiths moeder die jong stierf? Kan ze zich een voorstelling maken van wat haar oma in Auschwitz heeft meegemaakt?

De patiënten werden naar Auschwitz afgevoerd. Waarom wil je dit filmen?

Een tragische roman dus. Maar wat moet je anders wanneer je de jodenvernietiging, plus de nasleep daarvan, in een verhaal, in fictie dus, aan de orde wil stellen? Grappen erover maken, zoals Roberto Benigni deed in de film La vita è bella? De verschrikkingen van de Sonderkommando’s minutieus in beeld brengen, zoals László Nemes deed in de film Son of Saul? Sophie’s Choice? Schindler’s List? Ik ging naar geen van deze films, zag alleen de trailers en schaamde me dan om een of andere reden, die ik nog steeds niet goed doorzie, plaatsvervangend over alle goeie bedoelingen. Geef mij maar De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve of Het bittere kruid van Marga Minco, waarin geen gaskamer te bekennen is. Shoah zag ik wel, daarover wil ik het nooit meer hebben. Maar erover zwijgen is uiteraard ook geen optie, dat snap ik wel. Er moet zo vaak mogelijk over worden geschreven en verteld. Maar hoe? Langzamerhand begint alles erover fictie te worden, iets uit het verleden, de overlevenden gaan dood, er komt een dag dat we in de krant lezen: ‘Laatste overlevende van de Duitse concentratiekampen overleden.’

Boer stelt dit probleem in haar roman aan de orde en ze bedacht een fraaie en indringende setting. Judith ziet op een dag in de krant een advertentie waarin figuranten voor een speelfilm worden gevraagd. Regisseur is Frans Verschueren, hij is een van haar favoriete regisseurs. ‘Hij wordt de Hollandse meester van de film genoemd. Wat hij met licht doet is fenomenaal.’ Ze geeft zich op omdat ze afleiding zoekt. Ze wordt aangenomen en speelt als verpleegster een figurantenrol in een film die zich in de oorlog afspeelt. Snel komt ze erachter dat het niet de zoveelste heldenfilm is, maar een verhaal rond de ontruiming in 1943 van ‘Het Apeldoornsche Bosch’, een joodse psychiatrische inrichting voor kinderen en gehandicapten. Meer dan twaalfhonderd patiënten, ouderen en kinderen en verplegend personeel werden per trein via Westerbork naar Auschwitz afgevoerd. Waarom wil je dit filmen? De regisseur en de andere makers willen de waarheid in beeld brengen, de achtergronden, ze willen zich inleven. Uiterst precies en uitvoerig beschrijft Boer de totstandkoming van de film. De steeds opnieuw gespeelde scènes, de verschillende locaties, het gedrag van regisseur en spelers, het gedoe op de set. Compleet met broodjes eten, koffie drinken, halfslachtige verliefdheden en jaloezie. Judith begint zich zelfs steeds meer in haar rol in te leven, ze droomt al van een filmcarrière. Het is natuurlijk maar een film, beseft iedereen, we doen ons best en ook na de verschrikkelijkste scènes eten we een broodje kaas. ‘Een nieuwe draaidag. Ik hoor bij een groep van twintig mannen en vrouwen. We dragen nu nog badjassen. Een handvol soldaten en vier mannen in gestreepte kampkledij. (…) Aan het plafond sproeiers. Ze zeggen dat hier water uitkomt. De figuranten van vandaag hebben hiervoor getekend, minstens een maand lang niet scheren. De oudste vrouw is rond de vijftig.’

Niet echt dus, maar de verschrikking daalt bij Judith (en bij mij) in alle wanhoop langzamerhand neer. De scènes zijn soms bijzonder hardhandig. Judith raakt regelmatig in verwarring, zeker wanneer, ter verhoging van het realisme, een paar ‘echte’ gehandicapte kinderen meedoen, die weinig begrijpen van wat er gebeurt. Waarom moeten we in deze trein? En waarom schreeuwen die mannen zo hard? Fictie en werkelijkheid beginnen door elkaar te lopen. Judith wordt zelfs kaalgeschoren, ze wist wel dat het zou gebeuren, maar het komt allemaal hard aan. Boer laat scherp zien hoe filmmakers de werkelijkheid naar hun hand zetten, ze verbindt daar geen moralistische of cynische beschouwingen aan over de filmindustrie. Ze laat zien hoe het werkt en hoe men ermee omgaat. Hoe je panische gezichtsuitdrukkingen het fraaist en overtuigendst in beeld kan brengen. Ik las deze roman met toenemende beklemming en met toenemende bewondering voor de ingenieuze opzet die dieper ingrijpt dan een abstract betoog over de fictionalisering van oorlogsmisdaden. Boer schreef een indrukwekkend boek over de verwerking van oorlog. Haar koele documentaire stijl stelde haar in staat de onderliggende emoties overtuigend op me over te brengen.