Verkiezingen: Tijd voor een kabinet dat de rit uitzit

En dan nu: doorpakken

Nederland heeft tien woelige politieke jaren achter de rug. Kan het tweede decennium van deze eeuw rustiger verlopen?

Medium aukje milo

Tien jaar geleden schrok de Nederlandse politiek zich kapot. Uiteraard van de moord, vlak voor de verkiezingen, op Pim Fortuyn. Maar ook van de uitslag van die verkiezingen: Fortuyns lpf slaagde erin in één klap met 26 zetels in de Tweede Kamer te komen.

De uitslag van die verkiezingen van tien jaar geleden was uitzonderlijk. Maar liefst ruim dertig procent van de kiezers had zijn stem­gedrag veranderd. Dat was hier nog nooit eerder gebeurd. De zittende regeringspartijen pvda, vvd en d66 verloren samen 43 van hun 97 zetels. Politici, commentatoren, politicologen – iedereen buitelde over elkaar heen om die omwenteling te duiden.

De kiezers zijn ontevreden, zijn in opstand gekomen, op drift geraakt, dat waren de sleutelverklaringen in de analyses. Maar later politicologisch onderzoek concludeerde dat van onvrede, voortkomend uit een algemeen gebrek aan vertrouwen in de politiek, veel minder sprake was dan aanvankelijk werd gedacht. De lpf sprak de kiezer aan vanwege haar standpunt over asielzoekers en haar rechtse karakter. Daarnaast was de omwenteling in 2002 weliswaar uitzonderlijk, maar de schommelingen in stemgedrag waren vanaf 1994 al beduidend groter dan daarvoor. De oorzaak daarvan was volgens onderzoekers Maud Adriaanse, Wouter van der Brug en Joost van Spanje in hun artikel in de bundel Politiek en media in verwarring veeleer dat de politieke partijen zo op elkaar waren gaan lijken.

Verkiezingsjaar 2002 bleek het begin van een politiek woelig eerste decennium van de nieuwe eeuw. Want daarna is het onrustig gebleven. Zo gaat Nederland volgende week voor de vijfde keer in tien jaar tijd naar de stembus, de verkiezingen van 2002 meegerekend. Na de Fortuyn-revolutie wist geen enkel kabinet zijn regeer­periode af te maken. Helemaal kort van duur was het eerste kabinet-Balkenende van cda, vvd en lpf. Dat trad aan op 22 juli 2002 en moest al binnen drie maanden de handdoek in de ring gooien. Regeren bleek voor de onervaren lpf-ministers een moeilijker vak dan ze hadden gedacht. De kabinetten die volgden vielen over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali, over de missie in Uruzgan en – afgelopen voorjaar – over de extra bezuinigingen die noodzakelijk zijn als gevolg van de eurocrisis.

Het rommelde de afgelopen tien jaar niet alleen binnen kabinetten of tussen een kabinet en zijn gedoogpartner, maar ook binnen partijen. Waarbij het laatste vaak niet los was te zien van het eerste.

Het meest in het oog springende gerommel was er aanvankelijk bij de vvd, de partij die in 2002 het meest direct te lijden had van de lpf. Eerst scheidde Geert Wilders zich af om zijn eigen pvv op te richten. Later waren er de ruzies tussen Mark Rutte en partijgenote Rita Verdonk om het partijleiderschap, wat ook weer leidde tot een scheiding, maar Verdonks Trots op Nederland was in tegenstelling tot de pvv niet succesvol. Die ruzies gingen niet alleen over macht, maar ook over de koers, waarbij de vraag wat de rechtse kiezer wil een grote rol speelde. De lpf had immers bewezen dat er, om het in de terminologie van de vvd zelf te zeggen, op rechts nog een markt te winnen was. De vraag wat de rechtse kiezer wil werd des te prangender voor de vvd toen de pvv geen eendagsvlieg bleek zoals de lpf.

Twee jaar geleden was er ophef bij het cda. Die partij raakte tot op het bot verdeeld over het wel of niet gaan regeren met gedoogsteun van de pvv. Het ja van de meerderheid binnen het cda voor de gedoogconstructie deed kiezers weg­lopen. Dat was om dezelfde reden als waarom de gedoogconstructie tot onrust in de samenleving leidde: moet je je afhankelijk maken van een partij die mensen wegzet? Partijleider Sybrand van Haersma Buma gaf vorige week ruiterlijk toe dat het herstel van het cda, de partij die in zijn 55-jarige bestaan slechts acht jaar niet mee­regeerde, een proces zal zijn van lange adem.

Vergeleken bij de tweespalt in het cda was de interne zoektocht bij de pvda naar de in de jaren negentig afgeworpen ideologische veren een welhaast nette strijd, terwijl het ook daar vaak hard aan toe ging. De SP was in het gat gedoken dat de vederloze pvda op links had laten liggen. Daarmee zat de pvda in een vergelijkbare positie als de vvd: er was ruimte ontstaan voor een concurrerende partij.

Politieke onrust was er ook over Europa. Eerst als gevolg van het Nederlandse nee tegen de Europese grondwet, wat vvd, cda en pvda, de partijen die het Europa-beleid in de decennia daarvoor vorm hadden gegeven, deed terugdeinzen voor hun eigen tot dan toe gevoerde pro-Europese koers. Daar kwam later nog de eurocrisis bij, die de discussie over Europa, het overdragen van bevoegdheden en de onderlinge solidariteit binnen de eurozone verder op scherp heeft gezet.

Nu, precies tien jaar na de Fortuyn-revolutie, gaat Nederland weer naar de stembus. Bij de presentatie van de kandidatenlijst van zijn partij, aan het begin van de zomer, zei pvda-­partijleider Diederik Samsom dat zijn politieke generatie zich moet revancheren voor de eerste tien jaar van deze eeuw. Dat is, de afgelopen tien jaar overziende, geen overbodig streven.

Zouden de huidige politici daartoe in staat zijn? Zou een volgend kabinet wel een keer de rit weten uit te zitten? De politiek zou er het land en zijn inwoners een groot plezier mee doen, want mensen, kiezers, burgers, houden niet van ruzies, gerommel en vallende kabinetten. Ze willen daden.

Dat bleek dit voorjaar kort na de val van het kabinet-Rutte toen d66, GroenLinks en de ChristenUnie het minderheidskabinet van vvd en cda te hulp kwamen en deze vijf partijen een akkoord sloten over de begroting voor 2013. Menigeen vond dat een verademing: eindelijk pakte ‘de politiek’ door. Diezelfde opluchting was er ook toen de politiek de banken redde ten tijde van de bankencrisis, najaar 2008. Uit onderzoek blijkt dan ook dat het vertrouwen in de politiek stijgt als er daadkracht wordt getoond.

Zijn er redenen om optimistisch te zijn over de vraag of het de politiek zal lukken revanche te nemen op zichzelf? Met in het achterhoofd de woorden van vertrekkend ser-voorzitter Alexander Rinnooy Kan dat optimisme een opdracht is: ja, die zijn er.

Ten eerste zijn partijen die daarmee worstelden er na soms pijnlijke interne processen in geslaagd met een duidelijker eigen koers te komen. De vvd is een ronduit rechtse partij geworden die met eenvoudige slogans als Vandalen gaan betalen en Regel 1: minder regels inspeelt op gevoelens over onveiligheid en overmatige bureaucratie bij de overheid.

Het cda legt weer meer dan in het recente verleden de nadruk op het belang van het gezin voor de opvoeding van kinderen, op het uitgangspunt dat de samenleving de ruimte moet krijgen om zelf initiatieven te ontplooien en op het belang van moraal. De pvda, de derde van de traditionele grote drie, lijkt er beter dan tot voor kort in geslaagd de sociaal-liberale inborst met de meer op de traditionele arbeider gerichte kant van de partij te verenigen en heeft zich voorgenomen zich niet door de concurrentie van de SP te laten dwingen tot een keuze tussen die twee stromingen.

Daarmee komen deze partijen, maar ook SP, d66 en GroenLinks die minder worstelden met hun koers, tegemoet aan de behoefte van de kiezer aan duidelijker verschillen in politieke standpunten. Wie grote ideologische betogen en vergezichten verwacht, zal teleurgesteld zijn, maar hij heeft dan onvoldoende in de gaten dat aan een discussie over bijvoorbeeld het verkorten van de duur van de werkloosheidsuitkering wel degelijk een verschil in visie ten grondslag ligt: moet een werkloze geprikkeld worden te gaan werken, omdat hij anders maar in zijn WW-uitkering blijft hangen, of is een werkloze de dupe van economische omstandigheden en wil de samenleving de pijn van die crisis niet alleen bij hem neerleggen?

Tegen het optimisme over deze toegenomen duidelijkheid is in te brengen dat de verschillen tussen de partijen in het sociaal-economisch linkerblok niet zo groot zijn, evenmin als die tussen de partijen in het rechterblok. Wie echter bedenkt dat kiezers weliswaar makkelijker van partijvoorkeur wisselen dan vroeger, maar daarbij toch vooral binnen het eigen linkse of rechtse ‘blok’ blijven, hoeft dat niet als probleem te zien. Het geeft de kiezer juist de kans om binnen die blokken bij te sturen. Mocht daarom de SP volgende week eventueel de grootste partij worden, dan moet daaraan niet, zoals tien jaar geleden, de conclusie worden verbonden dat de kiezers massaal op drift zijn geraakt. Het zou weliswaar een historische uitslag zijn, omdat Nederland niet beter weet dan dat een van de traditionele drie, cda, pvda of vvd, de grootste is. Ook zou dan wederom een groot aantal kiezers van partij hebben gewisseld. Maar de politiek hoeft er niet van in verwarring te raken, zoals in 2002. Want de kiezers zijn niet ineens massaal links geworden. Ze hebben alleen binnen het linkerblok op een andere partij gestemd.

Wat ook optimistisch stemt, is dat er deze keer geen onervaren nieuwkomer is die een grote slag gaat slaan. Mocht de SP de grootste worden, dan is dat een ervaren partij. lpf-toestanden zijn niet te verwachten. Ook is de rol die Geert Wilders met zijn pvv zo graag speelde, die van nieuwkomer en buitenstaander die door de Haagse elite wordt gedwarsboomd, uitgespeeld. Weinig kiezers die dat nog geloven na de gedoogconstructie en de rol van Wilders in het mislukken daarvan. De pvv, hoe extreem haar standpunten ook zijn, is een ‘gewoner’ onderdeel geworden van de Haagse politiek. Dat alle andere partijen, meer of minder openlijk, samenwerking met Wilders bij voorbaat uitsluiten, ongeacht het zetelaantal van de pvv, maakt zijn rol bij de komende formatie bovendien klein.

Nog een reden om optimistisch te zijn, zijn de vele initiatieven in de samenleving, zoals het woonakkoord. Want hoe paradoxaal dat telkens weer klinkt, de kiezer wil weliswaar wat te kiezen hebben en dus verschillen zien tussen partijen, maar daarna wil hij dat er daadkrachtig wordt geregeerd. Politici kunnen hier hun voordeel mee doen.

Daarmee komt een laatste reden om optimistisch te zijn in beeld: de uitspraak van Samsom zelf. Hij, maar hij niet alleen, heeft zichzelf een opdracht gesteld: hij vindt het tijd voor revanche. Dat streven alleen al is belangrijk. Je ziet dat ook bij cda-leider Buma, Arie Slob van de ChristenUnie, GroenLinks-lijsttrekker Jolande Sap, haar d66-collega Alexander Pechtold en SP-voorman Emile Roemer. Niet dat ze datzelfde woord revanche gebruiken, maar ook zij vinden het geen tijd om spelletjes te spelen, doen moeite om onderlinge verhoudingen te verbeteren, zijn bereid – om die uitdrukking dan toch maar één keer te gebruiken – om over de eigen schaduw heen te springen. Uiteraard niet tegen elke prijs. Een stevig kabinet heeft recht op een stevige oppositie. Het moet wel politiek blijven.

Kunnen politici erin slagen de politiek in het tweede decennium van de 21ste eeuw in rustiger vaarwater te brengen? Zeker, maar als optimisme een opdracht is, dan is verantwoordelijkheid nemen dat zeker. Alleen dan kan achteraf gezegd worden dat dat optimisme terecht was.