‘en dat is kut’

Met de opmerkelijke roman ‘Meisje Niemand’ verrastte Tomek Tryzna de wereld. Een dezer dagen verschijnt de Nederlandse vertaling van zijn tweede: ‘Siloam’, dat hij schreef samen met Ryszard Janikowski. Een gesprek met de grillige schrijver in zijn Warschause woning. ..LE Tomek Tryzna en Ryszard Janikowski, Siloam. Kinomysterie. Vertaad door Karol Lesman, uitg. De Geus (verschijnt een dezer dagen) ..LE WARSCHAU - Het tweede boek van Tomek Tryzna, Siloam, is in Polen met een mengeling van spot en verbazing ontvangen. Een recensent noemde het denigrerend ‘lectuur voor veertig minuten’ en vroeg zich af of het boek meer voorstelt dan een postmodern spel met conventies. Tomek Tryzna, zo stelt hij vast, vermengt elementen uit de road movie met nouvelle violence, slapstick, sprookjes, bijbelse vertellingen en Griekse tragedies.

De titel ontleent het boek aan de vertelling uit het Nieuwe Testament waarin Jezus de ogen opent van een blinde. Siloam is de naam van de vijver waarin de blinde zijn ogen uitwast opdat hij ziet. Deze scŠne komt aan het einde van het boek voor, waarin het over de vertoning van een klassieke Tsjechische bijbelfilm gaat. Het publiek, dat tot dan toe heeft gebruld van het lachen, verstomt. Het boek besluit met ‘Amen’.
Het bijbelse aspect in Siloam verhindert overigens niet dat het boek stijf staat van de schuttingwoorden. Een weekblad stelde een lijstje op: 'hoer’: 65 maal, 'lul’: 41 maal, 'neuken’: 39 maal, 'kont’: 31 maal, enzovoort. Tryzna: 'Er zullen heel wat pubers en arbeiders zijn die om het boek moeten grinniken en elkaar bij allerlei passages zullen aanstoten. Maar daar gaat het niet om. Het is een bloedserieus boek.’
Het debuut van Tryzna, Meisje Niemand, betekende twee jaar geleden meteen zijn internationale doorbraak. Hij voltooide het boek in 1988, maar vond er pas in 1994, door toedoen van zijn vriend Ryszard Janikowski, een uitgever voor. Erkenning kreeg het boek vooral toen de vermaarde filmregisseur Andrzej Wajda verrukt raakte van het verhaal en besloot Meisje Niemand te verfilmen. Hij liet het boek aan zijn vrienden lezen, onder wie Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz, die het in een uitvoerig essay de hemel in prees. Prompt verkreeg het boek cultstatus. De Nederlande uitgeverij De Geus verwierf de internationale rechten van het boek en verkocht Meisje Niemand aan talloze grote uitgeverijen over de hele wereld.
TOMEK TRYZNA woont ver van de villa’s van zijn gearriveerde Warschause vakgenoten. Zijn etage kijkt uit op een brede winkelstraat in een buurt die ooit op stand was. In het portaal beschijnt een kaal peertje zijn afgebladderde deur. Over het naambordje van de vorige eigenaar prijkt 'Trrrr’ in plakletters.
De huiskamer van Tryzna is rommelig. Overal staan voorwerpen die elk moment ter hand kunnen worden genomen: video-apparatuur, schilderdoeken, schrijfgerei. Tryzna heeft haast, grote haast. Hij is er op gebrand elk moment zo intensief mogelijk te beleven. Hij wil verder, vooruit, dingen maken.
Hij kan nauwelijks het geduld opbrengen om zijn boek toe te lichten. Hij zegt dat hij zichzelf ziet als iemand die beelden maakt, iemand die registreren belangrijker vindt dan uitleggen. 'Ik ben een medium.’ Hij reageert wantrouwend op vragen die diepergelegen thema’s of gedachten in zijn werk willen ontdekken. Dan antwoordt hij ironisch met: 'Interessant’, of: 'Dat klinkt intelligent.’ Om te vervolgen met: 'Maar ik ben er niet zeker van dat ik begrijp wat u bedoelt.’ Tryzna: 'Natuurlijk vind ik het interessant om over mijn werk te praten. Maar ik ben slecht in theoretiseren. En ik wil niet hakkelen, de woorden moeten stromen.’
Tegelijk is het voor hem een schrikbeeld een routineuze prater te worden, die zichzelf voortdurend herhaalt. 'Daar ben ik bang voor omdat ik zwak ben. Alles is zwakte.’
TRYZNA’S GROOTSTE liefde is niet de literatuur maar de film. Hij is als scenarist begonnen. 'Film is voor mij een diepe en rijke vorm, veel rijker dan literatuur. Bovendien hoef je niet uitgebreid te beschrijven. Je drukt op de knop en je hebt het.’
Met Wajda’s verfilming van Meisje Niemand was Tryzna diep ontevreden. Op de premiŠre verscheen hij demonstratief dronken en in een oude trui. Hij heeft de filmrechten van het boek weer in eigen handen genomen en is van zins het zelf binnen enkele jaren opnieuw te verfilmen. Ook Siloam hoopt hij zelf te draaien. De publicatie van de tekst is voor hem niet meer dan een opstapje daartoe. Maar het filmklimaat in Polen is in zijn ogen verziekt. Hij wacht noodgedwongen op betere tijden en maakt intussen onafhankelijke televisie. 'Toch voel ik ook honger naar de literatuur. Ik schommel heen en weer tussen film en schrijven. Het een inspireert het ander.’
Tryzna’s gepolijste schrijfstijl is het gevolg van een jarenlange worsteling met zichzelf Çn met de taal. 'Niet lang geleden kwam ik tot de conclusie dat alles, de hele monsterlijke afgrond van het leven, een zoektocht naar de eenvoud was. De eenvoud is een archetype. Zij is in de loop der jaren vervuild, met ornamenten behangen. Als je schoonheid wilt, en dat wil zeggen: eenvoud, dan moet je schrappen.’
Tryzna’s stijl zou je ook naãef kunnen noemen. Dat geldt zeker voor de eerste hoofdstukken van Meisje Niemand. Daarin hanteert Tryzna een puur registrerende taal. 'In mijn eerste aantekeningen voor dat boek gaat het over de ontmoeting van de ik-figuur Marysia met God. Wat ziet ze? Omdat zij in de kerk geknield zit, ziet zij eerst schoenen, schoenen met veterlaarzen. Wanneer zij dan omhoog gaat, ziet zij broeken, vervolgens hemden, en ten slotte een man met een aureool. Dan zegt zij: “Ik heb God ontmoet.” Dat is van een haast vanzelfsprekende zuiverheid.
Maar in de loop van de roman verandert de taal. Marysia gaat de grote wereld in. De taal opent zich voor nieuwe dingen. Marysia blijft niet bij het opsommen van wat zij ziet, zoals in het begin. Zij bouwt hele figuren. Een vals verleden. De taal wordt steeds banaler, conventioneler. Een heel andere taal dan in het begin. Dat vind ik interessant, dat is voor mij een experiment.’
HET POOLS, meent Tryzna, bestaat uit diverse talen. 'Er is de offici‰le taal, de taal waarin van oudsher wordt geschreven. En er is de echte taal, die vanzelfsprekend erg vulgair is. En vreemd. Tegelijkertijd is dat een prachtige taal, niet minder prachtig dan de offici‰le. Om te kunnen vertellen moest ik deze twee talen met elkaar laten huwen. Niet een van de twee weggooien. Laten trouwen. Uitvinden hoe men formuleert als de ene taal de andere ontmoet. Iets nuchters kwam op, iets ruims.’
In Siloam voert Tryzna dit taalhuwelijk tot het uiterste door. Zijn eenvoudige, heldere stijl mengt hij met grove scheldpartijen. Ontdaan van hun referentiekader klinken de grofheden als uitingen van pijn, van de onmacht tot communicatie. Het kwetsende van de woorden staat voor de blasfemie die de taal in wezen altijd is.
Behalve taalstijlen mengt Tryzna ook mensen. 'Meisje Niemand is een boek voor allen, dat wil zeggen voor jongeren en volwassenen, voor intelligente en eenvoudige mensen.’ In Siloam worden de uitersten verder verkend. Onmogelijke huwelijkspartners worden aan elkaar gekoppeld. Een sprookjesprinsesje, Olenka y de Fiberglass, kruist het pad van twee 'titanen’ die rechtstreeks uit Pulp Fiction lijken weggelopen. Deze reuzen paren brute grofheid aan aandoenlijke sentimentaliteit en plotselinge flitsen van zelfinzicht. Wat volgt is een situatie die verdergaat waar de meeste Griekse tragedies ophouden. Titaan Virus tegen het prinsesje: 'Nou zeg het, verdomme, want ik beuk je op je smoel! Nou… “Stop ’m in me, neuk me kapot.” Zij fluisterde: “Kapot.”(’
Volgens Tryzna zijn de overeenkomsten van de 'titanen’ met Pulp Fiction echter toeval. 'Siloam ontstond aan het einde van de jaren tachtig. Tarantino en Avery schreven juist op dat moment hun scenario’s. Waarschijnlijk woei er op dat moment een bepaalde wind over de wereld. Het weerspiegelt de moraal die kenmerkend is voor het einde van het millennium.’
ONDANKS ZIJN eigenzinnigheid denkt Tryzna niet buiten de Poolse literaire traditie te staan. Hij bewondert schrijvers als Stanislaw Witkiewicz en Bruno Schulz. Witold Gombrowicz inspireert hem het meest. 'Toen ik vijftien was, las ik hem en hij beviel me erg. Ik wilde ook schrijven, maar zo mooi, met zo'n Olympische afstand kan ik het niet. Ik dacht over Gombrowicz na. Hij zei: “Kerel, daar gaat het niet om. Je hebt iets te zeggen en vermaak je daarmee. Doe wat je wil.” Door Gombrowicz begreep ik dat ik mocht schrijven.
Zo ging het ook met Meisje Niemand. Er was geen reden om dat te schrijven. Ik kreeg er geen geld voor. Ik denk dat Meisje Niemand jongeren geholpen heeft om tegen zichzelf te zeggen: “Verdomme, ik schrijf gewoon.” Het boek wil een wegbereider zijn voor een generatie van jonge schrijvers.’
De sfeer van vrijheid die Tryzna’s boeken ademen, schrijft hij zelf toe aan de periode van Solidariteit. 'Ik heb 1980 en 1981 meegemaakt. Dronkelappen zopen wodka en bier omdat alles kut was. Zij dachten dat er niets kon veranderen. En toen kon plotseling alles. Een wonder. Er heerste een heerlijke nationale geest. Er werd iets wakker. Precies zoals bij Marysia in Meisje Niemand. Ineens ontdekt zij: “O jeetje, je kan zomaar op een drumstel spelen, en naar school gaan in zigeunervodden, en praten over Pascal ook al is dat iets Frans, en reizen naar Afrika. Dat kan allemaal.”’
Maar over de periode na 1989 is Tryzna bezorgd. 'De huidige tijden rammen hard op de menselijke ziel. Plotseling zijn veel mensen rijk, heel rijk. De bladen vertellen over hun carriŠres. Ze bouwen mythen van succes. De mensen willen zo snel mogelijk iets bereiken, desnoods langs oneerlijke weg. We leven in een koloniaal land, er is monsterachtige corruptie. Zo snel mogelijk rijk worden, want straks doen ze de deur dicht en is er niets meer. Op naar de top, naar de rijkdom.’
De Polen doorlopen volgens Tryzna dezelfde weg als Marysia. Ze worden net als zij aan het eind van Meisje Niemand: gecultiveerd, oppervlakkig en vervreemd van hun vroegere eenvoud. 'En dat is kut.’
VOLGENS TRYZNA is er op het moment in Polen een belangrijke taak voor schrijvers weggelegd. De Polen zijn ziende blind. 'Het is nodig de mensen de ogen te openen, hun de waarheid te vertellen. Mensen ervaren de tijd als een zwart gat. Ze moeten weer leren met hun leven overweg te kunnen. We moeten ze niet opgescheept laten zitten met al die waanzin en die zenuwentoestanden.’
Toch had Tryzna dit niet voor ogen toen hij Siloam schreef. 'Met dat boek mikte ik op universalia, op de kosmos. Maar begrijp me niet verkeerd: ik wil geen nieuwe ideologie. Het boek is een experiment. Ik wil aanraken. Het is niet zo dat de auteur schrijft, en dat de lezer leest en daardoor verstandiger wordt. Nee, het gaat mij om het aanraken van een concreet thema. Stevig aanraken, alsof je het fijnwrijft. Geen propaganda. Ik ben niet voor propaganda. Ik ben geen moralist. Iets doet me erg pijn, ik weet niet wat. Iets drijft me tot wanhoop zodat ik afstand moet nemen. Mijn taal is mijn afstand tot mijn wanhoop.’