En dat uit mijn mond

‘Zeg ben jij Indisch?’ ..LE Ik hoor het steeds vaker - de ontevreden trekken in mijn gezicht accentueren blijkbaar m'n Aziatische kenmerken. Het rare is dat ik daarom nu pas merkwaardige vooroordelen hoor die er bestaan rond Indische mensen. Van intellectuelen zelfs.

  1. Indische mensen worden niet gediscrimineerd omdat ze helemaal geassimileerd zijn in de Nederlandse samenleving.
  2. Indische mensen zijn een goed voorbeeld van hoe allochtonen kunnen opgaan in de samenleving.
  3. Indische mensen zijn vaak heel goed opgevoed en daardoor beleefd en dat is de reden dat ze niet zo gediscrimineerd worden. Nu ik ze opschrijf, merk ik dat de vooroordelen eigenlijk op hetzelfde neerkomen: aardige mensen die Indo’s, je hebt nooit last van ze. Ik ben de laatste om daar wat tegen in te brengen, maar het is een vals beeld. Ik ken veel Indische mensen die helemaal niet geassimileerd zijn, die absoluut niet opgegaan zijn in onze samenleving en die ook helemaal niet goed opgevoed zijn. En vallen Molukkers ook onder de term Indische mensen? Wat mij, na al die jaren, nog steeds verbaast is dat er geen enkel historisch besef is over wat Nederland in Indi‰ heeft gedaan - zelfs de goede dingen zijn we vergeten. Ach, het heeft geen zin daarover te klagen: daarvoor ben ik te veel geassimileerd en te goed opgevoed, maar je merkt nu al de historische verdringing die plaatsvindt over onze Turken, Marokkanen en Surinamers. Test. Wie weet er waarom de eerste generatie Turken en Marokkanen niet zijn teruggegaan na verloop van tijd? Hadden ze het hier goed? Vonden ze Nederland hun nieuwe vaderland? Hoe kan het dan dat ze er nu beroerd aan toe zijn? Door een toeval moet ik de laatste tijd denken aan de afschuwelijke periode dat ik zelf Nederlandse les gaf aan anderstaligen, wat ik acht jaar heb gedaan. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Ik was aan het werk met een verloren generatie. Ik wist, uit hoofde van mijn studie Nederlands, dat ze een taalachterstand nooit meer zouden inhalen (je moedertaal blijft altijd je moedertaal), ik wist dat er te weinig mogelijkheden voor ze waren om te studeren, ik wist dat hun eigen milieu niet zou meewerken en ik wist dat de criminaliteit een oplossing zou zijn. Wij, onderwijzers, konden niets doen. Als u mij toen op een schoolvergadering gehoord had, had u mij wegens racisme aangegeven bij een of ander meldpunt en was ik veroordeeld wegens overtreding van artikel 137. ‘Alle Marokkanen stelen, die moeten van school. Ze jatten alles onder me vandaan.’ 'Dames en heren, het zal uw ervaring toch ook zijn, dat de Turken slimmer zijn dan de Marokkanen. Laten we ze daarom in andere klassen zetten.’ 'De Surinamers moeten we niet apart zetten. Ze kunnen wel niks, maar ze brengen wel sfeer in de klas.’ Ik was 23 en ten einde raad. Ik wist niet wat ik moest doen, want niets lukte. Ik ontwikkelde, als zeer linkse jongen, uit zelfbescherming de stelling dat het op een bepaald moment binnen een bepaalde periode voor een enkele gelegenheid geoorloofd is om te discrimineren. Ik vind dat nu nog, maar krijg er nooit en nergens applaus voor. Het vreemde was dat iedere keer dat ik op een lerarenvergadering zei dat we met de Turken dit, en met de Marokkanen dat, en met de Surinamers zo en met de Griekse leerlingen zus moesten doen, ik altijd te horen kreeg: 'En dat uit jouw Indische mond.’