En de boer, hij modderde voort

Minder vee, minder landbouwgrond, minder boeren, meer bos. Zelfs de boeren vinden dat zo langzamerhand. Maar de Europese Unie ligt dwars. Zal Nederland ooit een geheel geecologiseerd platteland krijgen?

WIE IN DE STAD woont, merkt het niet zo, maar op het platteland woedt een darwinistische strijd om het bestaan. De verwachting is reeel dat over zo'n tien jaar de landbouw in Nederland grotendeels is verdwenen. Toch zullen ook stadsmensen zich meer met de landbouw moeten bezighouden, al was het alleen maar omdat er begin 1995, in het kader van het Nationaal Landbouwdebat, een referendum komt onder de hele Nederlandse bevolking.
Bijna iedereen beseft inmiddels wel dat er drastisch en snel moet worden ingegrepen, maar alle betrokkenen willen dat op een andere manier, waardoor de landbouwcrisis bijkans nog groter wordt. De berichten zijn inderdaad niet mis: de Europese Unie wil de landbouwsubsidies fors inkrimpen. Een Brits onderzoeksbureau schilderde de Nederlandse landbouw in het rapport De markt gemist? af als onvoldoende marktgericht en hopeloos verstard dank zij de veilingen en cooperaties. Het Amerikaanse landbouwministerie heeft uitgerekend dat op grond van de EG-nitraatrichtlijn 65 procent van de Nederlandse varkenshouders zou moeten verdwijnen. Een Nederlandse studie in opdracht van Stichting Terzake, die het Nationale Landbouwdebat organiseert, schat het iets positiever in: een ecologisch verantwoorde varkenshouderij in 2005 betekent een inkrimping van dertig procent van de veestapel en een reductie van vijftig procent van de werkgelegenheid.
In 1992 gooide de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met het rapport Grond voor Keuzen de knuppel al in het hoenderhok. Resultaat van de studie: in 2015 is de helft tot driekwart van het aantal boeren in de Europese Unie en Nederland overbodig. De helft van het Nederlandse landbouwareaal moet vrijkomen voor natuur en woningbouw. Volgens de WRR is Nederland landbouwtechnisch geen goed akkerbouwland. Voor veehouders is er wel wat ruimte, dank zij het lange groeiseizoen en de hoge grasopbrengsten, maar ook hier zijn beperkingen omdat het land al zo erg is vervuild. In de natuur- en milieuscenario’s is er in Nederland dan ook geen plaats meer voor veeteelt en grondgebonden landbouw, alleen bosbouw in het westen en een beetje akkerbouw in de rest van het land.
Alle studies over een duurzame landbouw vertonen hetzelfde beeld: er moeten veel minder dieren komen en duizenden boeren zullen werkloos worden. Steeds meer boeren haken al af, zij het om verschillende redenen: een deel van hen heeft geen opvolger, een groter aantal boeren en tuinders kan de concurrentie met de wereldmarkt niet aan omdat de opbrengstprijzen structureel dalen of omdat er overschotten zijn. Dit geldt vooral in de graanteelt, varkenshouderij en glastuinbouw. Daarnaast stijgen de produktiekosten voor sommigen te snel, bijvoorbeeld de energiekosten en in mindere mate de milieukosten. In de varkenshouderij zullen de milieukosten cruciaal worden voor het voortbestaan, maar gemiddeld vormen de milieukosten per agrarisch bedrijf nog slechts een gering deel van de totale kosten. Volgens het Centrum Landbouw en Milieu spelen de milieulasten (nog) geen belangrijke rol in de economische crisis, hoewel dit door veel boeren wel zo wordt ervaren. Voor sommige boeren is de crisis hoe dan ook erg hevig, het zelfmoordpercentage onder deze beroepsgroep is hoog.
INKRIMPING VAN DE veestapel is geen taboe meer en lijkt haast niet meer tegen te houden. Op 12 oktober sprak de Tweede Kamer met de ministers Van Aartsen en De Boer over het vastgelopen mest- en ammoniakbeleid. GPV-er van Middelkoop dreigde zelfs met een parlementaire enquete als het mestbeleid weer mislukt. De ministers krijgen tot maart de tijd om de voor- en nadelen van inkrimping te onderzoeken, andere oplossingen voor het mestprobleem uit te werken en de beste variant te kiezen. VVD, D66 en eigenlijk ook CDA zien meer in een koude sanering, waardoor vanzelf de sterkste boeren overblijven, terwijl PvdA en GroenLinks voor een warme sanering kiezen (met overheidsgeld), die sociaal verantwoorder is - niet alleen de boeren hebben immers schuld aan de huidige problemen, ook de overheid heeft de problemen tientallen jaren door laten modderen.
De vraag bij inkrimping is bij de paarse partijen behalve de vraag naar koud of warm ook nog of in 1996 of in 1998 wordt begonnen. D66 wil geen cent overheidsgeld verspillen aan het uitkopen van boeren, terwijl de PvdA boeren wil uitkopen met het geld dat voor mestverwerking was gereserveerd. De VVD wil eerst alle technische opties uitgeprobeerd hebben (mestverwerking) voordat met inkrimping wordt begonnen. Wanneer de mestverwerking over drie jaar nog steeds niet van de grond is gekomen, betekent dit dus een koude sanering.
DE BOEREN ZELF zijn hopeloos verdeeld en het ooit zo hechte landbouwfront is verbrokkeld. Elke boerenorganisatie, elke landbouwdeskundige heeft zijn eigen mening. Wat zijn de visies? Nog steeds wil het logge Landbouwschap niet nadenken over inkrimping, maar het is de vraag hoe lang het dat kan volhouden, aangezien de afzonderlijke landbouworganisaties de discussie zelf al zijn begonnen. De grootste boerenbond (de NCB) heeft al een vrijwillige inkrimping van vijf procent voorgesteld, maar ook andere bonden en de jonge boeren (het NAJK) zijn nu voorstander van inkrimping of quotering.
Maar in het algemeen is verdeeldheid troef. Veehouders willen hun mest graag kwijt bij akkerbouwers, maar akkerbouwers zijn bang voor verontreinigde dierlijke mest en blijven kunstmest kopen. Aan de andere kant raken de akkerbouwers hun graan moeilijk kwijt; de veehouders hebben liever goedkope graanvervangers uit het buitenland. Verder spelen de afnemers de boeren tegen elkaar uit: wie het goedkoopst produceert, mag de supermarkten bedienen. Ook tussen boeren in de zelfde sector heeft de verdeeldheid toegeslagen. Er zijn veel verschillende typen boeren: high-tech boeren met gigantische stallen en mestsilo’s, maar ook scharrelveehouders, biologische boeren, boeren in milieucooperaties en geintegreerde boeren - en elk van hen ziet het eigen bedrijf als model voor de toekomst.
De organisatoren van het Landbouwdebat - onder wie Rabobank-topman H. Wijffels en R. Tazelaar van het Produktschap voor Vee en Vlees - wilden niet zelf bepalen welke kant het met de landbouw op moet, maar zij wilden alle betrokkenen anderhalf jaar laten discussieren. Hoewel het niet hardop werd gezegd, wilden de organisatoren het verstarde Landbouwschap passeren door boeren rechtstreeks in het debat te trekken. De hoop was dat de vernieuwing van onderop zou komen. Uit de debatten en enquetes in het kader van het Nationale Landbouwdebat vallen echter nog weinig conclusies te trekken. Wel staat eigenlijk al vast dat de oude succesformule van de Nederlandse landbouw - het produceren van goedkope bulk - op de helling moet en moet worden vervangen door vele produktiestijlen, kwaliteitssoorten en regionale varieteiten.
Onder de boeren is er een driestromenland ontdekt: er zijn saneerders (17 procent), pessimisten (49 procent) en vernieuwers (26 procent). Saneerders verwachten een forse afname van het aantal bedrijven, en vinden dat een goede ontwikkeling (zij denken dat ze zelf wel overblijven). De pessimisten verwachten mismoedig dat het dezelfde kant op zal gaan. De vernieuwers verwachten dat er juist heel veel bedrijven overblijven, maar dan met grote onderlinge verschillen.
De verschillende stromingen hebben verschillende toekomstvisies: saneerders vinden inkrimping (mits niet bij henzelf) geen bezwaar; vernieuwers en pessimisten zijn er sterk op tegen. Vernieuwers moeten ook niets hebben van goedkope bulk, zij geloven meer in creativiteit en natuur- en landschapsbeheer. Saneerders echter zijn relatief bereidwillig (vijftig procent van hen) om geheel over te schakelen naar een ecologische produktiewijze. Aldus is een verlammende situatie ontstaan, waarbij de drie groepen elk een andere kant op willen.
DE MILIEU- EN natuurorganisaties pleiten al jaren voor inkrimping van de veestapel. Dertig procent inkrimping betekent overigens niet dat ook dertig procent van de boeren werkloos wordt. De intensieve veehouderij zou gedeeltelijk naar Noord-Frankrijk moeten uitwijken, een deel van de boeren wordt niet opgevolgd en in de biologische landbouw is er werk voor twintig procent meer mensen dan in de gangbare landbouw. De milieuorganisaties willen overschotten in de grondgebonden rundveehouderij en problemen met de EG- nitraatrichtlijn voorkomen door het instellen van een graasdiernorm, bijvoorbeeld maximaal twee graasdieren per hectare ruwvoedergewas. Daarnaast willen zij dat de niet-grondgebonden (intensieve) veehouderij wordt ingekrompen door het instellen van een saneringsfonds dat veehouders uitkoopt. Het fonds zou door de veehouders, de (verwerkende en toeleverende) industrie en de overheid moeten worden gefinancierd, op een vergelijkbare wijze als bij de sanering van benzinepomphouders, steenfabrieken en autosloperijen. De milieuorganisaties voeren op dit moment tevens de campagne Vlees, minder en beter. Zij vinden dat consumenten minder vlees moeten gaan eten of anders bewuster vlees moeten eten (biologisch, ecologisch of scharrelvlees). Veehouders moeten met minder dieren meer verdienen door meer op milieu, kwaliteit en diervriendelijkheid te letten. Mestfabrieken zijn uit den boze.
De landbouwsector heeft echter nooit naar de adviezen van milieuorganisaties willen luisteren. De vraag is of zij alternatieve oplossingen hebben. Verlichte topfiguren uit de landbouwsector hebben al heel wat plannen en rapporten geschreven: pleidooien voor meer nadruk op kwaliteit, milieu en produktverbreding, voor heffingen op bestrijdingsmiddelen, kunst- en dierlijke mest, maar ook pleidooien voor produktiebeheersing en prijssteun in de graansector en het vervangen van gegarandeerde landbouwprijzen in de Europese Unie door vaste hectaretoeslagen.
Dit laatste plan heette Tien over Groen (omdat er tien landbouwmannen aan meeschreven) en inmiddels is er Twaalf over Groen: in feite een groot pleidooi om 2000 vierkante kilometer nog vrij te komen landbouwgrond te gebruiken voor natuur. Het idee is dat dan tien procent van Nederland uit natuur zal bestaan; nu is dat vijf procent, terwijl Nederland voor zes procent uit asfalt bestaat. Twaalf over Groen wordt met name door oud-minister Nijpels van het Wereld Natuur Fonds gesteund.
Biologica (de belangenclub voor de biologische sector) en een slimme Duitse hoogleraar (Weinschenck) hebben er op gewezen dat als de hele Europese Unie zou kiezen voor honderd procent biologische landbouw, de overschotten en de milieuvervuiling zouden verdwijnen en boeren weer een redelijk inkomen zouden verwerven. Het LEI heeft berekend dat de Europese overschotten aan graan verdwijnen als 51 procent van het Europese areaal biologisch wordt verbouwd. Bij suiker ligt dit op tien procent en bij aardappelen op een procent. Greenpeace steunt biologische landbouw en pleit ervoor dat in het jaar 2000 vijftig procent van het EU-landbouwareaal biologisch wordt bebouwd.
Wat zouden de consequenties zijn van een honder procent biologische landbouw in Nederland? Volgens bijna iedereen moet het daar op de lange termijn (zeg 2020) toch van komen. De werkgelegenheid op het platteland zal behouden kunnen blijven. In plaats van het spuiten met bestrijdingsmiddelen moet dan bijvoorbeeld met de hand of mechanisch onkruid worden bestreden. De werkgelegenheid in de toeleverende en verwerkende industrie zal echter drastisch afnemen (denk aan kunstmest- en veevoederfabrieken die overbodig worden). De totale produktiewaarde zou met zo'n 20 miljard gulden afnemen, de totale milieuschade zou met zo'n zes miljard gulden afnemen. Door de schaalvergroting zouden de prijzen van biologische produkten in de winkels lager liggen dan op dit moment.
Het gemeenschappelijke Europese landbouwbeleid is echter een heikel thema. De Europese Unie beperkt Nederland aanzienlijk in de mogelijke oplossingen uit de landbouwcrisis. De beperking zit er vooral in dat vrijhandel, een hoog energiegebruik en lange-afstandstransporten normaal zijn en overheidssteun en milieuvriendelijke landbouw de uitzondering.
Een mondiale of Europese energieheffing zit er dus niet in. En ook voorstanders van heffingen op kunstmest en bestrijdingsmiddelen zijn in de Europese Unie nauwelijks te vinden. Nederland heeft dit soort heffingen al vrij vroeg voorgesteld. Na de MacSharry-hervorming en het GATT-akkoord is de trend dat importheffingen en exportsubsidies worden teruggedraaid en hectaresteun normaal wordt, maar de koppeling van milieu- en natuureisen aan die hectaresteun staat de Europese Unie (voorlopig) niet toe.
Door deze opstelling van de Europese Unie zal een milieuvriendelijke landbouw niet snel van de grond komen en is de ruimte voor Nederland om een milieuvriendelijke landbouw te steunen ook zeer beperkt. Over voorstellen als de ‘ecotax-plus’ en een BTW-verlaging voor biologische produkten moet bijvoorbeeld in EU-verband worden besloten en de steun daarvoor lijkt klein. En wanneer Nederland massaal voor biologische landbouw zou kiezen, verbiedt de Europese Unie te veel staatssteun en importbelemmeringen van niet-duurzaam geproduceerde landbouwprodukten aan de Nederlandse of EU-grenzen.
HOE DAN OOK valt bij een jaarlijkse aanscherping van de mestnormen niet aan inkrimping in de intensieve rundveehouderij te ontkomen. Een saneringsfonds en een graasdiernorm zoals voorgesteld door de milieuorganisaties, lijken een goede manier om in te krimpen. Mestverwerking verdient geen verdere steun en in de Europese Unie zijn energie-, kunstmest- en bestrijdingsmiddelenheffingen zeer wenselijk. Daarnaast zou een actief stimuleringsbeleid voor biologische landbouw en voor natuurproduktie - zowel in Nederland als in de rest van de Europese Unie - een hoop problemen met milieu, natuur, platteland en overschotten kunnen voorkomen.
In de praktijk dreigt er echter iets anders te gebeuren. Duidelijke, laat staan radicale keuzen worden niet gemaakt. Over de wijze en het tijdstip waarop inkrimping moet plaatsvinden, moet nog consensus plaatsvinden en de VVD kan nog moeilijk doen over mestverwerking. Opzienbarende EU-besluiten over heffingen of massale steun voor biologische landbouw zijn evenmin te verwachten. De kans dat er wordt doorgemodderd, is dus vrij groot. Misschien dat een coalitie van vrijdenkende boerenorganisaties, milieu- en natuurorganisaties en waterbedrijven samen met de ministers van LNV en Vrom hier verandering in kunnen brengen. Of misschien geeft het bevolkingsreferendum staks verrassende uitkomsten.