Het wankele bestaan van de agrariër

En de boer, hij ploegde voort

Boer zoekt vrouw geeft een geromantiseerd beeld van het moderne agrarische bedrijf. In Groot-Brittannië had de agrarische sector tot voor kort het hoogste zelfdodingscijfer van alle beroepsgroepen. De neergang van de boerenstand breidt zich uit over heel Europa.

‘Hij is een grappenmaker. Werken, ho maar. Sigaretjes en zijn gezinnetje, dat is zijn leven. Hij voert geen flikker uit hier en ik werk me kapot. Het is totaal onverantwoordelijk.’ Aan het woord is Jean-Claude Itard, een boer met een zwarte pet, diep over zijn ogen getrokken.

‘Hij heeft altijd kritiek. Het doet pijn. Ik werk vijftien uur per dag, het is niet genoeg. Hij verpest mijn leven. Hij kan niet loslaten. Je ziet me daar niet meer terug, want ik vermoord hem nog. Of hij vermoordt mij.’ Zegt Sébastien, zijn veertigjarige zoon, diamantje in zijn linkeroor.

Deze ontboezemingen komen uit de Franse documentaire Les fils de la terre (2012). De filmmaker Edouard Bergeon (Poitiers, 1982) volgt de felle en pezige melkveehouder en zijn zoon, die het bedrijf sinds enkele jaren leidt. Er drukt een grote schuldenlast op de onderneming, waardoor gedwongen verkoop dreigt. Een ander probleem is dat Sébastien in de stad woont, bij zijn hoogzwangere vrouw en haar kinderen uit een vorige relatie. Jean-Claude en zijn vrouw zijn op de boerderij gebleven. Sébastien krijgt de zenuwen van zijn vader, die hem constant naloopt. We zien de tengere boerenzoon ’s ochtends in het donker uit de stad vertrekken om te gaan melken; als ontbijt neemt hij een handje antidepressiva en een sigaret. Zijn bleke, uitgemergelde gezicht heeft uitslag, zijn handen trillen en hij loopt in elkaar gedoken, alsof hij een klap verwacht. Hij wacht de geboorte van zijn eerste kind af, zegt hij, dat is alles waarvoor hij nu leeft. Natúúrlijk wil hij het levenswerk van zijn vader behouden, maar hoe dat moet weet hij niet. Hij is bang voor de toekomst.

Sinds het Gemeenschappelijke Landbouw­beleid in 1962 een feit werd is het probleem van de bedrijfsopvolging op het Europese platteland fors gegroeid. De door de EU gewenste schaalvergroting van de bedrijfsvoering zorgde in de loop der jaren voor zakelijke en persoonlijke dilemma’s, die talloze kleinere ondernemingen de kop hebben gekost. In de laatste drie jaar hebben alleen al 157.000 melkveehouders in Europa hun bedrijf beëindigd, vaak omdat er geen opvolger was. Zij maakten deel uit van de meer dan twintig procent van de Europese boeren die het de laatste negen jaar voor gezien hield. In Nederland sloten in 2011 zes agrarische bedrijven per dag de deuren; vier procent van de boeren hier is onder de 35, terwijl 44 procent 55 jaar of ouder is (cijfers van het cbs). Hoewel het landbouwareaal in ons land ongeveer gelijk is gebleven, ziet het er toch naar uit dat het einde van het boerenbestaan zoals we dat sinds mensenheugenis kennen – het kleine of middelgrote bedrijf, het gemengde bedrijf – nabij is.

In heel Europa geldt dat goed opgeleide boerenzonen de grote schuldenlast en het sociale isolement, waarop het agrarische leven nu dikwijls neerkomt, vrezen. Ze kiezen vaak liever voor een burgerbestaan dat ze volop kunnen delen met hun partner. Veel traditionele potentië­le partners van boerenzonen voelen tegenwoordig ook niets voor een agrarisch bestaan. Kiezen voor opvolging betekent dus mogelijk kiezen voor een ongewilde toekomst als ­vrijgezel. Als het eenmaal tot een bedrijfsbeëindiging komt, zijn de gevoelens van schaamte en mislukking waarmee zo’n proces vaak gepaard gaat voor een buitenstaander moeilijk te bevatten, zeker als de boerderij al generaties bij de familie hoort. Familieverhoudingen kunnen door het verlies van het bedrijf jarenlang verstoord raken; stress, wanhoop en fysieke uitputting kunnen leiden tot zelfmoordpogingen of erger. In de documentaire Les fils de la terre krijgen we aan het slot de boodschap mee dat in Frankrijk bijna twee boeren per dag een einde aan hun leven maken.

De neergang van de Europese boerenstand lijkt intussen door het grote publiek niet als een buitengewoon historisch en cultureel drama ervaren te worden. Het gegeven van de gestaag verslechterende sociale positie van boeren heeft wél geleid tot het populaire tv-format Boer zoekt vrouw. Het format is niet toevallig van Britse origine; in Groot-Brittannië had de agrarische sector tot voor kort het hoogste zelfdodings­cijfer van alle ­beroepsgroepen en de gemiddelde leeftijd van een Britse boer is tegenwoordig 59. Het is opmerkelijk dat het format, bij monde van Yvon Jaspers, al zes seizoenen de vraag heeft weten te omzeilen waarom boeren eigenlijk niet meer aan de vrouw komen. Daarvoor in de plaats heeft het programma een parallelle agrarische werkelijkheid gecreëerd, die navolging vindt in tal van tv-commercials en andere spin-off, waarin danig geloeid, geknord en gemekkerd wordt. Deze onwaarachtige, geromantiseerde verbeelding van het moderne agrarische bedrijf heeft veel gemeen met streekromans waarin de tijd voorgoed is blijven stilstaan.

Maar de teloorgang van de boerentraditie heeft in Europa ook indrukwekkende documentaires opgeleverd, zoals in ons land Het is een schone dag geweest van Jos de Putter uit 1993, over de laatste oogst op het oude gemengde bedrijf van zijn ouders in Zeeland, waar geen opvolger voor is. De kleine oorlog van boer Kok (Huib Schoonhoven en anderen), een in 1995 gestarte registratie van het gevecht van een kleine boer en zijn zonen tegen de opheffing van hun bedrijf, belicht de machtsongelijkheid tussen overheid en individuele agrariër. Mannenbroeders van Kootjebroek (Geertjan Lassche, 2011) laat de wanhoop zien van Veluwse boeren die hun vee massaal en volgens hen onterecht afgeslacht zagen worden tijdens de laatste mkz-crisis. Het thema van de bedrijfsopvolging is ook in fictie verkend. In de prachtige roman Boven is het stil (2006) van Gerbrand Bakker rekent een ongehuwde boerenzoon van middelbare leeftijd af met de bejaarde vader met wie hij altijd als ondergeschikte heeft samengeleefd. De zoon ‘doet zijn vader naar boven’: hij verplaatst zijn bedlegerige vader naar een bovenverdieping en gaat zelf beneden wonen. Met deze verwijdering begint voor de vader een proces van versterving en voor de zoon zijn emancipatie: de wereld gaat alsnog voor hem open.

Dat de bedrijfsopvolging al langer een zaak van leven en dood kan zijn blijkt uit een oud volksverhaal, met een verspreidingsgebied tot over de grenzen van Europa. In Nederland is het verhaal voor het laatst woordelijk opgetekend in 1901, in het dorp Zuiderwoude bij Amsterdam: ‘In de Purmer woonde een rijke boer. Deze had een zoon, die niet wilde oppassen en reeds een boereplaats door zijn keelgat gejaagd had. De oude man besloot zich arm te houden en stopte al zijn geld in den balk in de woonkamer, en maakte op de plaats waar het deksel was een kram. Toen hij zijn eindje voelde naderen, spiegelde hij zijn zoon het schrille van de armoede af, en liet hem beloven dat hij zich na zijn dood aan de kram van de balk in de woonkamer zou ophangen. De zoon beloofde dit. Nauwelijks had hij dit gedaan of de kram gaf mee, het geld viel eruit en de zoon was rijk. Na dien tijd werd hij een oppassend jongeling.’ (Bron: Volksverhalenbank Meertens Instituut)

Wat dit volksverhaal te betekenen had is vandaag de dag geen uitgemaakte zaak; uit een kleine peiling onder tijdgenoten van agrarische afkomst blijkt dat iedereen het relaas anders interpreteert. ‘Boeren moeten wreed zijn’, zegt de een. Een ander houdt het op ‘gehoorzaamheid loont’. Naar de vroeger gangbare strekking van De schat achter de kram, zoals de vertelling bekendstaat, blijft het dus gissen. De dynamiek van de zozeer gewenste bedrijfsopvolging is en blijft raadselachtig: welke zoon hangt zich nu uit gehoorzaamheid op?

‘De vader van Sébastien heeft het goede boerenleven nog gekend, de tijd van kalm doorwerken en prima melkprijzen’, zegt Edouard Bergeon als ik hem na de Idfa-première van zijn film spreek. ‘En Sébastien wil ook als boer een gewoon leven leiden. Hij wil met vakantie kunnen gaan, televisie kijken met zijn vrouw Céline en uitslapen in het weekend. Maar kijk hoe het gaat: hij leeft met stress, zijn bedrijf heeft enorme schulden bij de bank, hij werkt zich kapot en zijn vader zit hem achterna. Eigenlijk wilde hij helemaal geen boer worden. Hij heeft jarenlang in de stad gestudeerd.’

De filmmaker is zelf boerenzoon en kent de opvolgingsproblematiek van nabij. Hij laat dat goed zien in zijn film, die in feite een ode is aan zijn vader Christian. Deze zachtaardige man, die met veel tegenslag het land bewerkte en later een geitenfokkerij had, werd gekleineerd door zíjn vader, een trotse hereboer die Christian ‘de mislukkeling’ noemde. Toen Edouard Bergeon zeven was, brandde hun boerderij – het levenswerk van zijn vader – grotendeels af. Zijn vader kwam de schok nooit te boven; hij raakte verloren in een diepe depressie en kwam zijn bed niet meer uit, ondanks het gebruik van grote hoeveelheden medicijnen en herhaalde gedwongen opnames. Na een lijdensweg van tien jaar nam hij op een dag landbouwgif in, liet zich op het bed van zijn zoon vallen en stierf na drie martelende dagen in het ziekenhuis. Bergeon, die zelf nooit boer hoefde te worden of wilde worden, worstelt sindsdien met de mores van de agrarische traditie in zijn familie, de wankele positie van boeren in Frankrijk en bovenal met het gemis van zijn vader.

Hij vertelt verder over de familie Itard: ‘Sébastien heeft met zijn vrouw en stiefkinderen een jaar of twee op de boerderij gewoond, als gezin. Maar het werkte niet. Er was steeds ruzie met Jean-Claude, ze hadden geen eigen leven. Jean-Claude was te dominant.’ Kort na het begin van de film zien we Sébastien woedend van de boerderij wegrijden, weg van het uitmesten en melken. Het is tot een uitbarsting gekomen met zijn vader. Hij wil nooit meer terug, zegt hij op een terrasje in de stad. Hij wil zijn vader doodschieten. Sébastien is er vreselijk aan toe, want hij weet dat hij weer terug moet, want het werk moet worden gedaan. Nog één keer doet hij dat; dan gaat hij in zijn bed liggen en komt er nauwelijks meer uit. De bedrijfsjurist besluit dat de veehouderij snel verkocht moet worden. Jean-Claude is woedend en dreigt zichzelf iets aan te doen; Sébastien wordt verteerd door schuldgevoel. ‘Ik heb de boerderij verkwanseld, mijn ouders dakloos gemaakt’, zegt hij. Een tijdje later wordt diep in de nacht zijn dochtertje geboren, Zoé. We zien hoe hij haar verwelkomt in het leven. Het kind is nog geen vier weken oud als Sébastien zich ophangt in de kelder van zijn woning.

In de meeste westerse landen houden overheid of wetenschappers statistieken bij van de zelfdodingscijfers van boeren. Zo weten we dat in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Ierland, Australië en Canada de agrarische sector wordt beschouwd als een van de gevaarlijkste industrieën, met een hoger suïciderisico voor mannen dan voor de gemiddelde bevolking bestaat. Ook in België is (in 2008) vastgesteld dat land- en tuinbouwers kwetsbaarder zijn voor zelfdoding. Dat geldt ook voor Noorwegen en Finland en overigens ook voor Japan, India (waar elk half uur een boerenzelfmoord wordt geteld) en Sri Lanka. In Zwitserland wordt voor de agrarische sector een hoger suïciderisico vermoed.

In Frankrijk houdt de agrarische sector zelf cijfers bij en publiceert daarover. In Nederland lijkt geen enkele instantie bij te houden hoeveel boeren jaarlijks een einde aan hun leven maken; daardoor is het niet mogelijk om trends te onderscheiden. Volgens Ad Kerkhof, hoogleraar psychopathologie en suïcidepreventie aan de VU, zijn er sinds 1963, toen de studie Suïcide van de socioloog C.S. Kruijt verscheen, geen cijfers over suïcide en beroepsgroepen in Nederland meer gepubliceerd. Kruijt vond dat in de ­eerste helft van de twintigste eeuw een verhoogde ­mortaliteit door suïcide op het platteland (agrariërs) bestond. Kerkhof laat weten dat er berichten over verhoogde suïcidesterfte onder boeren zouden zijn geweest door ­bedrijfssluitingen in Nederland, maar dat hij dit nooit bevestigd heeft gezien door cijfers van het cbs.

De agrarische sector, bij monde van LTO Nederland, lijkt, in tegenstelling met haar Franse evenknie, niet geneigd om eventueel aanwezige kennis te delen. Een geschrokken bestuurder die ik per telefoon te spreken krijg, vertelt me dat ‘deze problematiek in eigen kring wordt opgelost’ en wil het daarbij laten. Met de lto-voorlichter lukt het niet om een afspraak te maken, na wekenlange pogingen. De verzekeraar Interpolis, die circa zeventig procent van het agrarische marktaandeel in Nederland in handen heeft, zou door extrapolatie tot redelijk betrouwbare suïcidecijfers moeten kunnen komen en senior manager zorg René Voets zegt desgevraagd dat Interpolis daar inderdaad toe in staat zou kunnen zijn. Na een bezoek aan het hoofdkantoor, herhaald overleg en voorzichtige toezeggingen laat de onderneming ten slotte weten vooralsnog geen duidelijk bedrijfsbelang voor ogen te zien met het verstrekken van cijfers of andere bijdragen aan onderzoek.

De psychiater Jan Spijker, verbonden aan het Trimbos-instituut, vergeleek in 2005 de internationale literatuur op de mentale gezondheid van boeren, omdat zo’n vergelijking kan bijdragen aan de (weinige) kennis over de Nederlandse situatie. Hij vond dat de verslechterde economische positie van boeren in het algemeen in de afgelopen decennia een belangrijke verklaring leek te zijn voor een deel van de relatieve toename in hun psychopathologie. De conclusie van Spijker was dat zeker onderzocht moet worden of het verhoogde risico op suïcide onder boeren ook in Nederland bestaat. De stressoren van het boerenbestaan lijken immers overal in de westerse wereld te bestaan. Maar hij schreef ook: ‘Gezien de ernst van dit vermoeden [van een verhoogd risico] en het grote leed voort­komend uit suïcides moeten we de resultaten van dergelijk onderzoek niet afwachten maar nu al starten met preventieprojecten.’

Zulke preventieprojecten, verankerd in de geestelijke gezondheidszorg en specifiek gericht op de agrarische sector, zijn in Nederland nog steeds niet van de grond gekomen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de VS en Australië, waar agrarische organisaties zelf preventie­programma’s ontwikkelden en waar ook de overheid en lokale universiteiten initiatieven namen. De zuivelindustrie in de VS ondersteunde eveneens bepaalde preventieprojecten.

Het ontbreken van harde cijfers in ons land lijkt ondertussen een voor alle partijen comfortabele uitgangssituatie, waarin niemand van laksheid kan worden beschuldigd én niemand een beschuldigende vinger hoeft uit te steken. In 2005 is door hoogleraar gezinssociologie Kees de Hoog, tot 2007 verbonden aan de Wageningen Universiteit, wel onderzoek gedaan naar armoede onder boeren, waarbij ook de impact van bedrijfsbeëindigingen onder de loep werd genomen. Hij concludeerde dat het sluiten van het boerenbedrijf tegenwoordig geen taboe meer is in de agrarische sector. ‘Ook als een van de kinderen het bedrijf wel overneemt, wordt dat kind meer gezien als een gewone ondernemer’, liet De Hoog weten aan het Agrarisch Dagblad. ‘Ondernemers worden meer gezien als winnaars of verliezers: de winnaars zijn degenen die veel geld hebben, de verliezers diegenen die blijven doorboeren tot ze failliet gaan. Op tijd stoppen is zodoende helemaal geen schande meer.’ De rol van het geld is belangrijker geworden: ‘De moderne boer ziet ook wat er in de wereld te koop is. Er is meer in het leven dan het bedrijf. Wintersport, een cabriolet of dure schoenen zijn ook bij jonge boeren gemeengoed geworden. Het opleidingsniveau en de kijk op de wereld is veranderd. (…) Het doel van vroeger, “een bedrijf, een opvolger en continuïteit” is vervangen door “genieten van het leven”.’ De landelijke boerenzelfhulporganisatie Zorg om Boer en Tuinder (zob) bestreed de conclusies van De Hoog scherp. Volgens Tonny Verrijt, oprichtster: ‘Armoe en schaamte bestaan nog steeds. Vooral boeren die hun bedrijf niet kunnen verkopen, leven in stille armoede en schamen zich dood (…) Het is een puur academische redenatie om te zeggen dat het minder erg wordt.’

Het vooralsnog grootste deel van de boerenstand – de ouderen – heeft vermoedelijk niet veel keuzes gehad in het leven. Niet vaak waren boerenzonen bijvoorbeeld vrij in hun beslissing over bedrijfsopvolging of niet, om maar te zwijgen over de keuze tussen wintersport en cabrio­lets. Het levensverhaal van Willem van der Vaart (1933-2001), bijvoorbeeld, laat zien hoe het nog niet zo lang geleden een boer in Noord-Holland kon vergaan.

De best bereikbare kerk van Nederland staat in Duivendrecht, wordt gezegd; het spoortracé scheert rakelings langs de muren van de negentiende-eeuwse Sint-Urbanuskerk. Weinigen weten dat tegen de zijmuur een monumentale boerderij aanleunt, met een kleinere versie uit 1883 ernaast, genaamd ‘Sophia’s Hoeve’. Ze zijn van het zeldzame ‘voerdeeltype’.

Op een koude dag in februari fiets ik erheen. De Antoniushoeve, naast de kerk, is afgezet met hoge metalen hekken en zichtbaar verwaarloosd. De gebouwen zijn overwoekerd door verwilderde bomen, maar het houtsnijwerk, het glas-in-loodroosvenster en het siermetselwerk zijn intact en maken een romantische indruk. In de stal ruikt het nog naar mest. De tegenstelling met Sophia’s Hoeve verderop is groot. Het is nog niet zo lang geleden omgevormd tot boerde­rette en omringd door een strakke grindtuin vol hoekige coniferen. Hier woonde Willem van der Vaart, een telg uit een grote Noord-Hollandse familie die generaties lang melkvee hield. Een van hun boerderijen, het uit 1750 stammende ‘Strandvliet’, is in 1972 gesloopt voor de aanleg van het metrotracé.

Willem was een jaar of vijf toen zijn ouders Sophia’s Hoeve konden pachten van de gemeente. Zijn moeder overleed na een lang ziekbed toen hij veertien was; zijn oudere zus Marretje en broer Lammert verlieten vervolgens vroeg de boerderij. ‘Want’, zo vertelt aan de telefoon zijn neef Lammert van der Vaart, die opgroeide op Strandvliet, ‘de vader van Willem was een barse, gierige man. Hij heeft nooit een dokter laten komen voor zijn vrouw. Hij voedde zijn kinderen streng op. Ze mochten niks.’ Willem bleef achter om zijn vader te helpen met het vee. Na een tijdje kwam er een huishoudster, wat het werk verlichtte. Lammert: ‘Willem ging evengoed zelden van de boerderij af. Het enige wat hij kende was de boerderij en de koeien.’ Volgens Lammert wilden Willems twee verkeringen niet lukken omdat hij van zijn vader geen geld mocht uitgeven. ‘Nog geen dubbeltje. Zijn vader hield hem kort, hij moest op de hoeve blijven en niet aan trouwen denken. Willem was een heel bescheiden man, met droge humor. Hij zei weinig. Maar hij had graag een vrouw gehad en een paar kinderen, dat heeft hij mij wel eens toevertrouwd.’

Vanaf de jaren vijftig pachtte Willems vader nog een boerderij, met veel land, in de Purmer, waar ze hun melkvee hielden; het droge vee bleef in Duivendrecht, waar ze altijd zijn blijven wonen. In de late jaren zeventig werd de boerderij in de Purmer gesloopt omdat een wegtracé over hun weidegrond was gepland. Dat was een moeilijke tijd voor de twee: ze moesten van een deel van hun grote veestapel af. Willems vader heeft dat nooit kunnen verkroppen, volgens Lammert. Korte tijd later stierf hun huishoudster. ‘Vanaf die tijd werd Willem een beetje eigenaardig, hij kreeg een soort achtervolgingswaan. Hij was een goeie boer en een keiharde werker. Maar hij kwam praktisch nooit van dat erf af en begon mensen te wantrouwen.’

Vader overleed in 1992. Willem bleef achter met twintig koeien en zijn aan de Rijksstraatweg, centraal in het dorp gelegen Sophia’s Hoeve. Maar de dorpsbewoners zagen hem niet, ook niet in de kerk. Hij wilde geen hulp bij het werk en stond bekend als een kluizenaar. Zijn neef, die in die tijd een kaasboetiek had in het dorp, zocht hem wel eens op. Lammert: ‘Hij liet haast niemand binnen want hij was net als zijn vader heel erg netjes. Toen Willem hoorde dat de weg in de Purmer nooit aangelegd was en dat hun boerderij daar dus voor niets was gesloopt, werd hij depri. In die tijd begon ook de ellende met de gemeente.’ Rond 1995 werd bekendgemaakt dat de boerderijen bij de Sint-Urbanuskerk snel gesloopt zouden worden. ‘Onverklaarbaar bewoond’ noemde de moderniseringsgezinde burgemeester de – door de gemeente zelf – verwaarloosde hoeves. Op het vrijgekomen land moesten een parkje en twaalf woningen komen. De pacht werd vanaf dat moment teruggestort.

In het dorp ontstond protest tegen de plannen. Er kwam een actie op gang om Willem en zijn hoogbejaarde buurman Ferd rustig op hun plek hun tijd uit te laten zitten. Later breidde dit verzet zich uit tot een strijd om het behoud van de boerderijen, het allerlaatste stukje oud Duivendrecht. Hoewel Ferd in die tijd vaak in de publiciteit kwam, deed Willem nergens aan mee. Hij liet niemand binnen. Zijn angst voor insluipers verergerde nadat Ferd tijdens het melken door vier mannen was overvallen en beroofd. Willem werd bang dat hij zijn boerderij van de ene op de andere dag moest verlaten; hij begon zijn koeien, die al lang geen melk meer gaven, te verwaarlozen. ‘Willems vader had last van precies diezelfde angst gehad, nadat hij het veld had moeten ruimen in de Purmer’, zegt Lammert. Willems vrees was verklaarbaar: de burgemeester had al in 1998 verkondigd dat de deurwaarder zou langskomen om hem eruit te zetten.

Na klachten over verwaarlozing werden Willems koeien op een kwade dag in beslag genomen door de aid. De weg was afgezet door de politie, het was een spektakel voor het dorp. Lammert: ‘Ik ben erheen gegaan, het was niet leuk. Misschien was het wel de beste oplossing, maar het was niet leuk om het laatste vee te zien opladen en wegrijden. Ik heb Willem ’s avonds meegenomen naar huis, hij wou niets eten. Om twaalf uur ’s nachts wilde hij terug, want hij was bang dat zijn auto van zijn erf werd gestolen.’ Willem gleed weg in een schemerbestaan. ‘In die tijd reed Willem wel eens in zijn auto richting Friesland, dan ging hij boerderijen kijken. Dat vond hij mooi. Een keer is hij verdwaald en in Duitsland terechtgekomen. Hij was in de war en werd opgenomen in een ziekenhuis, daar heb ik hem opgehaald. Toen ik hem zag, vroeg hij eerst naar zijn boerderij. Daarna zei hij dat hij naar een ander land wou.’ Lammert schakelde een maaltijdservice-aan-huis in voor Willem. Ans Quirijnen, een bezorgde Duivendrechtse en fel tegenstandster van de sloopplannen, ging wat meer op Willem letten – zij kreeg als een van weinigen toegang. (Ans liet me filmopnamen zien van het interieur en vertelde me dat er bijna niets was veranderd sinds de dood van Willems moeder.) Ondertussen was het 2001 en was haar Stichting Oud-Duivendrecht zo ver dat de burgemeester gehoord zou worden door de Pachtkamer. Het ging om de vraag of de twee boeren tot hun dood op hun boerderijen mochten blijven wonen. De status van rijksmonument was inmiddels ook aangevraagd. Dat zou de redding kunnen gaan betekenen voor Sophia’s Hoeve, de wereld die Willem van der Vaart door zijn vader was nagelaten. Het was de enige wereld die hij kende.

Bergeon, de filmmaker, blikt terug op de dramatische opnameperiode rond de boerderij van de familie Itard. ‘Sébastien heeft ongelooflijk geluk gehad’, zegt hij na een slok muntthee. De boerenzoon is op de bewuste avond op het allerlaatste moment gevonden en gered door twee vrienden die toevallig langskwamen. Iedereen was thuis, maar niemand had hem gemist. Niemand kwam ooit in de kelder. In de film vertelt Sébastien, met een gedwongen opname achter de rug, aan Bergeon wat hem bezielde: ‘Ik wilde helemaal niet dood. Ik wilde alleen heel klein worden, onzichtbaar, zoals een muisje, een spinnetje. Ik kón niet meer. Ruzie met Céline verwarde me. Ik zag het touw liggen in de gang, nog van de verhuizing, pakte het en ging naar de kelder. Daar stond een emmer, hup, ik hing. Ik smeet mijn telefoon nog weg.’

Bergeon, die zich na Sébastiens zelfmoordpoging bij een psychiater meldde met herbelevingsklachten, beschrijft dit gesprek over de toedracht van diens daad als een openbaring. ‘Het was of ik eindelijk kon doorgaan met mijn leven. Het was alsof mijn vader tegen me zei: ik wilde toen helemaal niet dood, ik wilde alleen rust. Ik heb zo lang op die woorden gewacht.’

De ouders van Sébastien reageren stoïcijns op het bericht van zijn wanhoopsdaad. ‘Ze praten nu eenmaal niet’, verklaart Bergeon. Maar als Jean-Claude hem later met Céline afhaalt van de inrichting voor zijn kerstverlof begroet hij zijn naar buiten komende zoon met een grijns en een slordig gegooide sneeuwbal. Dat is een onverwacht moment: de vader trekt zijn zoon het leven weer in met een speelse uitdaging, een knipoog.

Vanaf die kleine gebeurtenis loopt alles anders. De verkoop van de melkveehouderij mislukt omdat de papieren niet rondkomen. Dan zien we beelden van een gebruinde en gespierde, aantrekkelijke jonge boer. Pas na goed kijken zien we dat het Sébastien is – terug op de boerderij. Het is zomer. Sébastien heeft zijn vrouw na negen jaar huwelijk verlaten en werkt samen met zijn vader. Met dertig andere melkveehouders uit de streek heeft hij een coöperatie opgericht, die de melk rechtstreeks aan de consumenten verkoopt. Ze maken zelf reclame in de supermarkten en reiken klanten proefbekertjes aan. Het slaat aan. De boeren krijgen nu twee keer zo veel geld voor hun melk. De bank is tevreden. Sébastien laat zien dat hij nu zijn eigen appartement heeft in de boerderij, met een logeerkamer voor zijn kinderen. ‘Ik ben haast gelukkig, of eigenlijk gelukkig met wat emotionele probleempjes. Niets bijzonders. Nu zeg ik dankjewel vader, dankjewel moeder, dat ik hier mag wonen. Ik ben trots op mijn werk, mijn passie. Ik fok prachtige koeien. Dit is wat ik ben.’ Hij gaat wat vee verkopen om het rustiger aan te doen. Jean-Claude vindt alles goed. Hij lijkt tien jaar jonger en lacht. Zijn pet heeft hij afgezet. ‘Vroeger kon ik er niet tegen als er werk bleef liggen, nu denk ik: het kan ook morgen. Het is goed zoals het nu gaat. Als ik hier niet meer had kunnen werken, was dat mijn einde geweest. En Sébastien en ik, we hoeven niet te praten. We begrijpen elkaar.’

Les fils de la terre, de geschiedenis van Sébastien, komt neer op een moderne versie van het sprookje De schat achter de kram. Ook hij heeft pas na de ultieme daad zijn leven kunnen aanpassen aan de teneur van het boerenbestaan en ook hij werd daarvoor beloond. Het tegendeel gaat op voor Willem van der Vaart, die vanaf het prille begin gehoorzaam is geweest. Hij heeft zijn vader nooit naar boven gedaan. Op de dag dat de Pachtkamer zich boog over de vraag of hij op zijn boerderij mocht blijven wonen is hij naar Friesland gereden, heeft zijn kleding met stenen verzwaard en zich in het Sneekermeer verdronken. Achteraf realiseerde Ans Quirijnen zich dat Willem waarschijnlijk dacht dat hij die dag zijn boerderij voorgoed moest verlaten. Het nieuws dat hij mocht blijven kwam voor hem te laat, net als het Vertrouwensloket preventie dierverwaarlozing en de datingprogramma’s op televisie. En, ten slotte, het bericht in 2003 dat Anna’s Hoeve tot rijksmonument werd verklaard.

De turbulente geschiedenis van Sébastien vormt een uitzonderingsgeval. Want zoals Willem stilletjes heeft geleefd en aan zijn einde gekomen is, zo zijn vele boerenzonen hem in ons lange agrarische verleden voorgegaan, en vele zijn hem ook gevolgd. Het sprookje van De schat achter de kram heeft ondertussen plaats­gemaakt voor dat van Boer zoekt vrouw, ook wijdverspreid in Europa en met dezelfde moraal: het bedrijf moet opgevolgd worden.


Van Lizzy van Leeuwen verschijnt later dit jaar bij uitgeverij Atlas Contact een boek over de sociale en culturele geschiedenis van agrarische zelfdoding. Haar onderzoek is gefinancierd door onder meer het Prins Bernhard Cultuurfonds, het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en het Fonds Psychische Gezondheid