En de linksen zullen de rechtsen zijn

Wat is links en wat is rechts aan het einde van de twintigste eeuw? Waar zitten de behoudzuchtigen en waar de veranderingsgezinden? En doen de termen er eigenlijk wel toe, zolang het goede behouden blijft en het slechte wordt bestreden?

IGNATZ BUBIS is voorzitter van de Centrale Raad van de Joden in Duitsland. Hij is in die functie geliefd bij progressieven, omdat hij bij elke gelegenheid zeer duidelijk spreekt tegen uitingen van racisme in Duitsland. Links is hij bepaald niet. Hij is speculant in onroerend goed en hij is actief in de FDP, de liberale partij van Duitsland. Maar hij is vooral een man met pretoogjes achter halve brilleglazen. Toen ik hem vorig jaar in z'n kantoor in Frankfurt interviewde had hij direct door dat ik - vergeefs - uit hem trachtte te krijgen dat Helmut Kohl medeschuldig was aan de uitbarsting van racisme in Duitsland.
Hij pakte me ook flink toen ik het waagde Fassbinder en diens stuk Het vuil, de stad en de dood te verdedigen, want het scherpe portret daarin van de zachtaardige, intelligente grondspeculant leek werkelijk frapperend op de Bubis met wie ik zat te praten en die me nu voorhield dat er net zo goed linkse fascisten als rechtse fascisten bestaan en dat ook die linkse fascisten onderscheid maken tussen verschillende bevolkingsgroepen. Alleen kijken zij niet naar het bloed, zei Bubis, ‘maar naar iets anders, namelijk of iemand links is of niet. En zij bepalen wat links en wat juist is. Ik heb net zo'n hekel aan linkse fascisten als aan rechtse fascisten.’ Toen was het gesprek afgelopen en had ik iets om over na te denken.
Ik kon me wel voorstellen dat voor een liberale speculant de linkse actievoerders uit de jaren zeventig net zo intolerant lijken als de rechts-radicalen nu. Maar dat betekent nog niet dat je degenen die toen protesteerden tegen de afbraak van goedkope woonhuizen in Frankfurt, gelijk kunt stellen aan neonazistische brandstichters en moordenaars. Toch kan ik me indenken dat Ignatz Bubis het afgelopen jaar met twinkeloogjes heeft toegekeken hoe voormalig linkse of als links te boek staande Duitse intellectuelen zich verdrongen om hem rechts in te halen. Bubis bleef de liberaal die hij altijd al was geweest; voormalige linksen verburgelijkten niet alleen, maar werden zelfs rechtser dan liberaal: ze werden conservatief en nationalistisch.
Bubis vond afgelopen voorjaar dat dit zelfs gevaarlijk ging worden. In een interview in de Berlijnse Tagesspiegel waarschuwde hij voor het 'Phanomen des intellektuellen Rechtsradikalismus’ van schrijvers als Botho Strauss, die volgens hem medeverantwoordelijk waren voor de klimaatsverandering in Duitsland waardoor bijvoorbeeld ook de aanslag op de synagoge van Lubeck mogelijk was.
IN HET WEEKBLAD Der Spiegel nuanceerde Bubis zijn aanval later enigszins. Hij wilde Botho Strauss, en zeker Enzensberger die hij in een adem met Strauss had genoemd, niet tot de 'intellectuele brandstichters’ rekenen. Maar wel hield hij vol dat er sprake was van een algemene klimaatverandering waarin voormalige linksen naar rechts opschoven - daar was hij op zich blij mee, ze bewogen zich als het ware in zijn richting - en waarin een 'nieuw extremisme van voormalige gematigde conservatieven’ ontstond.
Intussen beet Botho Strauss in een bijdrage in hetzelfde nummer van Der Spiegel keihard van zich af. Veertien maanden lang had hij majesteitelijk gezwegen, terwijl intussen een kleine bibliotheek aan artikelen over hem verscheen. De aanval van Bubis ging hem echter te ver en in een zin maaide hij de hele discussie weg. Wie hem ook maar in de verste verte in verband bracht met antisemitisme en neonazistische schanddaden, kon geen onderscheid meer maken en was derhalve 'entweder ein Idiot oder ein Barbar oder ein politischer Denunziant’. Dat kon Bubis in z'n zak steken.
Vanuit Nederland gezien is het interessant te constateren dat in Duitsland een discussie over links of rechts niet los te maken lijkt van het betreurde nazistisch verleden en de gevreesde neonazistsiche toekomst. Is iemand die zich tot oprecht conservatief bekeert nog wel ver genoeg van het rechts-extremisme verwijderd? Strauss constateert dat het 'tegenrevolutionaire’ rechts waartoe hij zich nu voelt aangetrokken, in een bijzonder gespannen relatie staat tot het 'revolutionaire en totalitaire rechts’ dat staat en volk eens in het verderf heeft gestort. Maar iemand die pleit voor een democratisch socialisme vraagt toch ook niet om een terugkeer van de stalinistische bloedbaden? Van de linkerzijde hoeft volgens Strauss overigens niemand meer enige geestelijke prikkeling te vrezen; links zal hoogstens nog deelnemen aan de organisatie van het maatschappelijk verval in de vorm van politieke correctheid.
Politiek correct is het essay 'Anschwellender Bockgesang’ dat Strauss in februari 1993 in Der Spiegel had gepubliceerd en waarmee hij zelf het debat was begonnen, inderdaad niet. Het stuk is wel lang, moeilijk leesbaar en vol pesterige termen die inderdaad soms de indruk wekken dat hij terugverlangt naar de tijd dat mensen nog bereid waren 'Blutopfer’ te brengen en dat soldaten, kerk, traditie en autoriteit nog niet smalend werden weggehoond.
Het essay is tegelijk een aanval op de televisiemaatschappij en op de naoorlogse Duitse intelligentsia die vanaf haar oorsprong - 'in Hitler’, zet hij daar tussen haakjes pesterig bij - alleen maar kwaad kan zien in de heersende verhoudingen en die in haar verkrampte Duitse 'Selbsthass’ (niet voor niets het woord dat anders onder joden wordt gebruikt) het liefste een vloedgolf aan vreemdelingen Duitsland ziet binnenstromen, omdat dan de fascistoide verhoudingen pas duidelijk aan de dag treden, ongeveer zoals de linkse terreurgroepen vroeger dachten dat ze de echte maatschappelijke verhoudingen met hun misdaden aan het licht zouden brengen.
Botho Strauss bakt het inderdaad wel erg bruin als hij beweert dat intellectuelen alleen maar vriendelijk tegen vreemdelingen zijn omdat ze gebeten zijn op 'das Unsere’ en dat ze alles verwelkomen dat 'das Unsere’ kapot maakt. Alleen al met de veronderstelling dat buitenlanders Duitsland kapot zouden maken in plaats van het te verrijken, verdient Botho Strauss een bescheiden plekje tussen Bubis’ wegbereiders van het neonazisme. Maar dat is voor mij niet de reden dit anderhalf jaar oude essay weer op te graven. Dat jonge neonazi’s de moeite zouden doen Strauss’ hermetische taal te ontcijferen om daarmee gewelddaden tegen buitenlanders te legitimeren, lijkt me al te onwaarschijnlijk.
IN ZIJN LANGE essay zoekt Strauss vooral een politieke plaatsbepaling. Hij wil rechts zijn, niet vanuit een goedkope overtuiging, maar in zijn gehele wezen. En dat betekent dat hij deze verschrikkelijk gecompliceerde maatschappij niet verafschuwt maar bewondert, dat hij zich er niet druk over wil maken of hier nog iets te veranderen valt. Hij ervaart de maatschappelijke verhoudingen als laatste en beste vervulling van wat in een samenleving mogelijk is. De mensen kunnen niet per wet tot het goede worden verplicht. Dus alsjeblieft geen utopie meer, geen toekomstig wereldrijk, zoals dat in de fantasie van links een parodie vormt op de chistelijke heilsgeschiedenis.
Hoe kan iemand zich toch links noemen, moppert hij; links staat toch voor datgene wat fout gaat, links wil alleen maar in 'volle verlichtingshoogmoed’ de machteloosheid van magische ordeningsvoorstellen bewijzen. Is die magische ordening dan datgene waar Strauss naar toe wil? Hij kijkt niet naar de toekomst maar naar een mythisch verleden, hij heeft het over de overmacht van de herinnering die de mens aanspreekt en niet alleen de staatsburger.
Maar in het verleden van Duitsland bevindt zich toch juist Hitler, de Tweede Wereldoorlog, de jodenvervolging? Natuurlijk ontkent Strauss dat niet. Maar waar hij op wil wijzen is een grotere tragedie, een tragedie die niet aan tijd en plaats gebonden is, een menselijke tragedie die wordt weggeredeneerd als we alleen naar de misdaden van de nazi’s kijken en die wordt weggemasseerd door de werking van de massamedia.
Het verschil met vroeger is niet dat de tragedies nu groter zijn, maar dat we ze niet meer als zodanig beleven omdat de infotainers, de commentatoren en de discussianten, er door hun aan alle kanten doorzichtige taal de raadselachtigheid aan ontnemen. De westerse talkshows wijken in Strauss’ ogen niet veel af van de communistische showprocessen eertijds: 'Het regime van de telecratische openbaarheid is de onbloedigste geweldsheerschappij en tegelijk het meest omvattende totalitarisme uit de geschiedenis.’ Oei, overdrijft u niet een beetje, meneer Strauss? Ja, absoluut.
Mag een dichter en dramaturg zich zo laten voortdrijven op z'n mythische verontwaardiging? Misschien als het iets op gang brengt - en dat heeft het essay over het 'aanzwellende bokkengezang’ (dat bokkengezang is overigens niet meer dan een letterlijke vertaling van het woord tragedie) zeker gedaan. Strauss dwong links en rechts zich af te vragen hoe men zich tegenover het oprechte rechts van Strauss verhield.
ZO VERDEDIGT rechtsfilosoof Joachim Vogel in een artikel de liberale maatschappij die een Botho Strauss mogelijk maakt omdat zij open staat voor zelfkritiek. Hij verwijt Strauss vooral dat die de 'vreemdeling’ centraal stelt en niet 'de ander’, die anders en tegelijkertijd gelijke is.
Daniel Cohn-Bendit, de voormalige linkse rebel en nog altijd Groene-politicus, zegt in een interview met Der Spiegel dat Botho Strauss de rol speelt van een anarchistische, rechtse intellectueel die alleen maar wil provoceren en die verlangt naar een 'heimatlich-autoritares Moralsystem’. Maar wie precies links en rechts is in de huidige wereld weet Daniel Cohn-Bendit ook niet meer, want voor hem is nu iedereen rechts die tegen een militaire interventie in Bosnie is.
Dit verrassende oordeel volgt voor hem uit zijn definitie: 'Rechtsen zijn egoisten, die zich niet interesseren voor het leed van de wereld.’ Maar hij waarschuwt er ook voor van het ene uiterste in het andere te vervallen, van de socialistische utopie in een totaal pessimisme. Er is wel degelijk iets veranderd: de activisten van 1968 gingen uit van een positief mensbeeld; achter de vervreemding van de consumptiemaatschappij wachtte het goede in de mens op bevrijding. Nu hebben we gemerkt dat de mens niet alleen maar goed en niet alleen maar slecht is. En weer komt Cohn-Bendit bij iets verrassends uit. Tegenover een re-nationalisering van de Duitse identiteit stelt hij iets heel anders, namelijk 'ein europaischer Verfassungspatriotismus’. Een Europees perspectief waarin nationaliteit en regionaliteit niet verdwijnen, maar alleen in een 'softe vorm’ zullen voortbestaan.
DEZE DISCUSSIE DOET DENKEN aan een stelling die Anet Bleich onlangs ontwikkelde in een gesprek met Joris Voorhoeve, toen nog geen minister van Defensie maar directeur van Clingendael. Zij vroeg zich af of de vroegere tegenstelling tussen links en rechts plaats aan het maken is voor een - eigenlijk ook ouderwetse - tegenstelling tussen nationalisme en mondialisme. Voorhoeve ontkende dat niet en bleek als liberaal helemaal niet zo ver af te staan van de ideeen van de socialist Jan Pronk. En in zekere zin sloot Ed. van Thijn hier op aan toen hij in zijn Van Randwijk-lezing de term 'solidariteit’ weer in ere trachtte te herstellen. Solidariteit, zowel internationaal als met de minderbedeelden in eigen land. Dat zou aan het begrip links toch nog een positief perspectief kunnen geven.
Want er dreigt een vreemde omkering plaats te vinden. Iedereen die enige tijd vanuit het buitenland - hetzij de derde wereld, Oost-Europa of zelfs de Verenigde Staten - naar West-Europa of Nederland heeft gekeken, zal de neiging voelen net als Botho Strauss onze samenleving als de beste van al die werelden te beschouwen. Een beetje vrije markt, een stukje sociale zorg, voldoende vrijheid en genoeg ingrijpen van de staat. Zoals Aad Nuis dat enige jaren geleden in een interview met Elsevier formuleerde: een vooruitstrevend politicus behoort in Nederland een conservatief mens te zijn, hij moet zorgen dat deze verworvenheden zo goed mogelijk behouden blijven.
Nu moeten we nog maar afwachten hoe vooruitstrevend Aad Nuis in de praktijk van het meeregeren zal blijken, maar hetzelfde geluid klinkt tegenwoordig ook uit veel linksere hoek, namelijk binnen GroenLinks. In het komende nummer van het tijdschrift De Helling kritiseert Jan-Willem Duyvendak in het artikel 'Nederland is het einde’ de verkiezingsleuze 'GroenLinks of laten we het zo?’ Dat suggereert, schrijft Duyvendak, dat GroenLinks nog steeds verslaafd is aan verandering, maar als je naar het verkiezingsprogramma kijkt zul je moeten concluderen dat GroenLinks meer van het bestaande wil behouden dan een sterk op verandering gerichte partij als de VVD.
Politieke posities zijn aan het wisselen. Links wordt behoudend en voor rechts kunnen de veranderingen niet snel en ver genoeg gaan. Als er voor links nog een utopie bestaat, dan het liefste een plek die qua leefbaarheid nog een beetje op de bestaande Nederlandse wereld lijkt. Dit is niet eens in tegenspraak met solidariteit met de rest van de wereld. Als we willen dat anderen in een vergelijkbare situatie komen als wij, laten we dan niet op een hypocriete manier doen of er in onze maatschappij niets deugt. In plaats van de onmogelijk geworden utopische vlucht naar voren of een romantische duik in het verleden stelt Jan-Willem Duyvendak voor een behoudend programma te ontwikkelen dat aansluit bij het huidige tijdsgewricht. Met ander woorden: 'GroenLinks, want we houden het zo!’
Het voordeel van deze analyse is, dat die op z'n minst verklaart waarom linkse partijen tegenwoordig zo zwijgzaam zijn. Waarom er vanuit rechtse hoek allerlei voorstellen komen en links zich meestal passief opstelt. Dat is wel eens anders geweest. Merkwaardig is dat GroenLinks op deze manier heel dicht in de buurt komt van het 'oprechte rechts’ van Botho Strauss: onze maatschappij is nog zo kwaad niet, de echte tragedie bevindt zich elders en die is toch onuitroeibaar. Maar dit behoudende perspectief voor links gaat ervan uit dat rechts en links werkelijk geheel en al symmetrisch zijn. Nu links z'n aspiraties heeft verwezenlijkt, is rechts aan de beurt om verandering te eisen. Straks, als de hele verzorgingsmaatschappij is afgebroken, kan links misschien weer iets nieuws voorstellen.
MAAR IS HET ook maar enigszins waar dat de linkse verlangens zijn vervuld, dat Nederland (of Duitsland) de beste van alle werelden vertegenwoordigt en dat de rest van de wereld maar zoveel mogelijk op ons moet gaan lijken?
Er zijn ook andere definities denkbaar. Daarvoor hoeven we niet eens naar extreem-links te luisteren, maar slechts een jaar of twaalf in de tijd terug te gaan. Renate Rubinstein, toch werkelijk niet iemand die onkritisch met links omging, analyseerde de begrippen links en rechts in haar Tamar-column in Vrij Nederland en werkte dat later uit in haar Huizinga-lezing van 10 december 1982. Voor haar is de ware klassenstrijd de strijd tussen de mensen die iets dat waar is willen onthullen en degenen die dat wat waar is geheim willen houden. Het maakt niet uit om wat voor maatschappij het gaat, er zijn altijd machthebbers die belang hebben bij het geheimhouden en anderen die geheimen willen onthullen. Rechts is een maatschappijstructuur die gebaseerd is op geheimhouding. Elke dictator is dus per definitie rechts, geprogageerde idealen zijn daarbij geen betrouwbare maatstaf. Links is een maatschappij die de communicatie tussen de mensen niet belemmert. Nog simpeler gezegd: 'Links is open, rechts is dicht, het gaat daarmee in de politiek als met de waterkraan.’ Volgens haar definitie is baanbrekende wetenschap altijd links. Waarschijnlijk dus ook baanbrekende journalistiek. Maar of dat ook voor alle baanbrekende dramaturgie opgaat? Rubinstein heeft het baanbrekende essay van Botho Strauss helaas niet kunnen lezen.
WAT DOEN WE met de termen links en rechts? Schaffen we ze af en verzinnen we iets beters? Verwisselen we ze van plaats en noemen we voortaan de kapitalisten progressief en de socialisten conservatief - zoals in Rusland nu gebeurt? Erkennen we dat wie links is een hoop wil behouden en geven we het geloof in verandering op?
Wat volstrekt stukgelopen is - daar heeft Botho Strauss gelijk in - is het geloof in een socialistische of communistische heilstaat. Het hele idee van een perfecte maatschappij, of die nu rechts of links is, blijkt alleen maar tot het omgekeerde, een totalitaire dictatuur te leiden. Het is winst om dat te erkennen. Maar om dan maar onze eigen maatschappij tot utopie te verklaren, helpt niet - of we dat nu vanuit GroenLinks of vanuit OprechtRechts doen.
Het is nodig, zoals Daniel Cohn-Bendit zegt, het naieve optimisme van de generatie van de jaren zestig af te leggen. Er is wel degelijk een tragiek die niet met maatschappelijke middelen valt uit te roeien en die helaas niet verdwenen is met de bevrijding van de nazi’s, zoals we ooit dachten. Er zijn, zoals Renate Rubinstein terecht constateert, machthebbers in elke maatschappij, er zijn mensen die profiteren en die tegen openheid en verandering zijn. Politici, journalisten en dramaturgen kijken daar vanuit een verschillend perspectief tegen aan.
Misschien maakt het deel uit van Botho Strauss’ eeuwige bokkengezang, dat er in elke maatschappij steeds weer van die machthebbers opkomen. Het zou mij plezieren om degenen die daar oppositie tegen voeren met Renate Rubinstein links te blijven noemen. Maar eigenlijk doet de term er niet toe. Als die oppositie zich maar niet in zelfgenoegzaamheid en passiviteit laat smoren en zeker niet het maken van toekomstplannen aan rechts en erger dan rechts overlaat.