Remco Campert, Een liefde in Parijs

En de schrijver telt zijn kloten

Remco Campert

Een liefde in Parijs

De Bezige Bij, 160 blz., € 15,-

Volgens de overlevering zocht Jan Mulder op een zondagmiddag Remco Campert thuis op, die gebiologeerd naar een tenniswedstrijd op televisie zat te kijken. Hij bleek zich er niet van bewust dat hij naar een herhaling van een wedstrijd van jaren her keek. Mulder hielp Campert uit de droom van de actualiteit: beide spelers waren inmiddels al lang van de baan verdwenen.

Het voorval is typerend voor het levensgevoel waarvan de Volkskrant-lezer twee dagelijks deelgenoot wordt gemaakt. De waan van de dag treedt Campert ontwijkend tegemoet, om niet te zeggen onthecht. Het hier en nu is te veel, te opdringerig en te lelijk om je echt in te begeven, hoogstens om via een omweg — bij monde van boer Kneupma bijvoorbeeld — zachtjes te becommentariëren. Campert zelf is de eeuwig verstrooide twijfelaar, de ellendige nietsnut, die bij slecht weer — na lange tijd vergeefs gezocht te hebben naar een paraplu — bij voorkeur weer in bed gaat liggen. Hij, een leven lang bezig zich te onttrekken aan grote gebaren en dito woorden, lijkt ook op 75-jarige leeftijd nog steeds een schuchtere jongen te midden van generatiegenoten Nooteboom, Claus en Kousbroek.

Waarmee je bijna zou vergeten dat deze dichtersziel pur sang al in 1976 de P.C. Hooftprijs ontving voor zijn verzamelde poëzie. Dit wapenfeit heeft een voortijdige canonisering van zijn werk niet in de hand gewerkt. Als het literaire tijdschrift Bzzlletin in 1999 een rijtje opstelt van auteurs wier oeuvre tot ijkpunt is geworden van de Nederlandse literatuur na de Tweede Wereldoorlog staat de naam van Campert daar niet tussen. (Die van Wolkers trouwens evenmin.) Zelf zal Campert ongetwijfeld zeggen dat Mulisch, Hermans, Reve, Claus, Haasse, Lucebert, Kouwenaar en Nooteboom nu eenmaal ook betere schrijvers zijn dan hij, maar het wel of niet opgenomen worden in zo’n rijtje heeft veel te maken met presentatie, zichtbaarheid en het creëren van een schrijversmythe. Campert heeft ook een mythe: dat anderen beter zijn dan hij.

In zijn proza geeft hij deze mythe gestalte, zowel in de psychologie van zijn helden als in de bescheiden omvang van zijn «boekjes». Vol trots kondigt zijn uitgever aan dat Een liefde in Parijs Camperts eerste roman is sinds dertien jaar, maar met moeite overstijgt dit nieuwe werk de omvang van recentere novellen als Ohi, hoho, bang, bang of het lied van de vrijheid (1995) en Als in een droom (2000). Ook als prozaïst is Campert een scherpslijper: ieder woord is gewikt en gewogen, en iedere zin is er één.

Richard Sanders, de protagonist in Een liefde in Parijs, is een typisch Campert-personage: een schrijver zwevend tussen een staat van geluk en ongeluk, succes en vergetelheid, ambitie en relativeringsvermogen. Tegenover hem bevindt zich zijn kunstbroeder van weleer, Ton Verstrijden, die van meet af aan weet hoe hij de dingen — roem, geld, vrouwen — moet aanpakken. Om te beginnen door onmiddellijk een duidelijke signatuur neer te zetten: Tovèr. Sterker, en serieuzer, dan in vroeger werk spreekt Campert zich in dit portret van een vriendschap uit over kunstenaarschap en over kwetsbaar heden die nooit voorbijgaan. Sanders is dan ook al de zestig gepasseerd, oud genoeg om de reikwijdte te overzien van wat hij op zijn zeventiende als zijn lotsbestemming aanvaardde, het dichterschap. Niet alleen de confrontatie met de gelikte roem van Tovèr, maar ook de ontmoeting met een vrouw die hij zich niet kan herinneren, terwijl zij een vroegere intimiteit suggereert, doet hem de balans van zijn leven opmaken, en de plaats die het schrijven daarin inneemt. Bood het schrijven eigenlijk niet een afgeleide manier van leven? Schreef hij misschien alleen maar om zichzelf te bewijzen dat hij iets méér was dan een mens als andere mensen, «even reddeloos op aarde geworpen»? En: «Al dat schrijven van hem was een laagje vernis. Als je de woorden wegkrabde bleef er niets over.»

Een liefde in Parijs is een mooi weemoedig document, waarin een schrijver zijn kloten telt. «En opeens was je oud en wist je de verkeerde dingen en was het onmogelijk geworden terug te keren naar je onvolwassenheid toen je nog van niets wist. De werkelijkheid bood geen oplossing; alleen in het schrijven kon hij op zijn schreden terugkeren, opnieuw beginnen, fouten herstellen of voorkomen.»

Sleutelscène is het gesprek tussen Tovèr en Sanders waarin duidelijk wordt hoe uiteenlopend hun opvatting is over hoe een kunstenaar zijn talent moet inzetten. «Kijk», zegt Tovèr, «ik ken een trucje en dat trucje ken ik heel goed. Dat ben ik nog altijd aan het vervolmaken en dat bevredigt me.» Sanders: «Ik ken ook een trucje, maar dat probeer ik altijd af te leren.»

Op trucages zal Remco Campert niet snel betrapt worden; daarvoor is zijn stijl te precies, zijn toon te verfijnd. Wel ligt bij hem de slapte permanent op de loer; het botte einde van Een liefde in Parijs, met een koe van een clou, wekt de indruk alsof hij het net niet kon opbrengen het verhaal een laatste duwtje naar boven te geven. Ook dat is Campert.