Voorbij mannelijke zelfvergroting en vrouwelijke wissewasjes in de literatuur

En de vrouw, zij schreef voort

Hoewel er om de zoveel tijd wel een keer de opkomst van de vrouwelijke schrijver wordt aangekondigd, lijkt er nu iets te veranderen in het literaire klimaat op man/vrouwgebied. De nieuwe generatie schrijfsters eist haar ruimte op, is niet te missen. Of is dat perceptie?

Medium groene cover vrouwenclubx

Maandagavond 6 mei, AmstelHotel in Amsterdam. Het moment is weer daar: de camera’s staan op scherp, de grootste literaire prijs van Nederland, de Libris Literatuur Prijs, staat op het punt uitgereikt te worden. Wie heeft de beste, de mooiste, de relevantste roman van het afgelopen jaar geschreven?

In de spiegelzaal zijn de ronde tafels feestelijk gedekt. De zes genomineerden worden geflankeerd door hun uitgever, hun redacteur, hun geliefden, hun critici. O nee, vijf. Een van de genomineerden heeft een wouterbosje gepulled: Tommy Wieringa heeft te kennen gegeven zijn gezinsleven even boven het literaire gewemel te willen stellen. Zoals zijn uitgever (v) empathisch verzucht: ‘Tommy is zóveel op tournee geweest dat hij nu niet de kampeervakantie met zijn kinderen wil onderbreken.’ Begrijpelijk. Al strepen de bookmakers van vanavond onmiddellijk één naam door als kanshebber op de prijs.

Blijft over een stelletje oprechte zenuwlijders. Onderdeel van de kwelling is een ontspannen gesprekje, tussen de verschillende gangen van het diner door, met de gastvrouw van dienst, Lidewijde Paris. Ze heeft haar vragen goed voorbereid – voor het geval ze het niet meer weet heeft ze geheugenkaartjes bij de hand – en elk boek wordt door haar met een persoonlijke kwinkslag geïntroduceerd. Zo karakteriseert ze Peachez van Ilja Leonard Pfeijffer als een roman die gaat over ‘liefde in tijden van internet’. ‘Ho ho’, verheft Pfeijffer zich, zijn servet verfrommelend, ‘als u mij een kleine correctie toestaat?’

Schrijf u in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in uw mailbox.

Van de vijf resterende kanshebbers is Pfeijffer de routinier. In 2014 won hij deze zelfde prijs met La Superba, een ode aan de stad waar hij sinds een paar jaar was neergestreken, Genua. Al haastte hij zich toen in het gesprek na de prijsuitreiking met Mariëlle Tweebeeke van Nieuwsuur te stipuleren dat zijn boek over meer dan een stad ging. In feite had hij geschreven over alle plekken waar migratie plaatsvond, en in feite had hij ook nog eens over alle vormen van migrantenverhalen willen vertellen. Tweebeeke knikte woordeloos, begrip- en respectvol. ‘Ik wil de complexiteit laten zien’, besloot de schrijver.

Iets dergelijks haalt hij nu uit met Peachez, de romance waarin hij de geslachtsdrift van een pensioengerechtigde professor in de klassieke letterkunde op hol laat slaan bij de gedachte aan iets wat zacht, dun en plooibaar is, oftewel een jonge vrouw die hij digitaal ontmoet. Zijn tragikomedie, over de illusie van de ideale liefde en de bereidheid bedrogen te worden, moest begrepen worden in de verteltraditie van Balzac en andere negentiende-eeuwse Franse romantici, geeft hij te verstaan.

Natuurlijk wordt geen enkel boek zomaar gelezen, en staat geen roman op zichzelf. De naam van de schrijver, de foto op het omslag, de tekst op de achterflap, ze sturen de blik van de potentiële lezer, ze tillen het boek op. Het imago van de schrijver is een niet te onderschatten factor, en een work under permanent construction. Er zijn schrijvers die de rol van schrijver perfect spelen, tegemoet komen aan de verwachting van het publiek over wat een schrijver is, die zelfs nog overtreffen misschien.

Van mannelijke schrijvers pikken we andere dingen dan van vrouwelijke schrijvers – en andersom. Als een 53-jarige man een seksdagboek zou publiceren, over zichzelf en zijn twintig jaar jongere vriendin, zou niemand daarin geïnteresseerd zijn. Sterker nog, we zouden het waarschijnlijk ongepast vinden, om niet te zeggen: goor. Als een 53-jarige vrouw dit doet, gebotoxt en op lieslaarzen, wijdt Volkskrant Magazine er een heel nummer aan. Bij een man zouden we de geilheid niet verdragen, bij een vrouw is het empowerment.

Zo formuleerde de schrijfster het zelf tenminste, op alle mogelijke kanalen. Ze publiceerde haar ‘sexdagboek’ om haar zusters seksueel te bevrijden. ‘Al zijn het er maar tien!’

Dit is niet een roman over het deconstrueren van een mythe in de traditie van een Franse filosoof, maar een persoonlijk familieverhaal

Van mannen accepteren we weer andere dingen. Zelfvergroting bijvoorbeeld, zoals die valt waar te nemen bij de Libris-genomineerden. Het auteursportret van Marjolijn van Heemstra, de enige vrouwelijke genomineerde, met de roman En we noemen hem, laat een schuins lachende jonge vrouw zien die haar lange haren in een knotje of een paardenstaart aan het draaien is, of haar haren juist net wil losgooien. De indruk van nabijheid wordt vergroot door haar open blik, gezonde uitstraling en haar felrode wollen trui, die zomaar zelfgebreid zou kunnen zijn, zo groot en huiselijk als die oogt. Het beeld past bij het verhaal dat ze over haar boek naar buiten brengt. Dit is niet een roman over het deconstrueren van een mythe in de traditie van een Franse filosoof, maar een persoonlijk familieverhaal waarvan het ontrafelen gelijk op loopt met de zwangerschap van de schrijfster.

Ilja Leonard Pfeijffer heeft zich voor zijn laatste roman op de rug laten fotograferen. Het beeld toont hem met zijn lange woeste haren, in een lange woeste jas, wandelend door een nauw gruizig straatje in een buitenlandse stad. Het is een rock-’n-rollportret in scherp zwart-wit, de schrijver als onaangepaste artistiekeling, hij is professor en wereldreiziger ineen. Geen vrouw zou zich zo kunnen laten fotograferen. Of willen.

***

Romancier en criticus Herman Stevens beziet Pfeijffer ook in een traditie, namelijk in die van de vrouwenhaat. Hij noemt Pfeijffer een acoliet van Gerrit Komrij die in de jaren zeventig graag vrouwen belachelijk maakte. Ik moest even opzoeken wat ‘acoliet’ betekende: in letterlijke zin is het een oudere (16-plus) misdienaar, meer figuurlijk is het een volgeling. Stevens maakt de vergelijking in een opmerkelijke studie die onlangs van hem verscheen: Het sterke geslacht: Over vrouwen in onze literatuur.

Het heeft iets ontegenzeggelijk demonstratiefs als een man het voor vrouwen gaat opnemen. Vaak levert het de ergste vorm van mansplaining op: een man die je niet alleen gaat uitleggen hoe de wereld in elkaar zit, maar dit ook nog eens doet voor jóuw bestwil. Aan de andere kant: zo valt er altijd wat te zeuren. Léést een man eindelijk eens een vrouw, sterker nog, wíl hij haar bijzetten in de canon, stemt het weer tot wantrouwen.

Dat wantrouwen speelt op door de hartstocht waarmee Stevens naast Pfeijffer ook generatiegenoten A.F.Th. van der Heijden en P.F. Thomése over de kling wil jagen. Over de rug van vrouwen zijn mannen uiteindelijk vooral toch met elkaar bezig. Op een voetstuk plaatsen, zoals een rijke geschiedenis van vrouwenverering laat zien, is een ander woord voor buitenspel zetten. Stevens heeft er geen moeite mee om een jonge vrouwelijke schrijver als Nina Polak naar voren te schuiven, zolang haar mannelijke leeftijdgenoten maar weten dat ze ‘laboreren aan de misvatting dat je er als schrijver al bent als je woorden mooi achter elkaar kunt zetten’.

In zijn introducerende hoofdstuk, ‘Schrijvers komen van Venus’, schetst hij een beeld van de recente literatuurgeschiedenis die vrouwen stelselmatig uitsluit, gewoon, omdat ze vrouwen zijn. Deze geschiedenis gaat bij hem honderd jaar terug, toen Ezra Pound vond dat er geen vrouwen meer mochten schrijven voor het tijdschrift waarvan hij net redacteur was geworden, The Little Review. Met als gevolg dat nu nog vrouwen apart staan in de geschiedenisboeken. ‘Literaire bewegingen zijn kluitjesvoetbal voor mannen. Tweederangs figuren vinden er onderdak, maar de vrouwen blijven altijd eenlingen.’ En dat terwijl schrijven zo’n typische vrouwenactiviteit is! ‘Je krijgt er geen vuile handen van en als je een beetje kunt stilzitten, kom je al een heel eind.’

Stevens schrijft het overigens op zonder enig blijk van kennis te geven van de planken vol die al over dit onderwerp zijn geschreven door (vrouwelijke) critici en (vrouwelijke) academici.

Het heeft iets bizars dat een boek dat kennelijk uit liefde voor literatuur is geschreven, gedoopt is in verongelijktheid. Je kunt niet voorkomen dat vrouwen boeken schrijven, maar je kunt het wel zo aanpakken dat niemand het voor echte literatuur zal verslijten, zo schrijft Stevens in een consequent Peter R. de Vries-toontje. Er komen steeds meer boeken, maar niet meer lezers. De literatuur is een verdringingsmarkt geworden; als je als schrijver niet een beetje mediageniek bent, kom je er niet meer aan te pas. Ook hoef je geen illusies te hebben over prijzen in de literatuur, het is een loterij namelijk.

Maar het allerergst is wat bij ons voor literatuur doorgaat: puberboeken waarin zelfvergroting en angst voor vrouwen zij aan zij gaan. Mannen zijn geneigd zich te modelleren naar voorgangers die geschiedenis hebben gemaakt. ‘Lolita is een van de plekken die een hij-schrijver aandoet op weg naar de top.’ Om bij de grote literatuur te kunnen horen, plaatsen ze geurvlaggen van vrouwenangst in hun werk. De vrouwelijke personages krijgen een bijrol als moeder, hoer, slachtoffer, seksbom, feeks.

Misschien is het gewoon een mannelijke manier van essayeren om te doen alsof je de hele tijd het wiel aan het uitvinden bent

Potentieel prikkelende constateringen raken ondergesneeuwd door Stevens’ bozige simplisme. In de jaren zeventig kon je complete wartaal schrijven en je had een uitgever en een publiek. MeToo? Ha! Het enige verhaal in onze media kwam van een man, ‘wiens gezicht we al kenden van tv’. Philip Roth? Schreef al twee decennia geen goeie boeken meer. James Salter? Macho-kitsch. ‘Hoe vaak lees je een roman waarin alle vrouwen de hele tijd klaarkomen?’ Het ‘maar daarover hoor je niemand’ ligt hem in de mond bestorven, of het nu gaat om de onleesbaarheid van Slauerhoff of om het feit dat Turks fruit ook niet meer is dan de zoveelste macho-fantasie waarin het lustobject het niet overleeft. En die vrouwen alles maar braaf en welwillend lezen, omdat ze denken dat het literatuur is.

Ook de mooie dingen die Stevens schrijft over de door hem uitverkoren vrouwelijke auteurs in de volgende hoofdstukken worden gekleurd door een fundamenteel paternalisme. Allereerst doet hij het voorkomen alsof hij ze hoogstpersoonlijk heeft opgedregd uit een héél diepe vijver. Al is het misschien gewoon een mannelijke manier van essayeren om te doen alsof je de hele tijd het wiel aan het uitvinden bent. Daarnaast heeft hij de neiging vóór de schrijfsters te denken. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af of Bregje Hofstede wel in de gaten heeft met haar debuutroman De hemel boven Parijs eigenlijk een heel sekse-stereotypisch verhaal te hebben geschreven. ‘We vinden het mooi, omdat het zo bekend klinkt.’ Schrijft hij, ongetwijfeld goed bedoeld, dat Doeschka Meijsing ‘gesloopt door het harde werken’ vroegtijdig is gestorven, zozeer heeft ze altijd tegen de klippen op moeten schrijven. Karakteriseert hij de personages van Lorrie Moore wel erg eendimensionaal als vrouwen die wankel in de wereld staan door de levendigheid van hun fantasie. ‘Die maakt het hun moeilijk anderen te peilen.’

Maar er zijn dus ook mooie dingen die Stevens schrijft (oordeelde zij maternaliserend). Over Margriet de Moor bijvoorbeeld; als je haar leest treed je een wereld binnen ‘hoog in de bergen, waar ademen moeilijk wordt’. Hij laat overtuigend zien dat De Moor een schrijfster is die, zoals hij dat noemt, ‘op beide helften speelt’, zowel het vrouwelijk als het mannelijk perspectief beheerst. Een interessante lezing geeft hij ook van het oeuvre van Maria Stahlie, waarin iets van een vroegere verzetsgeest zou doorschemeren, toen schrijvers nog eigenzinnig waren. Van Doeschka Meijsing laat hij een tragisch soort tweespalt zien, al zou je ook kunnen bedenken dat dit typisch de tweespalt is waarmee iedere vrouwelijke kunstenaar te maken krijgt, mocht je je hebben verdiept in de vele studies op dit gebied. Je spiegelen aan de radicaalst mannelijke schrijvers, maar zelf het beste zijn in het verkennen van de meisjes- en vrouwenwereld: hoe vrouwen met elkaar omgaan; hoe vrouwen met mannen omgaan; de eeuwige strijd tussen moeder en dochter; de rivaliteit tussen vriendinnen.

‘Dit zijn grote onderwerpen die een heel leven kunnen kleuren als je het bekijkt zoals Meijsing het bekeek’, schrijft Stevens. ‘Niet als een klein huiselijk drama of vrouwelijke wissewasjes, maar met grote verbeeldingskracht, als een existentieel drama van een eenzaam, belegerd individu in een onbetrouwbaar universum.’

***

Die vrouwelijke wissewasjes, die weten wat. Het voelt pas écht als dreggen om die weer te voorschijn te halen. In 2007 oordeelde de jury van de Libris Literatuur Prijs, bij monde van voorzitter Cox Habbema, dat ze in het door vrouwen geschreven werk weinig interessants waren tegengekomen: ‘Lichtgewicht, kleine persoonlijke wissewasjes, thrillers, relatieproblemen, al of niet in moord eindigend, of in een cursus.’ Niet eerder was een juryrapport zozeer het startschot voor verontwaardiging, oproer, polemiek. Aan de andere kant heeft ruim tien jaar later de vraag in hoeverre literatuur ook iets kan zijn dat door vrouwen geschreven wordt niet wezenlijk aan actualiteit ingeboet.

Al merk ik zelf te aarzelen als ik dat opschrijf. Is het vermoeidheid die met de jaren komt? Relativering? Is het wishful thinking? Of verandert er wel degelijk wat in het literaire klimaat op man/vrouwgebied als je er maar oog voor wilt hebben? Herman Stevens ziet het jaar waarin de Libris-jury zich vrouwvijandig toonde in elk geval graag als een omslagpunt: het eind van de hegemonie van de mannelijke literatuur zou toen zijn ingeluid. Elk decennium komen er meer schrijfsters bij die blijven, zo constateert hij.

Iets dergelijks schreef ik zelf ook onlangs, in het jubileumnummer van literair tijdschrift Das Mag, refererend aan een mogelijke nieuwe generatie schrijfsters in opkomst. Nog maar drie jaar geleden verscheen Das Mag eenmalig in boekvorm, met verhalen van ‘de tien beste jonge schrijvers’, waar toen nog maar twee vrouwen bij zaten: Hanna Bervoets en Maartje Wortel. Ondenkbaar dat die man/vrouwverdeling nu weer zo zou uitvallen. De gevoeligheid voor seksisme lijkt een paar jaar later niet alleen groter dan ooit, maar ook zijn er domweg te veel goeie nieuwe schrijfsters om nog te kunnen negeren.

Zou je denken.

***

Vorige maand verscheen het proefschrift Reading Beyond the Female, waarin literatuurwetenschapper Corina Koolen zich sceptischer betoont. Nog steeds verkeren vrouwelijke auteurs op achterstand, niet in productie of populariteit, maar wel in literaire waardering, en het is maar de vraag of en hoe die achterstand ingelopen wordt.

Ze kennen elkaar, ze houden van elkaar, zijn dat hele dames- en herengedoe al lang ontstegen, nemen gewoon een hond

De relatie tussen het geslacht van de schrijver en de waardering voor diens werk benadert ze vanuit twee wegen: de perceptie en de tekst zelf. Wat betreft de perceptie vertelt Koolen een grotendeels bekend verhaal, al kun je in deze misschien niet vaak genoeg de zaken nog eens gelardeerd met cijfermateriaal op een rijtje zetten. Vrouwelijke auteurs krijgen minder aandacht in de literaire kritiek, en worden minder vaak onderscheiden met literaire prijzen. Zowel wat betreft genre, stijl als thematiek heersen er hardnekkige opvattingen over wat ‘vrouwelijk’ schrijven zou zijn. ‘Vrouwelijk’ is als het op literatuur aankomt sowieso altijd een pejoratief adjectief, in tegenstelling tot ‘mannelijk’. Om romans geschreven door vrouwen aan te kunnen duiden, kun je putten uit het ruime register van damesroman, vrouwenboek, huisvrouwenroman, keukenmeidenroman, chicklit, of gewoon: romannetje. Romannetjes worden nooit door mannen geschreven.

Met behulp van computeranalyses duikt ze vervolgens de romans zelf in, om te zien of je ook daadwerkelijk op grond van stilistische en thematische kenmerken kunt uitmaken of iets door een man of een vrouw geschreven is. Hoezeer Koolen ook zelf al bij voorbaat relativerende kanttekeningen plaatst bij dit deel van haar onderzoek, het blijft een merkwaardige exercitie, zoiets. In het begin van haar proefschrift heeft ze al uiteengezet hoezeer literaire kwaliteit eerder een sociaal construct dan iets ‘echts’ is. Eerder een kwestie van macht – wie spreekt? – dan van schoonheid. En dan toch zaken als zinsopbouw en woordkeuze isoleren?

Binnen het literaire genre blijken er tekstueel gezien niet echt verschillen aan te wijzen tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs, wat het idee van ‘vrouwelijk schrijven’ dan in ieder geval toch maar weer ondergraaft. Wél blijken chicklitromans minder gevarieerd in hun taalgebruik dan de literaire romans. Niet zo verrassend, zou je denken. Maar ook weer niet een ijzeren wetmatigheid.

Koolen plaatst twee citaten onder elkaar, om te laten zien hoe dit in concreto begrepen moet worden. In het eerste citaat, afkomstig uit een roman van Annelies Verbeke, worden jurken heel uitgebreid, met behulp van originele vergelijkingen, beschreven. Het tweede citaat had daarbij vergeleken niet simpeler kunnen zijn: ‘Haar oog blijft rusten op een zwarte, leren rok. Ze trekt hem aan. Haar billen bevallen haar niet. Ze begrijpt niet hoe ze deze rok ooit heeft kunnen kopen.’ Op de volgende pagina onthult Koolen dat ze vals heeft gespeeld, om de lezer te laten ondervinden hoezeer perceptie wordt gestuurd door kennis van de auteur. Het tweede citaat kwam niet uit een chicklitroman, maar uit de roman Onze oom van Arnon Grunberg.

Op grond van de tekstuele vergelijking tussen chicklit en literatuur doet Koolen overigens nog wel een opmerkelijke bevinding. Ze concentreert zich op de uiterlijke beschrijvingen van de personages, die in de boeken van mannelijke literaire auteurs net zo stereotiep blijken uit te pakken als in chicklit. Is het in chicklit altijd de Liefhebbende Adonis naar wie gesmacht wordt, de mooie man met de (vaak) blauwe ogen, in literaire romans is er een Destructieve Nimf, jong en dun, met net een delicaat of breekbaar uiterlijkheidje, die het mannelijk hoofdpersonage naar de ondergang leidt. Ondergang is natuurlijk een stuk meer literair verantwoord dan een huwelijk.

Dat kijken naar mannen blijkt overigens voorbehouden aan chicklit. In literaire romans blijft het uiterlijk van de man vaak onvermeld; zowel vrouwelijke als mannelijke auteurs zijn in die zin vrijwel alleen met vrouwen bezig, en vrouwen dan weer meestal negatief. Fun fact: niet-slank-zijn is de horror voor vrouwen, in hun eigen ogen en in die van mannelijke schrijvers. De conclusie van het proefschrift van Koolen luidt dat het toekennen van het predicaat ‘vrouwelijk’ niet gerechtvaardigd is op grond van verschillen in literariteit. Het klinkt nu een beetje flauw, maar daar ben ik ook altijd wel van uitgegaan. Iets anders is dat zij zich, door dit nog eens precies te hebben uitgezocht, afvraagt of ‘we’ nu wel de goede kant op gaan. Hoe je überhaupt een verandering bewerkstelligt, als het inderdaad een kwestie van perceptie is. Bestaat er iets taaiers dan dat?

***

Hoe lang doet je brein erover om de informatie in de ene zin te verwerken, voordat het de informatie in de daaropvolgende zin oppikt? Precies zo lang had ik de tijd om na te denken wie Bas Heijne zou gaan opvolgen toen ik las, onder aan zijn zaterdagcolumn, dat hij ermee stopt. Rosanne Hertzberger? Ze is tegendraads, slim, uitgesproken genoeg. Esther Gerritsen? Haar columns in de Volkskrant zijn scherp en origineel. Niña Weijers? She’d better not want we zouden haar bij De Groene nooit meer aankijken.

Toen las ik: Tommy Wieringa. Een man, wit, van middelbare leeftijd, die al tien jaar miljonair is. Ik schrok er oprecht van. Niet omdat NRC hiermee te kennen geeft dat wordt gekozen voor comfort, sentiment, bekendheid, in plaats van voor originaliteit, scherpzinnigheid, ontregeling. Maar omdat ik in die ene seconde dat ik erover kon nadenken, me niet kon voorstellen dat NRC géén vrouw zou kiezen.

Corina Koolen gebruikt in haar proefschrift een motto ontleend aan een opiniestuk van Saskia De Coster in de Volkskrant van vier jaar geleden. ‘Mannen, wees gewaarschuwd, vrouwelijke schrijvers rukken op!’ In haar historische overzicht laat Koolen zien dat in elk époque wel een keer de opkomst van de vrouwelijke schrijver wordt aangekondigd, al dan niet met klaroengeschal. Door de eeuwen heen zijn vrouwelijke schrijvers altijd populairder geweest dan mannen, maar ook altijd bekritiseerd, belachelijk gemaakt, gekleineerd. Zeker de Nederlandse traditie is er een van mannelijke, vaak met elkaar bevriende poortwachters met stringente opvattingen over waarover Literatuur zou moeten gaan, en hoe het geschreven moet worden. Van de generatie schrijfsters die in de jaren tachtig debuteerde, een generatie die ook door Stevens wordt gememoreerd, met Tessa de Loo, Kristien Hemmerechts, Renate Dorrestein, Vonne van der Meer, Nelleke Noordervliet en Margriet de Moor, heeft alleen de laatste ooit literaire prijzen gewonnen.

Maar dat was toen. Wie zegt dat het niet beter zal gaan met de nieuwe generatie schrijfsters, waarvan onder meer de al genoemde Polak, Hofstede, Bervoets, Wortel en Weijers deel uitmaken, maar ook Lize Spit, Roos van Rijswijk?

Stevens heeft het over een ‘totaal nieuw type schrijfster’, niet meer gebukt gaande onder ouderwetse valse bescheidenheid, onafhankelijk, vrij, ‘geen moeite doend om als vrouw in de smaak te vallen’. Ik snap wat hij bedoelt, als ik denk aan die gelegenheden waar ik jonge schrijfsters, columnistes, dichteressen, redactrices, recensentes één grote dansende massa zie vormen. Ze eisen hun ruimte op, zijn niet te missen. Ze komen ingehaakt en zwierezwaaiend binnen, de wangen blozend, de ogen stralend, ze kennen elkaar, ze houden van elkaar, ze hebben stilzwijgend besloten genoeg te hebben aan elkaar, lijken nooit voor domesticale dilemma’s te staan, zijn dat hele dames- en herengedoe al lang ontstegen, nemen gewoon een hond.

***

Het pleidooi dat Corina Koolen in de slotregels van haar proefschrift houdt, om ‘voorbij het vrouwelijke’ te lezen, echoot de stem van Virgina Woolf in A Room of One’s Own en die van Rebecca Solnit in The Mother of All Questions. Het is een pleidooi voor een literatuur waarin schrijvers niet worden vastgepind op hun sekse, en zelf ook niet hierin blijven vastzitten, maar uitstijgen boven zichzelf. Dat klinkt altijd mooi, en intelligent menselijk, maar eerlijk gezegd ontlenen heel wat boeken voor mij hun aantrekkingskracht aan het feit dat ze door een vrouw zijn geschreven.

Op het moment lees ik de nieuwe memoir-achtige romans van Rachel Cusk en Deborah Levy. Het zijn boeken waarin de mogelijkheden van een nieuw literair genre worden verkend, en die opnieuw het grote kleine leven in alle facetten uitdiepen. Soms irritant narcistisch, soms opwekkend intellectueel. Liefde als onderwerp is aan het veranderen. Hetzelfde geldt voor het huwelijk, ouderschap, vriendschap, alleen-zijn, kinderen opvoeden – de maatschappij verandert, is aan het feminiseren. Het elan van hedendaagse schrijfsters wakkert de belangstelling voor vorige generaties schrijfsters aan, alsof er toch zoiets bestaat als een vrouwelijke ervaring. En waarom ook niet.