‘en dus moet de mens onophoudelijk lijden’

OMSTREDEN, dat is wel het minste wat je van de schrijver Dostojevski kunt zeggen. Menigeen ziet in hem een genie dat als geen ander de meest abstruse uithoeken van de menselijke psyche kon beschrijven.

Anderen raken geïrriteerd door zoveel bewondering voor een ijdeltuiterige, zelfingenomen literator, een lichtgeraakt en gemankeerd mysticus die - ondanks zijn psychologische inzichten - als buitensporig kwetsbare naïeveling altijd in moeilijkheden zat: als probleemgokker, als getergd minnaar, als iemand van wie iedereen financieel kon profiteren en die zelf altijd anderen klaaglijk moest lastigvallen voor leningen…
In zijn romans treden zalvende idioten op, hoeren met een hart van goud, armzalige mannen met obscure militaire rangen, zuiplappen, verdoemde vrouwen, koelbloedige zenuwpatiënten, uitzinnige nihilisten - allemaal theatrale personages die koortsachtig over van alles en nog wat filosoferen en die zichzelf en elkaar tot het uiterste drijven, en dat alles binnen een vreemde economie met zulke rigide klasseverschillen dat zelfs een werkloos ambtenaartje er nog een bediende op na kan houden.
Als jongeman bekende Fjodor M. Dostojevski zich niet alleen tot revolutionair-socialistische ideeën, maar koesterde hij bovenal de ambitie ‘het mysterie van het mens-zijn, van de menselijke ziel te doorgronden’. Als zestigjarige, vlak voor zijn dood, wierp hij zich op tot messianistisch ziener van het 'almenselijke’ en zag hij het orthodox-christelijk Rusland als voorbestemd de wereld te redden.
Zijn credo is misschien het best verwoord door de grillige antiheld die in Aantekeningen uit het ondergrondse zijn tong uitsteekt tegen de materialistische 'mannen van de daad’ en die uiteindelijk 'de nutteloze vraag’ stelt: 'Wat is beter - goedkoop geluk of verheven leed? Welnu, wβt is beter?’ Was het louter eigen levenservaring die de toen 42 jaar oude schrijver tot de slotsom deed komen dat mensen een wispelturige lijdensweg verkiezen boven een beredeneerd keurslijf van welstand?
DE DUISTERE Aantekeningen rechtvaardigen, zoals bijna alles van Dostojevski, een behoefte aan biografische achtergronden. En het zal geen toeval zijn dat de nu bejaarde Amerikaanse hoogleraar Joseph Frank door de Aantekeningen uit het ondergrondse veertig jaar geleden in de ban raakte van het universum dat Dostojevski heet en sindsdien werkt aan een biografie die een nieuw en verhelderend licht werpt op de betekenis van Dostojevski’s werk. Nog een jaar of drie, vier, dan is Frank tachtig en hoopt hij deel vijf, het laatste van zijn opus magnum, te hebben voltooid…
De malicieus psychologiserende Dostojevski, die in zijn van autobiografische elementen doortrokken ideeënromans allerlei tegenstrijdige Weltanschauungen en religieuze kwesties laat verwoorden door personages die elkaar niet zelden afslachten, confronteert zijn biografen al meer dan een eeuw met het raadsel wie van al deze conflicterende stemmen nu Dostojevski zelf is. Is hij, zoals de filosoof Sjestov beweert, inderdaad vooral de man uit 'het ondergrondse’, die explosief fulmineert tegen de 'fenomenale domheid’ van mensen die denken dat twee maal twee vier is? Van wie heel de wereld naar de bliksem mag gaan, zolang hij maar elke dag zijn thee krijgt?
Joseph Frank heeft hier lucide ideeën over en lijkt het raadsel op te lossen. Niet alleen omdat hij in zijn biografie met de precisie van een horlogemaker elk radertje op de juiste plaats monteert, hij krijgt Dostjevski’s tijd ook nog aan het tikken en plaatst de lezer midden in de turbulentie van ideeën en gebeurtenissen waar de radicale intelligentsia uit de vorige eeuw mee werd geconfronteerd. Frank laat zien dβt en hoe Dostojevski daarop reageerde en geeft daarmee zowel Dostojevski zelf als zijn wonderlijke 'dialogische romans’ hun oorspronkelijke dimensie.
HYPERSPANNEND wordt dit procédé onder meer in deel drie van de biografie, dat de titel heeft The Stir of Liberation en dat de jaren 1860-1865 beslaat. Met name daar waar het gaat over de brandende vraag: geloofde Dostojevski nu wel of niet? Zoals zo vaak komt Frank hierbij weer aanzetten met een crucial document, in dit geval een lang fragment uit Dostojevski’s notitieboekje, geschreven vlak na het overlijden van zijn eerste vrouw Marja Dmitrjevna, aan wier sterfbed hij een groot deel van de mysterieuze Aantekeningen uit het ondergrondse had neergepend.
'Masja ligt op de tafel’, zo begint het fragment, 'zal ik Masja ooit weer zien?’ En vervolgens redeneert Dostojevski waarom er een leven na de dood moet zijn. Hier op aarde staat het menselijk ego de 'wet van de liefde’ in de weg, schrijft hij. En wanneer het tegennatuurlijk christelijk ideaal 'Heb uw naaste lief gelijk uzelf’ ondanks alles toch verwezenlijkt zou worden, 'wanneer het ego naadloos zou samengaan met humanisme, zou er niets overblijven om naar te streven …), dan zou het niet langer nodig zijn om te leven’. Het zou volgens Dostojevski 'compleet zinloos zijn om zo'n groot doel te bereiken indien met het bereiken ervan alles ophoudt te bestaan en voorgoed verdwijnt, dat wil zeggen: dat mensen geen leven meer hebben wanneer ze bij het doel zijn aangekomen. Bijgevolg: er is een toekomstig paradijslijk leven.’
Het verrassende aan deze tekst is volgens Frank niet alleen dat de slavofiele Dostojevski een modern westers begrip als 'humanisme’ hanteert, maar vooral dat hij niets zegt over de wederopstanding van Christus, waar gelovigen zich altijd op beroepen. Ook gebruikt Dostojevski niet het morele argument dat slechts een leven na de dood alle onrechtvaardigheid van de wereld teniet kan doen. Maar echt ontstellend vindt Frank dat Dostojevski op geen enkele manier verwijst naar de mystieke extases die hij ervoer pal voor een epileptische aanval en die hem een idee van de eeuwigheid verschaften.
Puur vanuit het psychologische argument dat een doelloos leven niet om uit te houden is zoals Dostojevski zelf in vier jaar zinloze dwangarbeid heeft ervaren), zeker wanneer dat leven uiteindelijk tot stof vergaat, springt hij naar de religieus-metafysische conclusie: dus moet er méér zijn. Deze intieme verstrengeling van psychologie en metafysica verklaart volgens Frank niet alleen het onverwachte geloof in een leven na de dood, maar vormt tevens het hart van wat hij noemt de 'idea-feelings’ waarmee Dostojevski zijn latere romanpersonages bezielt.
Daar, bij het dode lichaam van zijn echtgenote, speculeert Dostojevski ook hoe er in het leven na de dood 'niemand zal trouwen of zal worden uitgehuwelijkt’. Trouwen en een gezin stichten voldoen weliswaar tegelijkertijd aan een natuurwet èn aan de meest sacrosante verplichting van de samenleving, maar zijn volgens Dostojevski ook 'abnormaal en egotistisch’ omdat men zich van de rest van de mensheid afkeert. Door voor het oog van God te trouwen geeft men tegelijkertijd toe aan de verleiding van de duivel, omdat het huwelijk een volledige fusie in de weg staat van het ego met de hele mensheid - Dostojevski’s grote ideaal.
Dit dualisme maakt hij nog scherper door te zeggen: 'Wanneer iemand niet heeft voldaan aan de plicht om naar een ideaal te streven, dat wil zeggen: niet door liefde zijn Ego heeft opgeofferd voor anderen of voor één ander Masja en ik) dan lijdt hij en noemt hij zijn conditie een zonde. En dus moet de mens onophoudelijk lijden, wat gecompenseerd wordt door de hemelse vreugde van het vervullen van de plicht, dat wil zeggen, door opoffering. Daar ligt het aardse equilibrium, anders zou de aarde zinloos zijn.’
EEN JAAR NA deze bij 'Masja’ neergeschreven afgrond van het menselijk tekort begint Dostojevski in een hotelkamer in Wiesbaden - arm als een kerkrat want zijn laatste cent weer eens verspeeld - aan Misdaad en straf, waarin hij de student Raskolnikov op pad stuurt om een oude woekeraarster te vermoorden, om vervolgens met haar opgepotte geld onder meer zijn zus Doenja, die zich voor het gezin wil opofferen door met een rijke lomperik te trouwen, te redden…