Twaalf mythes over werk en werkloosheid

En dús moeten we bezuinigen

Politici en beleidsmakers versimpelen de werking van de economie tot waarheden die hen goed uitkomen. In een driedelige serie ontrafelt Mirjam de Rijk de belangrijkste van deze verdraaiingen.

Medium myth1

We moeten hoognodig de overheidsfinanciën op orde brengen, want de staatsschuld en collectieve lastendruk zijn veel te hoog. Dus moet er worden bezuinigd. Hervormingen zijn goed voor de economie en lastenverlichting zorgt voor werkgelegenheid.

Maar is dat wel zo? Blijkt dat in de praktijk? En over welke ‘hervormingen’ hebben we het dan eigenlijk? In verkiezingstijd worden we nog intensiever bestookt met halve economische waarheden en hele economische mythes dan gebruikelijk.

‘Cognitieve kaping’ noemt de econoom Joseph Stiglitz het: de onbetwistbaarheid van bepaalde economische mythes in het publieke debat. Of er op economisch gebied meer mythes bestaan dan bijvoorbeeld op biologisch of sociologisch gebied valt moeilijk te zeggen, maar feit is wel dat de economische mythes een veel grotere rol spelen in het maatschappelijke en politieke debat. Anders gezegd: als je iets wilt, moet het in de eerste plaats ‘goed voor de economie’ zijn. Economische mythes zijn dan een machtig wapen.

Het zijn daarom ook niet zozeer economen die de mythes bezigen en in stand houden, maar vooral beleidsmakers, belanghebbenden en politici. Sterker nog, vaak is het maar de vraag of de voorstellen werkelijk economisch verstandig zijn. ‘Het neoliberalisme plaatst politieke en ideologische overwegingen boven economische’, zei de antropoloog David Graeber, schrijver van het boek Schuld, een paar maanden geleden in De Groene Amsterdammer. Hoogleraar financiële geografie Ewald Engelen noemt het ‘economisch primitivisme’: het versimpelen van de werking van de economie tot iets wat beleidsmatig goed uitkomt. Zo werd afgelopen week overal verteld dat de economie fors groeit, met nota bene 1,7 procent. Er wordt echter niet bij verteld dat het hier gaat om een voorspelling, een voorspelling van het Centraal Planbureau dat niet bekend staat om de juistheid van zijn voorspellingen.

Dit is het eerste deel van een driedelige serie over economische mythes – ter bevordering van wat de Cambridge-econoom en bestsellerauteur Ha-Joon Chang ‘economisch burgerschap’ noemt. Omdat economie te belangrijk is om aan economen over te laten, laat staan aan politici. Om te beginnen twaalf mythes over werk en werkloosheid.

Mythe 1: Nederland heeft 645.000 werklozen

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) zijn er op het moment 645.000 werklozen in Nederland. Maar alles hangt af van de definitie van werkloosheid, en er zijn weinig definities die zo vaak veranderen als deze. Onlangs is de definitie weer aangepast. Sinds 1 januari tel je als werkloos als je nul uur werkt en tegelijkertijd werk zoekt. Dat is de internationale definitie, en dat maakt vergelijken makkelijker. Tot voor kort telde je ook als werkloos als je minder dan twaalf uur werkte, maar méér dan twaalf uur wílde werken. Omdat alle mensen met minibanen, zelfs als ze maar een uur per week werken, nu meetellen als werkend in plaats van werkloos is het percentage werklozen plotseling fors gedaald. In aantallen mensen stijgt de werkloosheid echter nog steeds, ondanks de nieuwe definitie. Zzp’ers die nauwelijks werk hebben of mensen die het actief zoeken naar werk hebben opgegeven, worden niet meegerekend als werkloos. De werkelijke werkloosheid, in de zin van mensen die graag (meer) zouden willen werken, ligt dan ook veel hoger dan 645.000.

Er hebben op dit moment 430.000 mensen een bijstandsuitkering, 431.000 mensen zitten in de WW, en 820.000 mensen hebben een arbeidsongeschiktheidsuitkering (wao/wia/Wajong).

Zouden we dezelfde werkloosheidsdefinitie hanteren als in de jaren tachtig, dan zijn er nu meer mensen werkloos dan tijdens de economische crisis van begin jaren tachtig (in absolute aantallen, niet als percentage van de bevolking).

Medium myth3

Mythe 2: binnenkort hebben we te weinig arbeidskrachten

De door de regering ingestelde commissie-Bakker (voorgezeten door Peter Bakker, voormalig ceo van tnt) voorspelde in 2008 dat we nu, in 2015, een tekort van 350.000 arbeidskrachten zouden hebben. Dat de commissie-Bakker de crisis niet zag aankomen is haar niet aan te rekenen, maar een verschil van een miljoen (bijna 650.000 werklozen in plaats van een tekort van 350.000 mensen) is wel veel. De voorspellingen van Bakker staan niet op zichzelf, het denken over werkgelegenheid is al decennialang doortrokken van de angst voor een tekort aan arbeidskrachten.

En ondanks de ‘robotisering’ en de huidige werkloosheid gaat het werkgelegenheidsbeleid nog steeds uit van een dreigend tekort aan arbeidskrachten. In de modellen die het Centraal Planbureau (cpb) hanteert bestaat werkloosheid zelfs niet: als het planbureau uitrekent wat de effecten zijn van kabinetsmaatregelen gaan die modellen er vanuit dat er volledige werkgelegenheid is. Op grond van de cpb-modellen valt dan ook niets te zeggen over de effectiviteit van maatregelen in tijden van forse werkloosheid, zoals nu.

Zo berekende het cpb onlangs dat de effectiefste werkgelegenheidsmaatregel het verlagen van de bijstand is: dat zou veertigduizend minder uitkeringsgerechtigden opleveren. De modellen gaan immers uit van genoeg banen, en in die situatie vinden veertigduizend bijstandsgerechtigden een baan als hun uitkering wordt verlaagd.

De angst voor een tekort aan arbeidskrachten is vooral gebaseerd op de vergrijzing, waardoor de verhouding tussen de beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking verandert. Er wordt behalve met de crisis ook geen rekening gehouden met de toenemende arbeidsproductiviteit (robotisering) en de internationale arbeidsmobiliteit.

Mythe 3: Nederland is lui

Je kunt ook zeggen: Nederland is uiterst efficiënt. Het aantal betaald gewerkte uren per werkende is in Nederland laag, 1380 per jaar, terwijl een Mexicaan jaarlijks 2237 uren werkt. Maar in die 1380 uren wordt dankzij de hoge arbeidsproductiviteit zoveel geproduceerd dat we, gemeten in koopkracht, tot de vijf rijkste landen van de wereld behoren.

Van de kleine zeventien miljoen mensen die Nederland nu telt, verrichten er 8,3 miljoen een vorm van betaalde arbeid, voor een of meer uur per week. Tel je alleen de mensen mee die minstens twaalf uur werken, dan zijn het er 7,2 miljoen. Daarmee is de arbeidsparticipatie, oftewel het percentage mensen dat betaalde arbeid verricht, in Nederland relatief hoog.

Mythe 4: werkloosheid is slecht voor de economie

Werkloosheid is geen economisch probleem: als een paar mensen genoeg produceren om een heel land welvarend te houden is er economisch niets aan de hand. Stijging van de arbeidsproductiviteit (hetzelfde product maken met minder mensen) wordt over het algemeen juist beschouwd als economische kracht: het verbetert de concurrentiepositie van bedrijven. Economische groei is vaak het gevolg van innovatie, en innovatie leidt tot stijgende arbeidsproductiviteit en dus tot minder werkgelegenheid.

Werkloosheid is geen economisch maar een sociaal probleem. Waar de econoom John Maynard Keynes werk nog beschouwde als een noodzakelijk kwaad (hoe minder tijd je nodig zou hebben voor werk, hoe beter, want hoe meer tijd er over zou blijven voor ontplooiing), is werk inmiddels hét middel tot erkenning, ontplooiing, sociale contacten en dagritme. Bovendien is werk nog altijd het belangrijkste instrument om het nationaal inkomen te verdelen. Werkloosheid is daarom behalve een sociaal probleem ook een ordeningsprobleem: hoe verdeel je de poet ‘eerlijk’ als in de toekomst werkelijk een klein aantal mensen het hele nationaal inkomen zou produceren.

Medium myth5

Mythe 5: het kabinet werkt aan werk

‘Bestrijding van werkloosheid is en blijft topprioriteit’, benadrukte minister Asscher onlangs nog eens toen bekend werd dat de werkloosheid weer met twaalfduizend was gestegen. Het belangrijkste middel hiertoe, aldus de laatste Troonrede, is het ‘gezond maken’ van de overheidsfinanciën. Tot woede en verbazing van econoom Eduard Bomhoff. ‘Gezonde financiën zijn natuurlijk fijner dan zieke financiën, maar het is niet geloofwaardig dat de werkloosheid snel gaat dalen als een land dat al heel lang de hoogste beoordeling krijgt voor de soliditeit van de financiën daar nog net iets meer nadruk op legt’, schreef hij op economensite MeJudice. Hij noemde het ‘sociaal wreed en politiek dom’ om werk te zien als een afgeleide van economische groei.

Een overheid heeft eigenlijk maar twee manieren om de werkgelegenheid te stimuleren: bevorderen van een economische groei die hoger is dan de toename van de arbeidsproductiviteit en het stimuleren van arbeidsintensieve sectoren of een grotere publieke sector. Alle andere instrumenten gaan in feite over het verdélen van de bestaande werkgelegenheid (zie mythe arbeidstijdverkorting).

Vaak wordt er vanuit gegaan dat economische groei vanzelf leidt tot toename van de werkgelegenheid. De afgelopen 45 jaar houden de economische groei en de stijging van de arbeidsproductiviteit elkaar echter in evenwicht, waardoor – gemeten per inwoner – de werkgelegenheid niet is toegenomen ondanks forse economische groei. Dat zou kunnen veranderen als je actief de arbeidsintensieve sectoren bevordert (waardoor je in feite de arbeidsproductiviteit vermindert), maar dat gebeurt vooralsnog niet. De werkgelegenheid wordt overigens wel over meer mensen verdeeld dan 45 jaar geleden: nu doen 4,3 op de tien inwoners betaald werk, in 1970 was dat 3,6 op de tien.

Dat economische groei niet vanzelf leidt tot meer werkgelegenheid is geen Nederlands fenomeen. Het Duitse bruto binnenlands product is nu vier keer zo hoog als in 1960, maar de hoeveelheid arbeid die daarvoor nodig is, is zelfs lager dan in 1960. (NB: dit wil natuurlijk niet zeggen dat het omgekeerde waar is, namelijk dat minder economische groei goed is tegen werkloosheid.)

Over het bevorderen van werkgelegenheid via de publieke sector kunnen we kort zijn. Het kabinetsbeleid is juist gericht op een kleinere publieke sector, onder meer door in de zorg betaald werk te vervangen door onbetaald werk. In de zorg verdwijnen de komende tijd dertigduizend banen, zo schreef het kabinet in de arbeidsmarkteffectrapportage. >

De ‘banenplannen’ van zowel de landelijke als de lokale overheden zijn vrijwel louter gericht op het geschikt maken van uitkeringsgerechtigden voor vacatures, niet op meer werkgelegenheid. De plannen gaan over scholing, reïntegratietrajecten, loonsubsidies en werk met behoud van uitkering. Geen maatregelen die zorgen voor meer werk, maar hoogstens dat het werk wat meer tussen mensen rouleert. In de bijbehorende persberichten staat echter steevast dat het een X-tal banen oplevert. Het Platform Arbeidsmobiliteit telde al die lokale en landelijke banenplannen bij elkaar op en ontdekte dat er volgens die plannen meer banen bij komen dan er werklozen zijn.

Mythe 6: sleutelen aan de werkloze vermindert de werkloosheid

Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw wordt werkloosheid in het publieke discours niet langer neergezet als een gebrek aan banen, maar als een gebrek van de werkloze: als deze zich schoolt, arbeidsdiscipline oefent, de taal spreekt en z’n kleding aanpast, komt die baan wel. De modellen van het cpb die redeneren vanuit een situatie van voldoende banen werken dit in de hand.

Zo ontstond een waar woud van reïntegratietrajecten en disciplinerende maatregelen voor werklozen. En ook nu er 645.000 officiële werklozen zijn, op 113.000 vacatures, gelooft de gemiddelde beleidsmaker nog heilig in de ingeslagen weg. Alleen al het reïntegratiebeleid voor bijstandsgerechtigden, arbeidsongeschikten en WW’ers kost miljarden per jaar. Bij het uwv, verantwoordelijk voor de uitkeringen aan werklozen en arbeidsgehandicapten, werken achttienduizend mensen.

Overigens is juist de belangrijkste drempel die mensen ervan weerhoudt om vanuit een uitkering werk te accepteren nog niet geslecht: de ondoorgrondelijke bijverdienregels en het feit dat je nadat je even gewerkt hebt weer erg moeilijk in de uitkering terug kunt. Veel aangeboden werk is slechts tijdelijk en in deeltijd, en switchen tussen uitkering en werk is uitermate gecompliceerd, evenals het combineren van uitkering en werk.

Mythe 7: lastenverlichting op arbeid zorgt voor meer werk

Op zich is het een uitermate logisch en sympathiek idee: verlaag niet de netto lonen, maar de premies en belastingen zodat arbeidskrachten goedkoper worden voor werkgevers en opdrachtgevers. Werknemers én werkgevers blij. Maar of dit macro-economisch gezien uiteindelijk werkgelegenheid oplevert is nog maar de vraag. Want de lastenverlichting moet wel betaald worden: de overheid moet de lasten op iets anders verhogen (milieubelasting, winstbelasting, btw) of moet bezuinigen. Dat laatste kost banen in de publieke sector. Bovendien is het de vraag wat werkgevers doen met het uitgespaarde geld: ze kunnen er extra mensen voor in dienst nemen, maar ze kunnen het ook besteden aan hogere winsten, arbeidsbesparende innovaties of om de eigen aandelen op te kopen, zoals steeds vaker gebeurt.

Het kabinet kondigde afgelopen najaar aan dat het bij de herziening van het belastingstelsel de lasten op arbeid met vijftien miljard wil verlagen. Dat zou, op termijn, honderdduizend banen moeten opleveren. Dat zijn dure banen. Het kabinet wil die vijftien miljard weliswaar deels compenseren door andere lasten met zo’n elf miljard te verhogen, maar dan nog gaat het om vier miljard en kost een gemiddelde ‘lastenverlichtingsbaan’ dus veertigduizend euro per jaar. Dat is meer dan een gemiddelde baan in de publieke sector kost – en bovendien kan het niet anders of de elf miljard aan lastenverschuiving kost ook banen. Het cpb was tot voor kort groot voorstander van lastenverlichting op arbeid als aanjager van werkgelegenheid, maar is dat inmiddels niet meer. Uit de modellen blijkt nu dat het nauwelijks werk oplevert, om de redenen die hierboven al genoemd staan. Opmerkelijk is dat politieke partijen die op andere momenten zo graag het cpb citeren dit cpb-inzicht volkomen negeren: vrijwel alle partijen zetten al hun kaarten nog steeds op lastenverlichting voor meer werkgelegenheid.

Los van de werkgelegenheid is er wel een andere reden om minder belasting te heffen op arbeid en meer op kapitaal (vermogen, dividend): de afgelopen vijftien jaar is de belastingdruk sterk verschoven van kapitaal naar arbeid: kapitaal wordt veel minder belast, arbeid meer. En meer belasting heffen op milieuvervuiling kan prikkelen tot minder milieuvervuiling.

De mythe van de lastenverlichting bouwt voort op mythe 8.

Medium mythesleut

Mythe 8: de loonkosten in Nederland zijn te hoog

Hoewel de jongste loonsverlaging bij warenhuisketen V misschien anders doet vermoeden, is deze mythe op z’n retour. Weliswaar roepen de werkgevers het bij iedere cao-onderhandeling, maar ze krijgen hiervoor steeds minder steun. De arbeidsproductiviteit neemt al jaren toe zonder dat de lonen stijgen. En dan gaat er iets mis, want door die stijgende arbeidsproductiviteit wordt er wel méér gemaakt, maar als mensen geen geld hebben om meer te kopen, heb je er weinig aan. De Nederlandse economie is voor zeventig procent afhankelijk van de binnenlandse vraag. Mensen hebben het achterblijven van de lonen een tijdje ‘goedgemaakt’ door flink te lenen, maar kunnen en durven dat inmiddels niet meer.

Dat de lonen achterblijven bij de productiviteit blijkt ook uit het feit dat een toenemend deel van het nationaal inkomen naar de kapitaalverschaffers gaat (vermogen, aandelen, winsten) en steeds minder naar arbeid (lonen en beloningen van zzp’ers): in 1980 ging 68 procent van het nationaal inkomen naar arbeid, nu nog zestig procent.

Een van de argumenten voor lage lonen is dat het goed is voor de export. Dat is echter alleen het geval als de lagere lonen worden doorberekend in de prijs van het product, en dat gebeurt vaak niet. Voor de concurrentiepositie zijn niet de loonkosten an sich van belang, maar de totale productiekosten, en de hoge Nederlandse arbeidsproductiviteit houdt die productiekosten relatief laag. De Delftse economen Servaas Storm en Ro Naastepad laten zien dat in de jaren van loonmatiging het Nederlandse aandeel in de wereldexport juist daalde, terwijl het aandeel van landen waar géén loonmatiging was, juist steeg. Correlatie is nog geen causaliteit maar het geeft wel te denken. Een verklaring is dat bedrijven meer investeren in innovatie als de lonen hoog zijn en die innovatie zorgt voor een goede (export)concurrentiepositie. Econoom Lex Hoogduin, voormalig directielid van De Nederlandsche Bank, pleit juist voor forse loonsverhoging, ter hoogte van de productiviteitsstijging plus de gewenste inflatie, om hiermee de inflatie aan te wakkeren.

Mythe 9: arbeidstijdverkorting leidt niet tot minder werkloosheid

Het lijkt zo voor de hand liggend: als werk een steeds schaarser goed wordt, én zo belangrijk is voor mensen, moet je het eerlijker verdelen. Volgens de modellen van het cpb leidt een vermindering van het aanbod van arbeidskracht echter tot minder werk, dus is volgens het cpb arbeidstijdverkorting slecht voor de werkgelegenheid. Ook hier wreekt zich weer het feit dat het cpb redeneert vanuit volledige werkgelegenheid: als iedereen nu werk had en plotseling twee uur per week minder ging werken, zou er inderdaad minder gewerkt en geproduceerd worden. Maar dat is niet de situatie waarin we zitten.

De afgelopen 115 jaar is de volledige werkweek gestaag afgenomen van pakweg 55 uur rond 1900 tot 38,5 uur vanaf 1982. Dat de werkloosheid ondanks de toevloed van vrouwen niet uit de klauwen liep, was mede te danken aan arbeidstijdverkorting en deeltijdwerk. Na 1982 kwam de klad in de collectieve arbeidstijdverkorting. Doordat deeltijdwerk normaler is geworden kunnen mensen individueel voor een kortere werkweek kiezen en is collectieve arbeidstijdverkorting (atv) dus minder nodig, beschouwd vanuit de werkenden. Dat doet echter niet af aan het maatschappelijke motief voor een collectief kortere werkweek: mensen die nu aan de kant staan kans geven op werk.

Even is er wel ingezet op verdeling van het bestaande werk, toen direct na het uitbreken van de crisis in 2008 de deeltijd-WW werd ingezet. Maar dat was heel tijdelijk. De weerstand tegen atv wordt gevoed door het wijdverbreide idee dat de arbeidstijdverkorting in de jaren tachtig niet gewerkt heeft. Volgens hoogleraar en arbeidsmarkteconoom Paul de Beer liggen de feiten echter veel genuanceerder. Ten eerste is de arbeidstijdverkorting toen veel minder sterk doorgevoerd dan werd beleden, en zonder die arbeidstijdverkorting was er veel meer werkloosheid geweest.

Wat hoogleraar innovatie Alfred Kleinknecht betreft pleiten de vakbonden voortaan bij een stijgende arbeidsproductiviteit niet voor hogere lonen, maar voor kortere werkweken. Om ervoor te zorgen dat de laagstbetaalden er bij arbeidstijdverkorting niet op achteruit gaan, zou ze gepaard kunnen gaan met een premie- en belastingvrijstelling in de laagste loonschalen. Dat is meteen een belangrijk verschil met een individuele keuze voor deeltijd: laagbetaalden kunnen daar vaak niet voor kiezen, omdat ze dan te weinig overhouden om van te leven.

Overigens opmerkelijk: juist mensen met hoge salarissen kiezen vaak niet vrijwillig voor korter werken, zo blijkt uit onderzoek. Paul de Beer heeft daar wel een verklaring voor: zij ‘verliezen’ meer inkomen door een uur korter werken dan mensen met een middeninkomen. De New Economics Foundation maakte er een vermakelijk filmpje over: About Time – 21 Hours.

Volgens tegenstanders van arbeidstijdverkorting remt het de economische groei: ervan uitgaande dat werkgevers nu de efficiëntste mensen hebben uitgekozen, gaat de arbeidsproductiviteit omlaag als de iets mindere goden mee komen doen. Kleinknecht verwacht eerder het omgekeerde: door vermindering van stress en werkdruk worden de huidige werkers mogelijk juist productiever als de werkweek korter wordt.

Medium myth flexwerk

Mythe 10: flexibilisering van de arbeidsmarkt is goed voor de economie

‘De Nederlandse arbeidsmarkt zit op slot’, klinkt het al jaren. ‘Hervormingen’ moeten hier een eind aan maken. Onder het motto dat flexibilisering nodig is voor de economie en werkgelegenheid werd onder meer het ontslagrecht versoepeld, flexwerk gemakkelijker gemaakt, de WW verkort. ‘Nu zien mensen het nog als onrecht dat ze snel hun baan kunnen verliezen, maar uiteindelijk zal het een verworvenheid blijken die zorgt voor een veel lagere werkloosheid’, zei Nout Wellink bij zijn vertrek als president van De Nederlandsche Bank. De redenering is dat werkgevers eerder mensen aannemen als ze hen ook weer makkelijk kwijt kunnen. Bovendien maakt het bedrijven wendbaarder, en dat zou weer goed zijn voor concurrentiekracht en economische groei.

Bedrijven en de publieke sector sloegen de afgelopen jaren hard aan het flexibiliseren: werk outsourcen, meer tijdelijk personeel, uitzendkrachten, werken met ‘payroll-bedrijven’, de schoonmaak, bewaking en catering uitbesteden et cetera. Bij de Radboud Universiteit heeft inmiddels nog maar 26 procent van de vijfduizend medewerkers een vaste aanstelling.

Uit een onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) in 2006 blijkt echter geen positief verband tussen een flexibele arbeidsmarkt en een hogere economische groei. Dat wordt bevestigd door onderzoek van Ha-Joon Chang: in landen met een gereguleerde arbeidsmarkt is de groei hoger dan in landen met een ‘flexibeler’ arbeidsmarkt.

Bij bedrijven met veel tijdelijke werknemers is de arbeidsproductiviteit minder hoog, stelde arbeidseconoom Ronald Dekker van de Tilburgse universiteit vast. Wel logisch, vindt hij: er moeten steeds nieuwe krachten ingewerkt worden, mensen op een tijdelijk contract zijn de laatste maanden van hun contract vaak minder productief, en aanbesteding en inkoop bij andere bedrijven betekent dat er altijd geld aan de strijkstok van dat andere bedrijf blijft hangen.

Dit alles betekent overigens wel dat op korte termijn flexibilisering goed kan zijn voor de werkgelegenheid. Door een lagere arbeidsproductiviteit zijn er immers meer mensen nodig om hetzelfde product te maken. Dat kan een wens zijn, maar goed voor de economie is het niet, stelt Kleinknecht: het bruto binnenlands product stijgt niet en op termijn maakt het je minder concurrerend. Een flexibele arbeidsmarkt is bovendien slecht voor de innovatie, ontdekte hij. Personeel waar in geïnvesteerd wordt en dat zich verbonden voelt aan een bedrijf, draagt meer bij aan innovatie dan los-vaste mensen. Door meer flexwerk trekt Nederland bovendien laagopgeleide arbeidsmigranten aan.

Overigens is het de vraag of de Nederlandse arbeidsmarkt wel zo ‘op slot’ zit. De ‘baanmobiliteit’ is in Nederland bijvoorbeeld veel hoger dan je op grond van staatjes zou zeggen. Nederland kent relatief veel grote bedrijven en als je dan van baan verandert binnen het bedrijf telt dat niet mee als baanmobiliteit. Ook het cpb benadrukt dat de Nederlandse arbeidsmarkt veel flexibeler is dan vaak wordt aangenomen. gt;

Mythe 11: meer zekerheid voor zzp’ers betekent minder rechten voor werknemers

In discussies over werk gaat het vaak over ‘insiders’ en ‘outsiders’ op de arbeidsmarkt. Waarbij het, zo klinkt het dan vaak, aan de (rechten van de) insiders ligt dat de outsiders het zo slecht getroffen hebben. Wie de outsiders zijn wordt niet altijd benoemd: gaat het over zzp’ers? Over mensen met een tijdelijk contract? Over werklozen? Of over mensen met een laag loon, de zogeheten werkende armen? Hoe het ook zij, de redenering dat het aan de rechten van de insiders te wijten is dat de outsiders het slecht getroffen hebben, is een eigenaardige. Om zzp’ers meer rechten te geven is het niet nodig de zekerheden van werknemers te verminderen.

Het is sowieso populair om mensen tegenover elkaar te zetten: de werkgevers zetten bij de komende cao-onderhandelingen in op ‘een herverdeling tussen generaties’: het verminderen van de verworvenheden voor ouderen, ‘want dat is goed voor jongeren’.

Medium myth2

Mythe 12: een grote publieke sector is slecht voor de economie

Het was al een terugkerend thema en zeker tijdens de financiële crisis zwelt de mantra weer aan: de overheid leeft op te grote voet, de publieke voorzieningen moeten soberder. Er is echter geen enkel verband tussen de omvang van de publieke sector en de economische groei van landen. Scandinavië, met een prima economische groei en een grote publieke sector, is daarvan een helder bewijs.

Zeker, de publieke sector wordt betaald van belastinggeld en premies, maar er is geen relatie tussen een hoge ‘collectieve lastendruk’ (de optelsom van belastingen en premies) en de economische groei of de werkgelegenheid. De collectieve lastendruk is op dit moment 38 procent, oftewel van alles wat in Nederland verdiend wordt, gaat 38 procent naar de overheid om er publieke voorzieningen en uitkeringen waaronder de aow mee te betalen. In 1993 was de lastendruk 42 procent, en zowel groei als werkgelegenheid was er niet minder om.

Een van de argumenten tegen hoge premies en belastingen is dat ‘werken dan niet meer loont’ en mensen dan minder willen werken. Uit steeds meer onderzoek blijkt echter dat mensen hun keuze over hoeveel ze werken hier niet van laten afhangen (zie onder meer onderzoek van de belastingspecialisten Joel Slemrod en Jon Bakija). Bovendien hoeft de belasting niet eenzijdig geheven te worden op lonen, heffing kan ook op vermogen, milieuvervuiling et cetera.

Je kunt ideologisch voor of tegen een grote publieke sector zijn, je kunt ideologische opvattingen hebben over wat je liever in de markt organiseert en wat liever collectief, maar economisch maakt het niets uit waar iemand zijn of haar brood verdient. Er bestaat dus ook niet zoiets als ‘echte’ banen (markt) en surrogaatbanen (publiek).

Voor het draagvlak van de publieke sector en van overheidsuitgaven is vanzelfsprekend wel van belang dat het geld efficiënt en goed besteed wordt en mensen het gevoel hebben dat ze er zelf, direct of indirect, baat bij hebben.


‘Verdwenen’ mythes

Twintig jaar geleden schreef Mirjam de Rijk in De Groene Amsterdammer ook al een artikel over economische mythes. Veel van de toen genoemde leugens, halve waarheden en mythes bestaan nog steeds en komen in bijgaand artikel terug. Van sommige hoor je echter weinig meer. Een enkele keer omdat ze in de loop van de tijd vakkundig zijn doorgeprikt, maar vaker omdat ze inmiddels hun functie vervuld hebben: het beleid is aangepast en de mythe is overbodig geworden.

‘De hogere inkomens worden in Nederland zwaar gepakt’, was twintig jaar geleden een veelgehoorde mythe. Het Sociaal en Cultureel Planbureau had weliswaar berekend dat als je alle aftrekposten en belastingvrijstellingen meetelde de hogere inkomens niets te klagen hadden, maar de mythe deed haar werk: de belastingen voor hoogste inkomens zijn verlaagd van 72 naar 52 procent.

Je hoort tegenwoordig ook weinig meer over de ‘onbetaalbaarheid van de koppeling’, het koppelen van de hoogte van de uitkeringen aan het minimumloon. Dat komt onder meer doordat ontkoppeling als middel om de kosten van de uitkeringen te beperken minder van belang is nu de duur van de uitkeringen en de toegang tot uitkeringen sterk beperkt zijn (vier weken wachttijd, veel controles, soms verplicht onbetaald werk, mensen onder de 27 komen de uitkering nauwelijks in). Bovendien zijn door allerlei maatregelen de uitkeringen fors gedaald ten opzichte van de lonen. Ook over de ‘armoedeval’, de kans dat mensen die gaan werken er financieel op achteruit gaan ten opzichte van hun uitkering, hoor je daarom weinig meer.

Financiële argumenten zijn een nog sterkere rol gaan spelen in het werkloosheidsbeleid. Waar twintig jaar geleden reïntegratie vooral mikte op de langdurig werklozen richt die zich nu juist op de kansrijke werkloze: die komt sneller aan een baan en dat levert per reïntegratie-euro dus meer op.

Een andere mythe die twintig jaar geleden een belangrijke rol speelde in het politieke debat was dat er te weinig banen ‘aan de onderkant’ waren. Een mythe, omdat die banen er wel waren, maar werden ingenomen door hoger opgeleiden. Die ‘verdringing’ is anno 2015 alleen maar toegenomen, maar je hoort weinig meer over het stimuleren van banen aan de onderkant. Beleidsdiscussies gaan nu meer over het verdwijnen van banen van de middengroepen door robotisering.

Een heel andere mythe die je minder vaak hoort is dat economische groei goed is voor het milieu. Lang was de redenering dat milieumaatregelen en innovatie alleen betaalbaar waren en tot stand kwamen door economische groei. Omdat het milieudebat nu wordt gedomineerd door het klimaatprobleem, en energiegebruik rechtstreeks samenhangt met economische activiteit, hoor je niet vaak meer dat economische groei goed is voor het milieu.

Eind vorig jaar zei nota bene premier Mark Rutte dat de CO2-uitstoot juist was gedaald dankzij de economische crisis. In theorie hoeft economische groei overigens niet ten koste te gaan van het milieu, maar de economie is nog dusdanig gebaseerd op eindige grondstoffen, fossiele brandstoffen en uitstoot dat dit in de praktijk wel zo is.

Wat verder opvalt, is dat de taal iets van kleur is verschoten ten opzichte van twintig jaar geleden. Toen werd de taal meer ingezet als aanval (‘luiheidsstaat’, ‘doodknuffelen’, ‘Nederland is ziek’), om te bashen, nu wordt de taal eerder wervend ingezet: want wie is er nou tegen ‘vernieuwing’, ‘modernisering’, ‘concurrerend zijn’, ‘hervormen’ of ‘de realiteit’?