‘en een heleboel liefde’ (1) toneel

De openingszin van Tsjechovs De meeuw is berucht. Een Russische onderwijzer vraagt aan de ronddolende jongedame Masja waarom ze almaar in zwarte kleding loopt. Charles B. Timmer - door Koos Terpstra in deze Groningse enscenering opnieuw gebruikt - vertaalt deze zin aldus: ‘Waarom gaat U toch steeds in het zwart gekleed?’ Regisseur Pjotr Sjarov, die vlak voor en decennia ná de Tweede Wereldoorlog het patent had op regies van Tsjechov-stukken (en andere Russen) vroeg ooit op een eerste repetitie: ‘Wieso braucht man “gekleidet”? Steht nicht im Text. Da steht: “Warum gehen Sie im Schwarz?”’ De Russische taal is een tikje compacter dan het Nederlands. Aleida G. Schot en het duo Chiem van Houweninge & Ton Lutz hadden er minder woorden voor nodig. Respectievelijk: ‘Waarom draagt U toch altijd zwart?’ en: ‘Waarom loopt U altijd in ’t zwart?’ Het antwoord van de dolende Masja is overigens steeds vrijwel hetzelfde: ‘Omdat ik in de rouw ben om mijn leven.’ Een denkbaar motto voor Tsjechovs De meeuw.

De dramatische kern van het stuk vat Tsjechov samen in een brief aan zijn uitgever (1895): ‘Weinig handeling en een heleboel liefde’. Het stuk gaat niet lang daarna in de Russische provincie in première. Het schijnt dat de auteur zich reeds na het tweede bedrijf in zijn hotelkamer heeft teruggetrokken, om in een brief aan een familielid te zweren dat hij nooit meer voor het toneel zal schrijven. Het is de toneelleider en regisseur Konstantin Stanislawski die Tsjechov in 1898 overhaalt om het nog eens met De meeuw (volgens sommigen moet de titel eigenlijk 'n Meeuw zijn) te proberen. De voorstelling in Moskou (1898) wordt een publiekssucces. Niet voor de schrijver. Hij vertelt Stanislawski - die behalve de regie ook een van de hoofdrollen heeft - dat hij weliswaar is geïmponeerd door diens vertolking, 'maar U speelt niet wat ik heb opgeschreven!’ De meeuw speelt zich af in een vierhoek. Er is een beroemde actrice (Arkadina), haar zoon die een erkend schrijver wil worden (Kostja), diens vriendin die een gevierde actrice wil zijn (Nina), en de minnaar van Arkadina die reeds een volleerd schrijver ís (Trigorin). De handeling van het stuk speelt zich af op een landgoed aan een meer. De beginneling Kostja schrijft ingewikkelde toneelteksten ('nieuwe vormen’) voor 'zijn Nina’, Trigorin valt als een blok voor deze 'jeune première’, terwijl moeder Arkadina heen en weer pendelt tussen de partijen en het hoofd boven water probeert te houden. Het wonder van de enscenering van Koos Terpstra scharniert in eerste instantie rond de verhouding tussen de twee gearriveerde yuppen: de actrice Arkadina (Pleuni Touw) en de schrijver Trigorin (Redbad Klynstra). Trigorin wordt meestal wat oud en somber gecast. Maar Klynstra maakt van Trigorin een vroeg oud geworden jochie, afgekloven, zijn tanden stuk gebroken op de schrijfkamertraditie waarin hij groot is. Deze Trigorin - veel te jong gecast (maar Tsjechov schrijft leeftijden niet dwingend voor) - heeft in ieder geval twee scènes waarin hij magnifiek is. De eerste: de intieme ontmoeting met Nina, die hem het ultieme kunstenaarschap toedicht. In een kronkelende woedeuitbarsting ontkent de schrijver het beeld van de icoon waar hij voor wordt uitgemaakt. Hij wil het niet weten, hij wil het niet zijn. Trigorin schreeuwt zijn keel schor over de banaliteit van het schrijverschap. En tegelijk huilt hij hardop over de pijn van het schrijven als dagelijks werk. Ik heb deze scène - die meestal traag en vol melancholie wordt gespeeld - zelden zo woest geacteerd gezien. De tweede scène waarin Redbad Klynstra als Trigorin triomfeert is die met zijn minnares Arkadina. Die triomf ligt in het feit dat Klynstra in deze confrontatie - kern van de mededeling: oudere minnares wil aanzienlijk jongere minnaar voor zichzelf behouden, terwijl híj al lonkt naar een jonge hinde - bijna niets doet. Hier is het Pleuni Touw die alles wat ze nog overheeft aan verleidings- en overredingstactieken met verve uit de kast trekt. Ze kronkelt over het speelvlak, ze grijpt Trigorin aan zijn benen vast tot een moment dat het bijna schaamteloos en gênant wordt. Touw speelt hier een weergaloze waanzin-aria, Lucia di Lammermoor, aan de broekspijpen van een vroeg oud geworden losbol. Trigorin schudt haar van zich af. En je voelt als toeschouwer aan je water: die blijven uiteindelijk bij elkaar. Ze moeten alleen nog door een paar bergen puin van pijn heen wroeten. En precies daar gaat Tsjechovs stuk over.