‘en een kind en een seniel’

Huub Beurskens, Aangod en de afmens. Gedichten. Uitgeverij Meulenhoff, 63 blz., f32,90
JE WORDT ER onvermijdelijk aan herinnerd: aan de poezie van Gorter, Gezelle of Leopold, aan ‘het gouden zongezwier’ van de een, het ‘krinkelende winkelende waterding’ van de ander, of aan bijvoorbeeld de ‘steektakken in wringverwildering’ van de laatste. Want in Aangod en de afmens, de inmiddels negende dichtbundel van Huub Beurskens, vind je het ‘onmelkbaar gloeiend gouden vervloeien’ van koeieruggen, je hoort er ‘klanken van vergindsend dorpsplein’, waar een feest gaande is en sprake is van ‘schuimwijnoverschuimen’, en op een terras is er van ‘heuvelnachteiken bladstille bosjes bladzilverblaren’ het voortgekabbel te beluisteren.

Alsof dit sterk aan de impressionistische poezie herinnerende idioom nog niet voldoende is, staat in de toelichting achterin de bundel dat nogal wat gedichten zijn ontstaan onder invloed van de muziek van Ibert, Roussel en Debussy, wordt in een gedicht gerefereerd aan Prelude a l'apres-midi d'un faun van de laatste, maar in weer andere ook aan de schilderkunst van Manet en Monet, terwijl het motto voorin van de negentiende eeuwse priester/dichter Gerard Manley Hopkins is, een dichter van lyrische natuurpoezie die wel enigszins aan het werk van Gorter of Gezelle doet denken.
EN TOCH, Beurskens een neo-impressionist? Een dichter die welbewust teruggrijpt naar een eerdere periode uit de literatuurgeschiedenis? Het wil er bij mij niet in. Dat zijn werk bij oppervlakkige beschouwing aan de impressionistische poezie herinnert, valt niet te ontkennen, maar bij Gorter vindt men nergens ‘de opwelling van mijn opzwelding’ of iets wat er in de verste verten ook maar op lijkt; Gezelle zou nimmer 'kwijlend verwijlen bij schijn die niet schijn scheen’; en Leopold valt nooit te betrappen op het verlangen naar een eigen leven 'in de voor mezelf ontoegankelijke ingewikkeldheid/ van mijn ingewanden’. Beurskens schrijft met andere woorden heel fysieke poezie, waarnaast die van de impressionisten ijle, geparfumeerde sierlijkheid wordt. Beurskens’ poezie ruikt anders. Heel anders.
Wat betreft de directe verwijzingen: ik geloof niet dat Beurskens aansluiting zoekt bij een bepaalde traditie, maar veeleer dat hij de kunstenaars uit die traditie bij hemzelf laat aansluiten. In zijn essaybundel Buitenwegen (1992) schreef hij bijvoorbeeld over een gedicht van Hopkins dat het er niet om gaat wat de dichter met zijn woorden uitdrukt - de statische, dogmatische, katholieke ideologie - maar om hoe Hopkins daaraan uitdrukking geeft. 'Als we ervan uitgaan dat de woorden in een gedicht geen middelen zijn waarmee de dichter ons iets duidelijk wil maken, maar dat in een gedicht woorden en thema samenvallen’, zo schreef hij, dan blijkt het in het geval van Hopkins te gaan om iets dat tegengesteld is aan het statische katholicisme, om 'een dynamisch verhaal over dynamiek, over het al bewegend en metamorfoserend onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, samenvallen van het concrete, het aardse en het geestelijke of hogere’. Het gaat er Beurskens niet om of deze interpretatie literair-historisch verantwoord is, maar dat dit precies is wat hem nu juist in Hopkins zo aantrekt.Omdat het precies is wat hij zelf in zijn poezie doet, het precies is waar zijn geheel eigen ontwikkeling hem heeft doen uitkomen. Dat die ontwikkeling begon bij de streng-hermetische, kale, uitgebeende poezie van bundels als Blindkap (1975) en Cirkelgang (1978) klinkt nog door in die opmerking over de woorden die geen middel zijn om iets mee te delen (een 'hermetisch’ of 'autonomistisch’ standpunt, inderdaad). En als Beurskens gaandeweg steeds meer een dynamisch verhaal over dynamiek is gaan vertellen, dan is dat minder zichtbaar in wat hij zegt dan in hoe hij het zegt.
'Kunnen we ooit wel anders dan met lede ogen/ aanzien al het bloeien in en om ons heen? Of/ kijken we verkeerd; tegen de wereld aan/ in plaats van ons kijken erin te laten verkeren/ en er tussen de vormen in in mee te gaan?’, zo vraagt hij zich op een gegeven moment af, en het is minder een vraag dan de formulering van een verlangen. Het kijken in de wereld laten verkeren in plaats van steeds tegenover en dus buiten die wereld te staan.
WAT HIJ daarmee precies bedoelt, wordt echter pas duidelijk wanneer je bijvoorbeeld het gedicht 'Gebed’ leest. Het opent met de formulering van het verlangen: 'Laat me opgaan in van zomerlicht sprankelende/ spikkelingen. Laat me liggen, alleen, gestrekt,/ langs de stortbeek, op witte kiezelingen, waar die/ almaar in wording een snel stromend riviertje is.’ Maar duidelijker nog staat het in de duizelingwekkende regels over de verschillende manieren waarop het licht zich presenteert. Nu eens: 'Grijsgroen als gewording op eikestammen/ van mosplekken en allemaal zonlekkende/ eikebladdonkertes erboven en eromheen’, dan weer als: 'Glinsterspinsels tussen over water hangende/ halmen; turkooizen libellevleugels, zwart gestipte,/ vermeden eraan te blijven plakken, maar dwarrelen// dan plots de hap van een sprongzalm in opdat zich/ de dag even volkomen zachtroze gespikkeld bleekwit/ uit klaar uit elkaar spattend beekwater verscheen.’
Hier wordt niet zozeer opgetekend wat er te zien valt, maar ontstaat pas al schrijvend wat wordt, wat in wording is. De titel 'Gebed’ slaat zo bezien niet alleen op het haast religieuze verlangen tot eenwording met de natuur, maar ook op het 'gebed’ zijn, het 'in de bedding zijn’. Het gedicht zelf wordt zo gaandeweg 'het schierschier eeuwig jong riviertje’ waarin de dichter zit te kraaien van de pret, 'en peddelt met zijn handen,/ om vooruit te komen allerminst maar omwille van/ het plezier in de vorming van bruisende sluiers.’ Beurskens wil allerminst mededelingen doen; hij wil zijn. Niet alleen maar in de rivier, maar als de rivier. 'En een kind en een seniel’, zoals hij schrijft.
KAN DAT? Nee, dat kan niet. 'What you look hard at seems to look hard at you’, zo luidt het motto van Hopkins. Men kan er als mens nu eenmaal niet niet zijn, en als men er is, staat men onmiddellijk ook tegenover de wereld en die wereld tegenover ons. Men denkt nu eenmaal, heeft nu eenmaal bewustzijn, reflecteert op wat gebeurt. Anders zouden wij er niet zijn en op- maar vooral ook ondergaan in de wereld. Dat geldt ook voor de constatering dat de essentie van ieder mens uiteindelijk het hem dragende lichaam is. Habeo corpus, ergo sum, zo lijkt Beurskens steeds te zeggen, maar als je daar te lang over nadenkt, stuit je vanzelf op 'dat weee zich bij voorbaat/ herinnerende voorvoelen van de fatale onmogelijkheid/ het gloeien van datzelfde voorvoelen eindelijk/ eindeloos te bekoelen.’ Op de eigen dood. Het samenvallen van het aardse en het hogere leidt uiteindelijk tot de paradox die Beurskens in het gedicht 'Eigennijd’ humoristisch formuleert als jaloezie op het eigen inwendige lichaam. 'Ik wou ik was mijn eigenste poliepen’, zo begint hij, om te eindigen met: 'Maar buiten moet ik blijven. O, verteerd word ik/ van afgunst. Al dat vertier, ik ga het bestrijden/ of ik keer me er volledig van af; straks/ wordt me mijn benijden nog het graf.’
Zo blijft dan alleen het verlangen over, uitgedrukt in die meanderende zinnen waarin het almaar bewegende van het leven als beweging gestalte krijgt, maar tegelijkertijd als gedicht stil en eenzaam op de pagina ligt. Het is een religieus verlangen, maar zonder 'een ene leer, een ene Heer’, het verlangen van een 'godsdienstgodafvallige’, zoals het in 'Aangod’ heet. Maar het is ook een aards verlangen, zonder dat dit leidt tot de 'afmensdienst’ die de tv dagelijks met zijn 'gemaakt begeind gebekketrek’ ons opdringt om zo ieder verlangen naar iets hogers, iets metafysisch toch, te doden of dan toch althans te verdoven, zoals het in een geengageerd gedicht over Pasolini heet. 'Houden we ons dus aan het leven. Geen gewezenen,/ aanwezig willen we er zijn.’ Aanwezig als beweging, verandering, metamorfose, zintuiglijkheid, als de duizelende en tegelijk wat griezelige genieting die je overvalt bij het lezen van Beurskens’ poezie en die je, met alle dubbelzinnigheid van dien, als Beurskens doen denken: 'Verlaat me nimmer, maar onder zulk soort/ teisteringen, goddomme, laat me, laat me alleen:/ eenzaamheid, geloof me, eenzaamheid,/ geloof ik, eenzaamheid is er dan geen.’