Lucebert en zijn oorlog

‘En, heb je mijn moffenbriefje gelezen?’

In 2018 vond Lucebert-biograaf Wim Hazeu een stapel brieven aan jeugdvriendin Tiny Koppijn die de dichter in een nazi-sympathiserend licht zette. Maar moeten die brieven niet heel anders gelezen worden? vraagt Graa Boomsma, Schierbeek-biograaf.

Lucebert, ca. 1949

Op de vroege vrijdagochtend van 4 juni 1943 vertrok de achttienjarige Bertus Swaanswijk, die zich na de oorlog Lucebert ging noemen, per trein naar Wittenberg in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Zijn Duitsgezinde vrienden Wim Kraaijkamp – de oudere broer van Johnny – en Hans van der Zant (die zich weer later Hans Andreus zou noemen) waren hem voorgegaan. Kraaijkamp werkte al vanaf 4 januari 1943 vrijwillig als kantoorbediende in een vliegtuigfabriek in Dessau, Andreus schreef zich op 30 maart vrijwillig in bij de Meldungsstelle van het SS-Ersatzkommando op de Dam.

Bertus Swaanswijk was eind maart 1943 nog met de zeventienjarige Andreus meegegaan naar het SS-kantoor, maar was op het laatste moment toch het kantoor uit gelopen. Hij werkte toen al niet meer als fotoretoucheur bij Cinéfoto op Spui 4, maar op het door de Duitsers ingestelde Rijksbureau voor het Hout op Herengracht 136.

Op 6 mei 1943 verordonneerde de bezetter dat alle mannen tussen de achttien en 35 zich bij het arbeidsbureau moesten melden voor uitzending naar Duitsland. Jaargang 1924 was op 29 mei aan de beurt, maar Bertus had al een dag eerder kosteloos – het arbeidsbureau betaalde – zijn paspoort aangevraagd. Onderduiken bij zijn oudere broer Henk in de Staatsliedenbuurt was uitgesloten. Bijna een halve eeuw later, in september 1992, zei Lucebert tegen de Hamburgse kunstkenner Jens Christian Jensen: ‘Die kantoorklerk van een broer was communist. Ik weet niet of hij lid was van de partij, maar hij sympathiseerde ermee en hij stond in verbinding met het ondergronds verzet. Maar ik haatte hem… (lacht), en thuis had ik constant ruzie met mijn vader. Ik dacht: ik ga ervandoor. Wat kan me gebeuren? Het avontuur – het huis uit.’

Het interview is opgenomen in Lucebert, schilder, 2001. De Duitsers hoefden Lucebert dus niet op te halen.

Tot zover niets nieuws. Bertus’ pro-Duitse houding én zijn vrijwillige vertrek oostwaarts waren al bekend sinds 2004, toen Peter Hofmans biografie over de jonge Lucebert uitkwam: lichtschikkend en zingend. Die houding kreeg echter een afschuwelijk zwartbruine kleur toen de biografie Lucebert van Wim Hazeu in februari 2018 uitkwam. Hazeu citeerde uit de brieven die Bertus in 1943 en 1944 vanuit Wittenberg/Apollensdorf én vanuit Amsterdam (waar hij half mei 1944 naar terugkeerde dankzij een medisch attest) aan zijn ex-collega en vriendin Tiny Koppijn in de Indische Buurt stuurde.

Voor het juiste begrip van de Koppijn-Swaanswijk-correspondentie is het van groot belang te weten wie Tiny Koppijn precies was. Hazeu schrijft over haar: ‘Zij was geboren in 1925, in dezelfde septembermaand als Bertus, en was de dochter en enig kind van de Amsterdamse pianostemmer Piet Koppijn en zijn vrouw Gerarda [Bijvank]. Na haar eindexamen van de hbs was zij in de fotozaak gaan werken. De eigenaar had haar tekentalent opgemerkt.’ (p. 55)

Op haar kamer filosofeerden zij en Lucebert over het leven en hun liefde voor (Duitse) boeken. Ze had een vriend gehad, maar die was gesneuveld aan het oostfront toen zij zeventien was, aldus Hazeu, die alleen afging op informatie van Koppijns dochter Mirella A. Satoor de Rootas-Koppijn.

Eerst een correctie. Tiny (Albertine) Koppijn was namelijk niet in september 1925 geboren maar op zondag 28 september 1924. Zij was dus dertien dagen jonger dan Bertus Swaanswijk. Haar vader Piet Koppijn (1886) werkte al vanaf 1912 bij de pianofirma G.A. Goldschmeding, Raadhuisstraat 46-50. Het gezin Koppijn woonde op Javastraat 161, tussen de Celebesstraat en de Sumatrastraat, het deel met de grootste concentratie Amsterdamse nsb-leden halverwege de Tweede Wereldoorlog. Het gezin Bakker op Javastraat 78 III – 170 meter verderop, dichter bij de Sumatrastraat – vormde een van die vele nsb-gezinnen in dat deel van de Indische Buurt. Vader Joost Bakker (1905) kwam uit West-Terschelling, werkte vanaf 1924 als kraandrijver in Amsterdam, trouwde in 1933 met de Beierse Babette Saam (Erlangen, 1902) en echtte haar zoon Kurt Rudolf, geboren in december 1923. Joost Bakker was niet alleen nsb-lid maar ook actief als WA-man en nsb-hulppolitie, dat wil zeggen jodenjager.

Kurt Rudolf Bakker was Tiny’s buurjongen en hoogstwaarschijnlijk die gesneuvelde jeugdvriend. Kort na de Duitse inval in de Sovjet-Unie vertrok hij als Waffen-SS-soldaat naar het oostfront, waar hij in januari 1943 stierf in Nove Aleksandrovo (toen Sovjet-Unie, nu Polen), noordelijk van Bialystok. Dat bericht drong pas maanden later tot de Koppijns op Javastraat 161 door. Op donderdag 27 mei 1943 stond in de nsb-krant Het Nationale Dagblad dit bericht over de Rottenführer in de Standarte Westland: ‘In de strijd tegen het Bolsjewisme heeft den Heldendood gevonden onze innig geliefde eenige Zoon.’ Twee weken later stond hij boven aan de wekelijkse lijst gesneuvelden in het SS-weekblad De storm.

De advertentie in Het Nationale Dagblad was van 27 mei. De volgende dag, één dag vóór de oproep van 29 mei, was Lucebert al op het arbeidsbureau om zijn paspoort aan te vragen. Toeval? Een bevlieging? Impulsiviteit? Of bestaat er een direct verband tussen de dood van Koppijns Waffen-SS-vriend en het vrijwillige vertrek van Bertus Swaanswijk naar Duitsland?

In zijn Lucebert-biografie schrijft Hazeu over Koppijn: ‘Tiny zou zich kunnen afvragen of [Lucebert] van plan was zich te melden voor de Waffen-SS of het Vrijwilligerslegioen Nederland (het VLN was in maart 1943 bij de Waffen-SS ingelijfd – gb). Haar eerste vriend sneuvelde aan het oostfront toen zij zeventien [achttien] was. Zij had er veel verdriet van gehad. Pro-Duits was zij niet, maar de jongen had zij niet kunnen tegenhouden. In een brief van 19 november 1943 kon Bertus haar geruststellen: hij zou zich niet melden. Maar Tiny mocht dat aan niemand vertellen, noch de reden waarom.’ (p. 101-102). Die reden was een zenuwinzinking.

De combinatie ‘niet pro-Duits’ én het hebben van een SS-vriend vond ik al problematisch tijdens het lezen van de biografie van Hazeu. Wilde Tiny Bertus Swaanswijk wérkelijk tegenhouden om bij de Waffen-SS te gaan omdat hem dan hetzelfde zou kunnen overkomen als haar eerste vriend?

Tiny Koppijn in de oorlog

Die vraag kon ik alleen beantwoorden als ik zelf de brieven integraal te lezen kreeg. De eerste acht brieven wilden de Erven Koppijn mij niet ter inzage geven – wat heeft men te verbergen? De andere kreeg ik in kopievorm van Henny Swaanswijk, dochter van, nadat ik op 5 mei 2020 onbekende poëzie van Lucebert had ontdekt bij Michiel Schierbeek thuis: vaarwel. achtergelaten gedichten. Ik werkte toen aan mijn Schierbeek-biografie Niemand is waterdicht, die op 9 juni uitkomt, Schierbeeks 25ste sterfdag. Schierbeek en Lucebert – Bert en Bertus – waren vanaf de herfst van 1948 bevriend en deelden lief en leed in het leven en in de literatuur.

Mijn verbazing was groot toen ik in Luceberts brief van 19 november 1943 las dat Tiny het juist zeer sterk zou betreuren als hij zich niet bij de Waffen-SS aansloot, zoals Wim Kraaijkamp, Hans Andreus en haar SS-vriend wél hadden gedaan: ‘Ik wil niet, lieve Albertine, klagen over mezelf, doch ik vrees zo dat je een verkeerde indruk van mij krijgen zal. Ik weet wat je verwacht, ik meld mij vrijwillig bij de Waffen-SS (geschreven als twee bliksems – gb) of bij het legioen, en daar je nu niets van mij hoort als zo nu en dan een opgeblazen, opgewonden brief zal het je, zacht uitgedrukt, teleurstellen.’ Zij wilde dus al lánger dat hij zich bij de Waffen-SS aansloot.

Speelde Lucebert een provocerend spel met woorden? Geloofde hij zelf in zijn woorden?

Hazeu meende dat Bertus Swaanswijk Tiny Koppijn geruststelde door niet bij de SS te gaan, maar in Bertus’ brief staat het tegenovergestelde: zij was welhaast ontgoocheld nadat ze hem zo had aangespoord. Hazeu schildert Tiny Koppijn dus positiever af en Lucebert negatiever. Waarom?

Nadat hij haar in de brief van 19 november 1943 had laten weten dat hij zich níet zou aanmelden probeerde Bertus het zogenaamd goed te maken en praatte hij haar als ‘strijdend dichter’ propagandistisch naar de mond, loze lippendienst om te laten zien dat het hem, SS-weigeraar, echt niet aan ‘overtuiging’ schortte. Het zijn hoogdravende, zelfs hysterische en stuitende zinnen, die Hazeu niet citeert maar die Tiny Koppijns ‘niet pro-Duits’-houding andermaal ernstig compromitteren. Bertus schrijft: ‘De welorganische, door germaansche geest naar volmaaktheid gedreven staat zàl gegrondvest worden, bezegeld met het lijf en zielebloed van door alle eeuwen heen in zelfde onverzettelijkheid strijdende dichters en soldaten. Ik kan je hieromtrent niet genoeg geruststellen, dat het geloof en de wil tesamen zegevieren. Er zijn genoeg volkeren, rassen die een wil, een harde doelbewuste wil bezitten, maar géén ras, géén volk heeft zo’n godgegeven geloof als òns ras, òns volk, doch zij die het dichtst aan het heftige idee volk, door de idee gedragen hart van de wereld, leven en willen, die hebben het het meest, het zwaarste te verduren. Géén Godbegenadigd kunstenaar en denker lijft zoals de Germaansche. Dit zegt veel, maakt ons weemoedig doch trots tegelijk! Je vriend, in trouw, Sieg Heil!’

‘Ons!’ Méénde de negentienjarige Bertus Swaanswijk dat allemaal oprecht of praatte hij haar – zijn muze aan wie hij in 1944 Duitstalige gedichten wijdde – alleen maar naar de mond? Was het pose van een postpuber, een uiterst gevaarlijke en roekeloze pose? En waarom liet Tiny Koppijn, volgens haar dochter ‘niet pro-Duits’, zich die praatjes allemaal aanleunen? Of was ze het ermee eens?

Het kan niet anders. ‘Ons’ suggereert een band. In een brief van 29 juli die Hazeu citeert (een van de acht brieven die ik niet mocht lezen van de Erven Koppijn) reageerde hij een paar keer instemmend – ‘inderdaad’ – op wat Tiny Koppijn schreef. Hij beaamt vreselijke visies: ‘Inderdaad, een groot gedeelte van ons volk is verwekelijkt, is verjoodst, is ontaard, doch een reden te meer om te vechten voor de zuivere kern die er ongetwijfeld nog in aanwezig is. Weet je wat Adolf Hitler heeft gezegd: Het Nederlandse volk is een schitterende parel in de kroon der Germaanse volken. Geestelijk hebben de Joden bij ons niet meer invloed gehad dan bijv. hier in Sachsen.’ (Hazeu, p. 88)

Het woordje ‘ons’ valt vaker: ‘onze führer’, ‘onze stameigenheid’. Iemand die in een brief zo wordt toegesproken én zogenaamd niet pro-Duits is, kan maar één ding doen: hem stevig van repliek dienen en dan de briefwisseling verontwaardigd afbreken. Dat deed ze niet.

Moet de lezer écht helemaal geloven wat de jonge Bertus Swaanswijk schreef? Waarom richtte hij zich dan in diezelfde jaren op een sterk afwijkende toon tot zijn andere Amsterdamse vriendinnen, Corrie Bakker en Ria de Boer, die hij voor zich zag als jonge vrouwen met wie hij zijn toekomstige leven zou kunnen delen?

Een paar keer stelde hij tegenover Koppijn zijn eigen geloofwaardigheid aan de orde. Op 4 september 1943 gaf Bertus toe dat zijn brieven theatraal en verward waren, ruggengraat misten en dat er eerlijkheid en logische woordvolgorde (om abstracte zaken te behandelen) aan ontbrak. ‘Doch in hemelsnaam, deze gebreken bestaan overeenkomstig mijn innerlijk wezen, dat steeds aarzelend is tussen hoog en laag, sterk en zwak, eerlijkheid en leugen, drift en bezinning, slik ze en hoop dat er in de brij ook wel wat goeds kan zijn.’ (Hazeu citeert tot hier, p. 95). Als hij maar één woord schreef, vervolgde Bertus, dat haar een beetje zou helpen en haar ‘dichter bij de hoogste deugd’ bracht, dan zou hij blij zijn ‘want dan heeft ons samenzijn en onze briefwisseling nut gehad, dan heb ik gewerkt, “indruk” gemaakt.’

Brieven schrijven – en poëzie schrijven – om indruk te maken, dát was zijn allereerste bedoeling: ‘iets aan mijn omgeving ten gunste van alles wat voornaam en schoon is veranderen, aansporen, aanvuren, krachten tot een maximum opvoeren, iemand uit zijn veilige huisje halen en hem onrustig maken met veel ongewone en idealistische gedachten’.

Het zijn de hoogmoedige woorden van een piepjonge romanticus, een ontheemde opportunist en wankelmoedige en angstige jongeman, een politieke naïeveling en een warhoofd dat vol zat met Nietzsche’s Also sprach Zarathustra, Dante en Duitse poëzie. Bertus Swaanswijk was midden in de oorlog nog lichtjaren verwijderd van Luceberts zeer eigen poëtische toon die eind 1948 opklonk in minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia.

Het lukte Lucebert in april 1944 – een klein wonder – om zich te laten afkeuren voor de arbeidsdienst. Halverwege mei 1944 keerde hij terug naar Amsterdam. Op 21 mei schreef hij aan Ria de Boer dat zijn ziel ziek was en of zij hem misschien een ‘helpende zielehand’ kon bieden, zodat hij van een ‘kwade innerlijke onzekerheid’ en ‘een of ander waandenkbeeld’ verlost werd en weer vrijer met mensen kon omgaan. (Hazeu, p. 109). Was dat waandenkbeeld zijn Duitse gezindheid?

Aan ‘lief wicht’ Tiny Koppijn vroeg hij op 7 juni achter op een ansichtkaart iets heel anders dan hulp: ‘Gaarne had ik m’n al te kostbare boeken terug, lieve kind, je had ze mogen houden in het geval dat ik sneuvelde of te grote uitwassen om en op het hoofd krijgen zou, dat alles is niet gebeurd, en je weet, alle dingen des aardschen bestaans laten mij onverschillig, alleen voor boeken ga ik door vuren gevaren. Bitte, bitte, schraap het zootje wat bijeen, woensdagavond komt m’n vaêr het afhalen, ik ben n.l. ziek geworden en ben bedlegerig, in dank, Lübert.’

Luceberts naoorlogse poëzie volgde op een noodzakelijke afbraak van zijn ‘oorlogs­ego’

Het briefcontact tussen Bertus Swaanswijk en Tiny Koppijn verwaterde in Amsterdam en werd steeds eenzijdiger. Bertus schreef haar lange brieven in het Duits en gedichten voor haar, onder andere het Gorter-achtige Der Pan und das Menschenkind (in Luceberts pas verschenen bundel vaarwel. achtergelaten gedichten staat een Pan-gedichtencyclus). Hij bedelde om schriftelijke reacties van Tiny Koppijn, die haar zomervakantie van 1944 op de Veluwe doorbracht, maar brieven en kaarten van haar kwamen mondjesmaat. Bertus moest onderduiken bij zijn broer Henk, Fagelstraat 100 III, in de buurt van de Nassaukade. Henk Swaanswijk herbergde ook een Engelse piloot.

Dolle Dinsdag (5 september 1944) brak uit, de geallieerden rukten op vanuit het zuiden en de nederlaag van nazi-Duitsland leek nabij. In diezelfde maand schreef Bertus Tiny Koppijn in het Duits: ‘Ist es nicht traurig zu sehen, wie das Dritte Reich langsam zusammen bricht?!’ (Hazeu, p. 113, laat het uitroepteken weg). Waarom zou dat ‘traurig’ zijn voor Tiny, die zogenaamd niet ‘pro-Duits’ was? Hazeu interpreteert die zin als een ‘mismoedig, teleurgesteld terzijde’ dat ‘beinahe hoffnungslos’ werd ondergaan. Maar contextueel gezien is die zin helemaal geen terzijde, want er volgt niet mis te verstane Duitse taal die het ‘welhaast hopeloze’ weerspreekt, en ook nog eens in de wij-vorm: ‘Jedoch, verlieren wir den Mut nie! Und streiten wir, sei es auch einsam [Tiny’s vrienden keerden zich van haar af, blijkt uit andere brieven] und beinahe hoffnungsloss, weiter bis Ziel und Sieg. Wir Germanen haben eine lange, tiefe Seele, einem langen, tiefen Blick darin, wir fassen uns ja jeden Tag in Geduld, dem jeden Tag birgt für uns eine Seeleprobe und ruft unsere reinen Blick wach. Wir leben tief. Wir kämpfen lang, wir siegen gross!’ Na dat slotwoord is een inkeping te zien, dat wil zeggen: er zijn twee woorden weggeknipt. De bovenkant van de hoofdletter S en de onderkant van de g zijn nog zichtbaar. Daar stond ongetwijfeld ‘Sieg Heil’. Wie heeft daar de schaar gehanteerd en met welke gedachte? Wat viel er te verbergen?

Bertus Swaanswijk probeerde Tiny te troosten, op te beuren ten tijde van de onherroepelijk naderende nederlaag der nazi’s. Op 28 september 1944, na de mislukte geallieerde aanval rond Nijmegen en Arnhem (Operatie Market Garden) schreef hij deze opwekkende woorden aan haar, andermaal in het Duits en in de wij-vorm: ‘Bleiben wir doch immer im Gedanken zusammen und arbeiten wir beiden an die Auferweckung des deutschen Volkes und die Idee der vereinigten germanischen Völker: Das Reich. Dein Lübert J. Swaanswijk.’

Wat wilde Bertus Swaanswijk met zijn brieven aan Tiny Koppijn bereiken? Op 21 mei 1944, pas terug uit Duitsland, had hij Tiny Koppijn over zijn recente wederwaardigheden geschreven. ‘Je weet nu hoe ik reil en zeil, voor ’t overige, lieve vriendin, doe ik al mijn best voor jou voor ’t leven een duurzame illusie te verschaffen. Een kunstenaar kan voor den medemensch niets beters doen.’ Voor de kunst was hij klaar, schreef hij in augustus in het Duits aan Tiny Koppijn ‘als Mensch desto weniger’. (Hazeu, p. 113). Een kunstenaar in de hoogste zin steeg uit boven virtuositeit en ervaring en hoefde niet te triomferen in de wereld of voor de literaire kritiek. Bertus, al bezig met zijn nietzscheaanse gevecht tussen afgrond en luchtmens, wenste de Godenberg te beklimmen om daar ‘hoch und kühl’ te leven: ‘Verstehst du jetz, liebe Freundin, meinen Streit. Überwindung des niedrigen Menschen in mir heisst es! Des Gott geworden Ichs teilhaftig, dar ich mich ohne Bedenken der reinsten Muse ergeben.’ In welke rol zag Lucebert zijn vriendin? Zij moest maar proberen hem ‘empor zu heben’, dat wil zeggen op te tillen naar de Olympus, want ‘du leistest damit dem Vaterlande und dem Reich einen nicht unwichtigen Dienst’.

Dat ‘Reich’, bezig om ten onder te gaan, kwam in de herfstmaand (september) van 1944 wéér terug. De tijden, na Dolle Dinsdag, waren ‘trüb und uns nicht vorteilhaft’. Wat te doen tegen de ongekende chaos en het uitdovende vuur van het geloof? Lucebert beantwoordde die vraag met hyperbolische heftigheid en sloot af met een merkwaardige zin: ‘Hier, hier blüht der Glaube und ich brenne! Ware die ganze Welt ein kalter roter Stein, ich brenne! Sind auch alle Herzen zugefrohren, ich brenne! Ich beschwöre auch: solange einer lodert, kann keine Liebe, keiner Glaube, kein Reich untergehen. Hab ich denn richtig gesprochen!’ De laatste zin vat ik op als: bevalt het je wat ik hier opschrijf over het geloofsvuur dat ‘das Reich’ overeind kan houden? Leverde hij weer illusies en lippendienst, oefende hij zich in de epistolaire kunst of méénde hij nog steeds wat hij zei? Want aan Corrie Bakker en Ria de Boer schreef hij in die maanden heel anders. Hij paste zich aan zijn nogal uiteenlopende correspondentievriendinnen aan. Aan Ria en Corrie schreef hij gewoon in het Nederlands en sprak hij met geen woord over een geweldig Duits Rijk.

Hazeu schrijft ten onrechte dat Lucebert na zijn terugkeer in Amsterdam halverwege mei 1944 louter persoonlijke levensdoelen nastreefde ‘los van elke politieke context’ (p. 114) omdat er een andere tijd zou zijn aangebroken. Vreemd genoeg slaat hij Bertus’ dubbelzinnige en provocerende politieke opmerkingen van na mei 1944 over. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is het briefje van 3 oktober, dat Hazeu bijna integraal citeert (p. 114). Bijna, want deze ogenschijnlijk raadselachtige zinnen slaat hij over: ‘En, heb je m’n “moffenbriefje” gelezen? Aanvaard je, na den Putte-pijn nog wel een “Sieg Heil”?’ Alsof hij haar met de Hitlergroet opzettelijk een plezier wil doen. Of bedoelde hij het pesterig? Het moffenbriefje slaat op Luceberts Duitse brief van eind september. Maar wat kan ‘Putte-pijn’ betekenen? Daarnaar op zoek stuitte ik op een gedicht van de zeventiende-eeuwse dichter Jacob (Vader) Cats: ‘De vreugt, die binnen mij ontspringt,/ Oe putte pijn, die mij bedwingt.’ In de put zitten dus. Maar toen ik naar de datum keek, 3 oktober, drong er een historisch feit tot me door. Lucebert schreef zijn brief – waaraan hij het aan Koppijn opgedragen gedicht Een Venus blond, met die ik wandlen wil toevoegde – één dag na het wegvoeren van 659 mannen uit Putten naar kamp Amersfoort. Dat was de straf voor de aanslag van het verzet op een Duitse militaire auto op 30 september/1 oktober. Het verzet ontvoerde een gewonde Duitse officier, waarna er al snel een genadeloze razzia in Putten begon, een jacht op alle mannen. Meer dan zeshonderd Puttenaren kwamen om in concentratiekampen.

‘En, heb je m’n “moffenbriefje” gelezen? Aanvaard je, na den Putte-pijn nog wel een “Sieg Heil”?’ Aan het slot van zijn briefje had Lucebert nóg een vraag voor haar: ‘Schrijf je gauw of word je kwaad op mij?’ Kwaad om het provocerende moffenbriefje of het treiterige ‘aanbod’ van de Hitlergroet? En waarom de term ‘moffenbriefje’? Speelde Lucebert een doortrapt spel met Tiny Koppijn, die volgens hem te sporadisch reageerde op zijn brieven en kaarten? Duidelijk is dat de moffenbriefje-zin haaks staat op het ‘niet pro-Duits’ zijn van Tiny Koppijn.

Door het lezen van Luceberts veertig brieven en kaarten aan Tiny Koppijn én mijn onderzoek naar wie zij was, waar zij politiek stond en met wie zij omging, ben ik anders, minder zwart-wit, gaan denken over Luceberts houding in de Tweede Wereldoorlog. Een onderzoek naar Luceberts correspondentievriendin was nodig voor een completer begrip van de briefwisseling, want die bleek wel heel sterk gekleurd te zijn door de nazi-gezindheid van Tiny Koppijn (want door die geharnaste houding was ze zeer enttaüscht door zijn weigering zich bij de Waffen-SS aan te sluiten). Ik kan niet om de gedachte heen dat de jonge Bertus Swaanswijk zijn leeftijdgenote allereerst wilde paaien met prikkelend en abject proza dat perfect paste bij háár rigide partijkeuze in 1943 en 1944. En Bertus – al een beetje op weg naar de dichter Lucebert – oefende zich in het Duits, het brieven schrijven en in het leveren van duurzame illusies.

Nee, ik wil en kan Lucebert niet volledig schoonwassen. Nee, zijn antisemitische oprispingen (in een stuitende ‘grap’ gebruikte hij ‘onhandig’ en geforceerd het woord ‘podem’ in plaats van ‘ponem’) blijven walgelijk. Nee, ik wil zijn epistolaire instelling tegenover Tiny Koppijn niet goedpraten. Ik wil alleen een broodnodige nuancering aanbrengen die Bertus Swaanswijk in een ander licht zet. Tiny Koppijn blijkt veel zwarter (bruiner) te zijn en Lucebert heeft haar veel meer naar de mond gepraat en geprovoceerd dan ik dacht na lezing van de biografie van Hazeu. Speelde Lucebert een provocerend spel met woorden, waren zijn brieven vooral een dubieus gedachte-experiment van een ontluikende, romantische ‘Sturm und Drang’-dichter van nog geen twintig jaar? Gelóófde hij zelf wel in zijn woorden? Een moeilijk te beantwoorden vraag. In ieder geval zijn de brieven veel minder eenduidig dan Hazeu het doet voorkomen.

Het is te betreuren dat niemand mijn lectuurbevindingen kan controleren, omdat de brieven nog immer niet openbaar zijn gemaakt. Wat valt er te verbergen? Waarom mocht ik de eerste acht brieven niet lezen? Waarom bezit zelfs Lucebert-biograaf Wim Hazeu die niet? Voor een open, controleerbare discussie over de oorlogsbrieven van Lucebert is het alleen maar gezond als alle literair betrokkenen zonder restricties kunnen discussiëren over wat de jonge dichter in spe precies schreef. Het gaat om de reputatie van Lucebert, om wat de jonge Bertus Swaanswijk werkelijk bezielde.

In de Tweede Wereldoorlog nam hij een heel andere, passievere positie in dan bijvoorbeeld Günter Grass en Ezra Pound deden. Grass vocht vanaf 1944, toen hij zeventien was, mee in de 10de SS-Pantserdivisie ‘Frundsberg’, tot de Amerikaanse geallieerden hem in mei 1945 krijgsgevangen maakten en hij tot april 1946 in een Amerikaans kamp moest blijven. Die periode van 1944 tot 1946 verzweeg hij bijna zijn leven lang. Ezra Pound, dichter van de The Cantos, schreef in fascistische Italiaanse kranten en hield vanaf januari 1941 tot in 1943 antisemitische praatjes pro-Mussolini en anti-Amerika voor Radio Rome (‘American Hour’). Ook hij werd in mei 1945 door de Amerikanen gearresteerd en even buiten Pisa in een kooi opgesloten, waarna hem een proces wachtte wegens landverraad en hulp aan de as-mogendheden Italië, Duitsland en Japan.

In een interview met De Nieuwe Linie (‘Een mens is iets dat begonnen moet worden’, 15 januari 1966) sprak Lucebert andermaal over de afgrond en de luchtmens, over zijn opwaartse streven en de dreiging neer te storten. Ja, nietzscheaans gevaarlijk leven. Hij kende die beroemde zin in Nietzsche’s Also sprach Zarathustra: ‘De mens is een koord, geknoopt tussen dier en Übermensch – een koord boven de afgrond.’ In dat vraaggesprek had Lucebert het over het luisteren naar de werkelijkheid en dat ‘die je confronteert met jezelf. Confrontatie met jezelf betekent een afgrond induiken of een ladder opklimmen.’

Hij vond dat de naoorlogse cultuur die zelfconfrontatie niet mogelijk maakte en dat de oppervlakkigheid en ongevoeligheid het wonnen van authenticiteit. ‘Authenticiteit heeft te maken met oorsprong, oorspronkelijkheid. Dat “niets” kan je raken door jezelf los te laten. Pas als je er zelf niet bent, is er het zijn.’ Het geslaagde gedicht zag hij, in navolging van Bertolt Brecht (die hem in 1956 naar de ddr haalde), als een asociale daad en een inbraak, want het gedicht gaat ervandoor met de buit, met de meubels uit een huis en schept leegte.

Niets, er niet zijn, leegte… In de oorlog stuurde Lucebert ook brieven aan Tiny Koppijn vol citaten, onder meer van de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart. God was zelf ‘leeg’ toen hij de mensen schiep, meende Eckhart. Scheppende leegte was een bron van artistieke productiviteit. Bert Schierbeek, Luceberts levenslange vriend vanaf 1948, had het in zijn essay De tuinen van Zen (1959) over het ‘vormend vacuüm’.

Lucebert woonde een paar jaar bij Schierbeek in huis, wist dat Schierbeek als enige Vijftiger diep in het verzet had gezeten, was doordrongen van diens belezenheid in de existentiefilosofie (het probleem van zijn en niet-zijn) en leerde veel van zijn zes jaar oudere kompaan en publicitaire steun en toeverlaat. Het ‘ik’ diende eerst tot de grond toe afgebroken te worden voordat er iets nieuws gemaakt kon worden. Dat besef koesterde Lucebert. Zijn naoorlogse poëzie volgde op een noodzakelijke afbraak van zijn ‘oorlogsego’ en wérd daardoor iets geheel nieuws. Elk nieuw gedicht moest dus een inbraak zijn in hoofd en hart van de lezer, die al te geconditioneerd was in taal en letteren en al te goedgelovig en machtsgetrouw in het leven. De ware dichter was een ‘voorzichtige losbol’ die met ongekende woordkracht de macht uitdaagde, te kijk zette en ondermijnde. Dat was de ‘oorlog’ die Lucebert in en met de poëzie voerde.


Beelden: niet eerder gepubliceerd werk van Lucebert, uit de periode 1949 t/m 1951. De afbeeldingen hiervan en het portret van de kunstenaar Lucebert zijn afkomstig van Michiel Schierbeek/Eigendom Erven Schierbeek, copyright Erven Lucebert