En hilversum tobt voort

Het idee van de omroepverkiezingen was al snel afgeschoten. Had de commissie-Ververs verder nog iets bedacht om een fatsoenlijk publiek bestel mogelijk te maken? Welnee
DE COMMISSIE-VERVERS, die van regeringswege de opdracht heeft gekregen een nieuw omroepbestel te ontwerpen, bestaat uit vijf achtenswaardige heren. Een van hen was een blauwe maandag vice-voorzitter bij de NPS, een ander heet ‘mediapsycholoog’ (?) van beroep te zijn, en de drie anderen hadden nooit blijk gegeven van enige affiniteit met de problemen van radio en televisie. Deze club werd geacht een blauwdruk te ontwerpen voor ons publieke bestel.

Het resultaat is er dan ook naar: broddelwerk. Het kwam de omroepen uitstekend uit dat de commissie met het idee op de proppen kwam van omroepverkiezingen - een belegen idee, waarvan bedenker J. van den Heuvel (in het boekje Omroepverkiezingen uit 1971) zich al lang heeft gedistantieerd. Door zich ertegen te verklaren konden de omroepen gemakkelijk de aandacht afleiden van de werkelijke problemen. De nadelen van het plan zijn immers zo groot dat het onbegrijpelijk is dat de commissie dit idee uit de kast heeft durven halen. Het staat haaks op de door de commissie zo vurig bepleite samenwerking tussen omroepen en leidt tot verdere vervlakking van de programma’s.
Die bezwaren zijn juist, maar er is nog een ander bezwaar. Verkiezingen horen zich te beperken tot het kiezen van volksvertegenwoordigers. Wat zouden we ervan denken als we ook verkiezingen zouden gaan uitschrijven over de vraag welke toneelgezelschappen in aanmerking dienen te komen voor subsidie? Ook onder de naam ‘terug naar het publiek’? Omdat radio en televisie massamedia zijn heeft het de schijn dat het hier om iets anders gaat, maar het verschilt er principieel niet van. Culturele zaken dienen niet aan de stembus overgelaten te worden.
HET IS OOK overbodig. De commissie stelt terecht voor het omroeplidmaatschap los te koppelen van het abonnement op een gids en voor het lidmaatschap een extra bedrag van 25 gulden te vragen. Ook dat zal tot een heilloze strijd tussen de omroepen leiden - en had het parlement niet kortgeleden besloten een concessie voor vijf jaar te verlenen om dit te voorkomen? Maar het is in ieder geval een beter middel om de aanhang van een omroep te meten dan verkiezingen. Ik zie nog niet iedereen die op een gids is geabonneerd, die 25 gulden uit zijn zak halen.
Maar waarom eigenlijk zoveel woorden vuilgemaakt aan omroepverkiezingen? Alle politieke partijen, ook de coalitiepartijen die kennelijk hadden afgesproken zich over het rapport in algemeenheden te hullen, keerden zich ertegen. Zelfs D66, altijd bereid te juichen als er iets gekozen moet worden, was na 24 uur al bekeerd. Omroepverkiezingen zijn dus een dood paard.
En verder? De commissie zelf wijdt ontroerende woorden aan het belang van het publiek bestel - 'Ik had het graag zelf zo willen zeggen’, zei Van der Louw - maar daar zaten we niet op te wachten. Daar is iedereen van overtuigd. Wat de commissie had moeten doen, was een structuur ontwerpen dat een echt publiek bestel mogelijk maakt. Op dit essentiele punt faalt de commissie schromelijk.
Ze had de keus tussen twee alternatieven. Het ene was handhaven van de bestaande situatie, eventueel aangescherpt met enkele verbeteringen. Het andere was het scheppen van een nationale instantie boven de omroepverenigingen, zeg een vernieuwde NOS die het karakter van iedere zender zou bepalen, het zendschema zou vaststellen en dus zou bepalen welke programma’s er moeten worden gemaakt. De omroepen zouden daarbij worden teruggebracht tot verenigingen die programma’s in opdracht van de vernieuwde NOS zouden aanleveren.
De commissie kiest in feite voor het eerste model, maar probeert ook leentjebuur te spelen bij het tweede om de schijn op te houden dat ze met iets nieuws komt. Het resultaat is een uiterst ingewikkelde constructie die de nadelen van het huidige systeem eerder versterkt dan verzwakt. Er komt een Stichting Omroep Nederland (SON), zeg een vernieuwde NOS, die als enige over een zendvergunning beschikt, die netmanagers benoemt, de coordinatie tussen de verschillende netten bewaakt, veertig procent van de programma’s maakt: twintig procent journaal en andere nationale programma’s, en twintig procent programma’s die de omroepen niet maken, en 'aanwijzingen’ kan geven.
Dat lijkt een verbetering. Maar die verbetering wordt volledig teniet gedaan doordat de commissie daarnaast een 'programmaraad’ in het leven roept waarin de omroepen naar grootte zijn vertegenwoordigd en die in feite de SON geheel aan banden legt. De programmaraad bepaalt in grote lijnen het karakter van iedere zender plus het aanbod van programma’s (de twee belangrijkste zaken dus) en adviseert ook nog bij de benoeming van de directie van de SON. Bovendien is de programmaraad, dus de omroepen, ook vertegenwoordigd in de raad van toezicht die boven de Son is geplaatst.
Kortom: het permanente conflict binnen de NOS tussen de omroepverenigingen onderling en tussen de gezamenlijke omroepen en het NOS-programma wordt vervangen door een permanent conflict tussen de SON en de programmaraad. Daar helpen geen vrome woorden over eenheid en samenwerking aan, zoals ze ook vroeger niet hebben geholpen. Men moet wel een volslagen vreemde in het Hilversumse pakhuis zijn om te verwachten dat het nu anders gaat.
Een paar voorbeelden. Als de praktijk uitwijst dat nieuws- en actualiteitenprogramma’s slechts zestien procent van de zendtijd van de SON halen, wordt die overblijvende vier procent dan bij de SON- zendtijd of bij die van de omroepen gevoegd? Wat gebeurt er met een programma als Jiskefet? Komt dat op de familiezender - amusement - of moet het naar de informatieve zender? Wordt de SON verplicht ook programma’s als van Henk Binnendijk - geen informatief programma maar een zendingsprogramma - op te nemen? En wat gebeurt er als de SON dat niet wil? En moet de SON ook over de invulling van de resterende twintig procent van de programma’s overleg plegen met de programmaraad?
Er zal dus een eindeloos gesteggel ontstaan die in niets zal verschillen van de huidige situatie. Integendeel, de omroepen worden op deze manier juist gestimuleerd een front te maken tegen de SON.
De commissie haalt uit naar het gebrek aan efficiency in Hilversum en komt vervolgens met een voorstel dat de bureaucratie alleen maar zal vergroten. Ze vindt dat het nieuwe bestel zeven tot tien procent moet bezuinigen en weet niet anders te bedenken dan te knabbelen aan de Wereldomroep en de omroeporkesten, een zaak die sowieso hun pakkie-an niet is - dat is aan - ja, aan wat: de SON of de programmaraad?
De enige werkelijke bezuiniging zou zijn het aantal televisiezenders tot twee terug te brengen en te bekijken of er wel vijf radiozenders nodig zijn. Maar ook op dit punt loopt de commissie aan de hand van Hilversum, hoewel Nederland in vergelijking met het buitenland met drie zenders toch op zeer grote voet leeft. Het derde net is trouwens alleen maar ontstaan omdat de omroepen af wilden van 'inbraken’ van kleine zendgemachtigden als Teleac en Ikon en van de sportuitzendingen op 'hun’ uitzendavond. Ook ten aanzien van de reclame volgt de commissie het spoor van Hilversum. Er blijft reclame op de drie publieke zenders, hoewel in de meeste landen publieke zenders helemaal geen reclame kennen.
De commissie wijdt ook nauwelijks aandacht aan de radio, hoewel de nood daar minstens zo hoog is als bij de televisie. Na eindeloos geruzie is er dan eindelijk een zogenaamde gezamenlijke nieuws- en actualiteitenzender gekomen, maar wie ernaar luistert, komt tot de conclusie dat de omroepen daar nog steeds eigen en soms zeer gekleurde programma’s uitzenden. Ook de derde radiozender dreigt in het volgend jaar tenonder te gaan aan de onderlinge concurrentie.
HET IS DAN OOK geen wonder dat de omroepen opgelucht hebben gereageerd en de voorzitters tijdens hun beraad alle tijd hadden naar de wedstrijd Engeland-Duitsland te kijken. Ze hebben het rapport goed ingeschat. Die versterking van de SON? Ach, dat zien we wel, was hun zorgeloze commentaar. Ze weten door hun jarenlange ervaring dat ze via de programmaraad de SON goed in de touwen hebben en hun aloude machtsspelletjes in een nieuwe vorm kunnen voortzetten.
Na kennisneming van het rapport heb ik me voortdurend afgevraagd met wie de commissie eigenlijk overleg heeft gepleegd. Of meende de commissie het wel in de eigen ivoren toren af te kunnen? Maar waarom heeft ze dan zeven maanden nodig gehad om met zo'n pover advies te komen? Heeft ze de moeite genomen naar het buitenland te kijken?
Ik weet het, die gedachte is in Nederland niet populair. We zijn er tenslotte van overtuigd dat wij een superieur drugsbeleid hebben, een superieure rechtsspraak, een superieure democratie, een superieure openheid en (tot voor kort) ook een superieur voetbalelftal. Dat maakt het klimaat daarvoor niet ideaal. Maar wie een van de slechtste bestellen van de wereld heeft - een commercieel bestel dat we geheel aan de heidenen hebben overgelaten en een niet-geintegreerd publiek bestel - zou toch eens wat minder hoog van de toren moeten blazen.
De truc van Nuis is mislukt. Hij wilde zich verschuilen achter de commissie-Ververs om zo een modern publiek bestel te scheppen en zelf buiten schot te blijvven. 'Hilversum brandt en Nuis speelt viool’, zei Bolkestein terecht. Het regeren per commissie heeft alleen maar een vertraging van zeven maanden opgeleverd. Het speelkwartier is ten einde. De regering zal het nu zelf moeten doen.