Ons Soort Mensen van vandaag

En hoe heurt het straks?

De bevoorrechte klasse is al lang niet meer alleen de klassieke ‘hogere stand’. Ons Soort Mensen zijn óók de academische en culturele voorhoede die zich superieur en machtig waant door moraal.

Medium 1920 hoeheurtheteigenlijk2015 creditsavrotrosingocaly  c5a5129 hr print adobergb1998

Afgelopen voorjaar werd in de politiek opeens weer gesproken over een onderwerp dat lange tijd niet op de agenda had gestaan: klassenverschillen. Uit het jaarlijkse rapport van de onderwijsinspectie bleek dat kinderen van hoogopgeleide ouders een hoger middelbareschooladvies krijgen dan leeftijdgenoten uit een laagopgeleid gezin, ook al zijn ze even intelligent. De verontwaardiging was groot. Kansongelijkheid – dat kan en mag niet waar zijn in het egalitaire Nederland.

Wat dit rapport objectiveert weet iedereen natuurlijk al lang: er is een bevoorrechte klasse waarvoor het volkomen vanzelfsprekend is dat het de kinderen maatschappelijk minstens zo goed zal vergaan als hun ouders en grootouders. Het levenspad verloopt van jongs af aan langs de juiste scholen, sportclubs en zomerkampen naar de juiste studentenverenigingen, feesten, levenspartners, banen en woonbuurten. Wat dat ‘juiste’ is, weet men in de kringen van Ons Soort Mensen (osm) precies. Over geld wordt niet gesproken – want dat is er gewoon – maar des te meer over ménsen. Het old boys network wordt aangeboord om voor elkaar van alles te regelen. Zo houdt de ‘betere’ stand zich van generatie op generatie in stand.

Dit is nog altijd het stereotiepe beeld van de elite, dat Jort Kelder in zijn tv-programma Hoe heurt het eigenlijk voorspiegelt aan degenen die het niet van huis uit zijn. De titel is ontleend aan de bijbel van de etiquette Hoe hoort het eigenlijk (1939) van Amy Groskamp-Ten Have, waarin zij beschrijft hoe een goedgemanierd en beschaafd mens zich gedraagt. Van hoe je kip eet tot het gebruiken van titulatuur, het voeren van conversaties tot trouwrituelen – het boek staat vol richtlijnen en dwingende adviezen (‘Dat mag absoluut niet!’) over wat wel en niet correct is. Het boek belandde als een icoon van vervlogen tradities in de jaren zestig bij het antiquariaat, maar beleeft sinds eind jaren negentig een opleving met een geheel herziene versie door Reinildis van Ditzhuyzen. Dit voorziet kennelijk weer in een behoefte aan omgangsregels en rituelen zoals die in de afgelopen eeuwen zijn ontwikkeld binnen de adel en het patriciaat om aangenaam met elkaar om te gaan.

Zelf gekleed als een Engelse schoolboy op rijpe leeftijd bezoekt Kelder gelegenheden waar Oud Geld zich ophoudt: picknicks, rally’s met antieke auto’s, kunstveilingen, liefdadigheidsbijeenkomsten, feestjes op landgoederen, jachtpartijen, ateliers waar maatpakken worden gemaakt en gala’s; of hij zit op de canapé bij een of andere doorgefokte excentriekeling die mijmert over verloren familiebezit van voor de oorlog. Kelder speelt de rol van de verwonderde buitenstaander, etaleert ondertussen graag dat ook hij het langzamerhand ‘begrepen heeft’ en doet zijn best dezelfde taal te spreken als osm.

In de spreektaal schuilt misschien nog meer dan in geld of bezit het sociaal onderscheidend vermogen. Dat zit zowel in de intonatie als in de woordkeuze. Nadrukkelijk, goed articulerend en met een luide stem worden hermetische waarheden verkondigd. Het is de toon van het type dat gewend is de lakens uit te delen. Iets is zo. Iets doe je gewoon niet. Het is niet gebak maar taartje, pak en das in plaats van kostuum en stropdas, geen koelkast maar ijskast, geen auto maar ‘ooto’, je gaat naar de wc en bezoekt niet het toilet. Op zich zijn het domme weetjes maar wie het verschil niet aanvoelt, valt onmiddellijk door de mand, ook al praat hij nog zo keurig.

Naar taal en standsverschil is veel onderzoek gedaan. Een van de conclusies is dat Algemeen Beschaafd Nederlands (abn) er zo met de paplepel is ingegoten dat het voor mensen uit een ander milieu op latere leeftijd nauwelijks aan te leren is. Wel te imiteren, zoals de dispuutmeisjes in Koefnoen of de lullo’s in Jiskefet laten zien met hun karikaturen van brallende corpsballen die schijt hebben aan het brave burgervolkje. Het omgekeerde is makkelijker: plat, arbeideristisch praten, wat in de jaren zestig, zeventig in zwang raakte onder studenten om een progressieve nestgeur om zich heen te creëren.

In die periode verdampte de oude standenmaatschappij van osm. Het slinken van de macht en de rijkdom van de elite begon eigenlijk eerder, al tijdens de Tweede Wereldoorlog, meteen gevolgd door het verlies van ‘ons Indië’. Het tropische leven in villa’s met bedienden was voorgoed voorbij, het kapitaal en bezit in één klap verdwenen, en in het koude Nederland braken in de wederopbouw schrale tijden aan voor iedereen. Vanaf begin jaren zestig zette de ontzuiling door en ging de groeiende welvaart gepaard met de democratiseringsgolf in het onderwijs en het herverdelen van kapitaal via het belastingstelsel. In de geest van vadertje Drees en Joop den Uyl verrees een door de overheid gecontroleerde verzorgingsstaat met het solidariteitsbeginsel als leidraad. Het geld in de staatskas – met dank aan de ondernemers, families met bezit en de gasbel in Groningen – kon worden gebruikt voor het ondersteunen van de zwakkeren in de samenleving: het vloeide naar de wao, de aow, de Ziektewet en allerlei subsidiepotjes.

Zij zijn tegen Zwarte Piet, vóór Europa en gaan een weekendje aangespoelde asielzoekers helpen op Lesbos

Nederland was in de jaren tachtig een egalitaire samenleving met een linkse consensus geworden; in amper één generatie vestigde zich een ‘open samenleving’ waarin door opwaartse sociale mobiliteit een nieuwe klassenordening ontstond. Een samenleving waarin maatschappelijke kansen niet langer afhankelijk waren van het sociale milieu en geld en macht, maar hoofdzakelijk werden bepaald door persoonlijke capaciteiten, zoals intelligentie, en verdiensten, zoals opleiding. In deze meritocratie zouden familieachtergrond, geld- en grondbezit, ras en geslacht niet meer van doorslaggevende betekenis zijn om carrière te maken, maar zou vooral een academische bul of een hbo-diploma een ticket tot de macht zijn.

In deze maatschappelijke transitie dook de term ‘osm’ op. Zo schreef Lisette Thooft in Echte yuppies zijn geen yuppies (1986): ‘O.S.M. of te wel Ons Soort Mensen, hebben de laatste decennia ternauwernood standgehouden tegen het oprukkend legertje ribfluwelen welzijnswerkers en softe socio’s dat ineens overal de dienst ging uitmaken.’ Het gaf aan dat in de nieuwe klassenordening de exclusieve maatschappelijke positie van osm onder druk was komen te staan ten gunste van een nieuwe voorhoede die opstoomde richting de politieke, bestuurlijke en universitaire machtsregionen.

Hierin schuilt nu het ongemak over de onlangs geconstateerde klassenverschillen: de bevoorrechte klasse is al lang niet meer alléén de klassieke ‘hogere stand’, die clichékakker Kelder neerzet. Ze is diffuser: in de meritocratie is een hoogopgeleide elite ontstaan die het in een eigen netwerk goed voor zichzelf en haar kroost weet te regelen, net als de oude elite waar de babyboomers en de activisten van de jaren tachtig zich tegen afzetten. Vanaf de geboorte zijn de kaarten van hun kinderen gunstig geschud en als het hen minder gemakkelijk komt aanwaaien op school is het bijspijkeren met dure bijlessen slechts een van de vele jokers die worden ingezet.

Zij wonen in het centrum van de grote steden in een koophuis vol design, eten gezond en niet te veel, houden van wandelen en racefietsen en ook van skiën, gaan in het weekend naar hun hippe volkstuintje of stacaravan op de juiste camping, zoals Bakkum, en in de zomer naar hun tweede huis in Frankrijk of op reis buiten Europa. Zij bezoeken het theater en festivals, dragen bij gelegenheden een pak met een das, hebben een boekenkast vol wereldliteratuur, stemmen liberaal-progressief, lezen een kwaliteitskrant en De Groene Amsterdammer. Op sociale media laten zij aan hun vriendenkring weten dat ze tolerant, weldenkend en wellevend zijn: zij zijn tegen Zwarte Piet, vóór Europa en de komst van vluchtelingen en gaan een weekendje aangespoelde asielzoekers helpen op Lesbos. osm is óók de academische en culturele voorhoede die zich niet zo zeer superieur en machtig waant door bezit maar eerder door moraal. ‘Weten hoe het hoort’ is bij hen politieke correctheid: precies weten wat je over bepaalde thematiek moet vinden.

Het zelfbeeld van Nederland – dat iedereen gelijke kansen heeft en wie slecht leert of niet hard werkt dat alleen aan zichzelf te danken heeft – wankelt natuurlijk al langer. In bijvoorbeeld het rapport Een vreemde in eigen land: Boze autochtone burgers over nieuwe Nederlanders en de overheid (2010) van het Verwey-Jonker Instituut staat dat een lange traditie van consensusvorming Nederlanders zeer bedreven heeft gemaakt in het dempen van conflicten en het bedenken van pragmatische oplossingen. ‘Deze nieuwe elite staat los van de werkelijkheid en heeft een eigen cultuur, taal en zelfbeeld, met een eigen loopbaanplanning en carrièrepatroon.’ Daar staat, aldus het rapport, een grote groep tegenover bij wie het ressentiment diep is geworteld in een gevoel achtergesteld, niet gehoord en opzijgezet te worden. Zij geven in interviews aan dat zij het weliswaar materieel goed hebben – veel beter dan hun ouders en grootouders – maar zich ‘vreemden in eigen land’ voelen. Migranten, ‘Brussel’ en de snelle globalisatie zijn daar debet aan, maar meer nog is er onvrede over de overheid, die hun noodkreten hierover heeft veronachtzaamd, en de politiek, in het bijzonder de linkse partijen, die hen heeft weggezet als verwende, xenofobe, bange burgers.

De conclusie van de onderzoekers is dat de kloof tussen deze groep en ‘de elite van de hoogopgeleide internationaal georiënteerde burgers met een groot politiek zelfvertrouwen’ niet zomaar te dichten is. Hen werd vooral ook een gebrek aan het oude adagium noblesse oblige – adel verplicht – verweten. In theorie zijn ze heel sociaal, in de praktijk materialistisch en ik-gericht. Het onbehagen sluimerde aan de onderkant van de samenleving.

Was het tot in de jaren negentig links dat in het geweer kwam tegen de gevestigde orde, na de eeuwwisseling kwam de opstand tegen de nieuwe elite onverwacht uit een andere hoek: Pim Fortuyn pleitte voor een grote schoonmaak van de zittende kaste, waarmee hij het opnam voor de oude doelgroep van links die werd gediskwalificeerd als extreem-rechts. Wilders heeft het stokje boos van hem overgenomen met zijn repeterende gescheld op de ‘multiculturele, weldenkende, vette, volgevreten, subsidievretende, zelfverrijkende en baantjes voor zichzelf regelende links-liberale grachtengordelelite en Brusselbende’.

Daar hebben de oude en de nieuwe elite weinig weerwoord op – zelfgenoegzaamheid is in ieder geval de slechtste reflex. Als osm synoniem is met een gesloten sociaal circuit met macht is het niet te hopen dat er vanuit een historische wetmatigheid straks een wildersiaanse variant op het pluche belandt. Aan de andere kant: de nieuwe elite heeft de oude niet weggevaagd. Die blijft zichzelf en heeft nog steeds macht. Ze staan met hun bezit en vermogen in de Quote-500 van rijkste Nederlanders, zij het tussen voetbalsterren, tegelboeren en internetondernemers.


Beeld: Jort Kelder, Hoe heurt het eigenlijk (Ingo Caly / AVROTROS)