En nu hoor ik de vossen keffen

’s Nachts keffen de vossen weer. Het is december, dan zijn de rekels op jacht naar moeren. Ik denk wel eens dat er één op mijn zoldertje woont. Het bonkt daar en heel soms hoor ik een zacht snurken. Het zou ook een wilde boskat kunnen zijn. Of een marter. Ik vind het wel gezellig. Als er een gast is en die gast zou al snurken, dan hoor ik dat niet vanwege de muren van een meter dik. Ik ben er nu een dag. Meestal duurt het in de winter een dag of vier voor de kou uit die dikke muren gestookt is. Er is geen gast nu. Ik ben alleen.

De laatste keer dat ik hier was is twee weken geleden. Toen was er wel een gast. Toen durfde ik nog niet alleen te zijn. Tijdens die vier dagen blies er iets door mijn hoofd. Een krachtige wind. Ik was in staat op bezoek te gaan bij buren Rinus en Lien. Ik kon bij Christa van voorheen dakdekker Rudi aan de keukentafel zitten. Ik kon. En nog steeds – terwijl ik dit optik – zegt een stem in mijn hoofd: ‘Zou je dit nou wel opschrijven?’ Omdat mijn hoofd, of mijn hart, of voor mijn part zelfs mijn ziel, de afgelopen drie maanden ergens anders was. Niet bij of in mij in ieder geval. En elke keer als er maar het lichtste briesje door mijn hoofd (hart, ziel, gevoel) waaide, dacht ik: ‘Ik ben er weer.’ Even zovele keren bleek dat niet het geval. Vandaar die aarzeling, vandaar het niet het lot willen of durven tarten. Laat mij nog maar even rustig liggen, denk ik overdrachtelijk.

Onlangs zag ik in DWDD actrice Romana Vreede. Ze was tafeldame en als tafeldame mag je altijd de avond openen. Ze was depressief, liet ze weten. Herfst, winter, donker. Nee, bah, allemaal akelig. Ze las het gedicht November van Bloem voor. Sinds ze dat ontdekt had, las ze dat in zulke perioden een aantal keer. Het troostte haar. Tijdens het voorlezen raakte ze verstikt van emotie. Toen werd ik kwaad. Onredelijk, ik weet het, ieder mens zijn of haar eigen depressie, wie ben ik om over haar gevoel te oordelen, maar toch dacht ik: ‘Je bent gewoon een beetje somber, Romana. Gaat weer over, al is het maar in januari, als je de eerste sneeuwklokjes ziet. Maar hoe durf je dat een depressie te noemen? Je schiet vol als je een gedicht voorleest! Je lichaam en geest zijn één, je kunt bij je gevoel, er blinken tranen in je ogen!’ Op zo'n moment voel ik de eenzaamheid, herinner ik me de strijd. Jezelf van de ene in de andere dag slepen, zonder enig uitzicht op wat dan ook, in een wereld waarin tijd, minuten, dagen, weken, er niet meer toe doet, met een lichaam dat steeds meer gaat protesteren omdat het van de gevoelens die het moet ondergaan niet gediend is.

Ik schrijf. Op een dag, ergens vorige week, ben ik gaan zitten. Dat was al een veeg teken, ik merkte het zelf, maar probeerde daar geen aandacht aan te besteden. Ik schrijf alles op. Ik probeer geen metaforen te gebruiken en tot nu toe is me dat gelukt. Ik denk: ‘Het moet toch lukken om zonder het gebruik van vergelijkingen duidelijk te maken hoe het is, wat er met je gebeurt, hoe onvoorstelbaar eenzaam het is.’ Hoe onbekend voor de buitenwereld, hoe eng en bedreigend, hoe onvoorstelbaar, wat denk ik maakt dat het nog steeds van belang is om er over te schrijven. Duidelijk te maken dat het een vreselijke aandoening is, net zo erg als kanker. En kanker kun je nog wegsnijden, bestralen, met medicijnen bestrijden. Je kunt er dood aan gaan, zeker, maar aan een depressie kun je ook doodgaan. En als je aan een depressie doodgaat – een handeling die de betrokkene zelf zal moeten verrichten – en dan pas komt het weeklagen, waar de dode niets meer aan heeft want die zal nooit meer ergens iets van merken. Dan komt er in de krant: zus-en-zo heeft eindelijk de rust gevonden. Terwijl de dode helemaal geen rust heeft gezocht, hij of zij wilde beter worden! Zijn zoals andere mensen. Normaal zijn. Rust en vrede. Niet in de dood, maar in het leven. Depressie heeft niets van doen met somberheid. Somber zijn is niet zo erg. Een depressie is niets. Je bent niets. Niets in een Niemandsland. Een Niemandsland is een wereld waarin niets er meer toe doet. En daarin valt niet te leven.

En nu hoor ik de vossen keffen. Soms een uiltje. In de ochtend de haan van buurman Rinus of één van de Alaskan malamutes van buren Herbert en Christin. Een enkele vroege vrachtwagen. Ruziënde kraai-achtigen. Het tikken van de regen op de tegels van het voorterras. En nu denk ik aan wat er nog te doen is in de tuin. Zie ik de wanorde van de werkbank in de Hauswirtschaftsraum. Die moet opgeruimd. Weet ik dat de rode bieten in de moestuin nog hard zijn, niet tot moes gevroren, die kan ik koken en opeten, met feta en walnoten en een appel en zure room. Erbij zal ik een witte of grauwe Burgunder drinken. Ik kocht chips en een zak mini-Twix en romige, vette Franse kaasjes, want ik moet bijspekken; van pure ellende ben ik zeven kilo afgevallen. Ik kijk met warme gevoelens naar Heel Holland bakt, er branden kaarsen in de woonkamer en mijn bed heb ik fris opgemaakt. Als mijn zus, of een van de andere mensen uit het kleine, vertrouwde groepje vertrouwelingen van de afgelopen maanden opbelt om te vragen hoe het gaat, hoor ik mezelf ‘Goed’ zeggen en meteen denk ik: ‘Blijf nou toch nog maar even rustig liggen.’ Ik hang mezenbollen aan het vogelvoederstation, strooi vogelvoer uit en breng buurman Klaus oude kazen omdat hij zo’n goeie buurman is. Ik zie zon en wolken, ik ga zo, of morgen, een stukje hardlopen. Kortom: er is weer – de mogelijkheid tot – leven.