En nu hou ik echt op

Na acht jaar stopt Kees ’t Hart met het recenseren van Nederlands proza voor De Groene Amsterdammer. Van hemzelf mocht hij geen Messias zijn, geen betweter, geen slijmbal. En hij ging een roman niet navertellen. Want wat kon hem dat verhaal schelen!

In Odd Jobbs, een verzamelbundel recensies en beschouwingen uit 1991, rekent John Updike (kortgeleden overleden) ons voor hoeveel recensies hij tot dan toe schreef en hoeveel tijd het hem kostte. Hij komt tot 369 recensies, een recensie kostte hem gemiddeld tien uur werk, dat maakt dus 3690 uur, in achturige werkdagen uitgedrukt is dat 461,25 dagen werk. Dit komt neer (delen door 5) op 92 vijfdaagse werkweken, dus in totaal, vakanties niet meegerekend, op bijna twee werkjaren.
Nu ik zelf met romanrecensies voor De Groene Amsterdammer stop, heb ik ook een dergelijke berekening gemaakt. In november 1999 begon ik recensies te schrijven, eerst alleen om de week voor de Leeuwarder Courant, later (vanaf 2001) ook voor De Groene, eveneens om de week, en vanaf 2005 alleen voor De Groene. In totaal schreef ik 280 recensies. Updike telt bij zijn sommetjes niet de ‘denktijd’ op die het schrijven van een recensie kost: het vage peinzen over een roman, het ermee rondlopen, het gemompel en het gedoe. Bij mij moet dat er echt bij, het is een substantieel deel van het recenseren. Ik kom dan in totaal op gemiddeld veertien uur per boek: tien uur voor lezen en schrijven, vier uur peinzen. Dat maakt dan 14 x 280 = 3920 uren totaal. Delen door 8 betekende dat 490 acht-uur-dagen, omgerekend komt dat neer op 98 vijfdaagse werkweken. In totaal kostte het me dus ruim twee werkjaren, waarin, dit zeg ik erbij om mezelf te kwellen, ik ook twee romans had kunnen schrijven. Dat laatste zit me dwars, maar verder ben ik door de recensies niet een grotere zenuwpees geworden dan ik al was. Minder werd het ook niet.
Updike komt er rond voor uit dat geld bij hem een belangrijk argument was om recensies te gaan schrijven. Later veranderde dat wel wat, toen ging het hem er steeds meer om wakker te blijven, zijn pen te scherpen en betrokken te blijven bij de literaire wereld, wat dat laatste dan ook moge zijn. Allemaal argumenten die ik mezelf ook voorhield, maar in het begin ging het me net als Updike toch vooral om het geld. Helaas werd ik er niet rijk van, al kun je daarover twisten. Updike vertelt jammer genoeg niet hoeveel geld hij per recensie kreeg, vast veel meer dan ik. Bij de Leeuwarder Courant verdiende ik 200 euro per recensie (van 500 woorden), bij De Groene was dat 175 euro per recensie (minstens 800 woorden). Verschil moet er zijn, maar het verschil is wel schrijnend. De Groene Amsterdammer is armer dan de Leeuwarder Courant, maar heeft in letterenland wel een hogere status, dus dat scheelde, al kun je met een hogere status niet je hypotheek en studieschuld betalen. NRC Handelsblad betaalt in Nederland voor recensies het beste; het ligt er natuurlijk aan of je freelance werkt of in vaste dienst bent. Ik kreeg daar voor de paar keren dat ik een recensie van 1200 of 1600 woorden schreef al snel 600 euro, bij nader inzien niet eens zo erg veel. Tegenwoordig staan er niet meer zulke lange recensies in NRC Handelsblad, in de Volkskrant ook niet, dus zal de betaling ook wel zijn teruggelopen. Er gaan onder recensenten hardnekkige geruchten dat Elsevier het best betaalt, maar daar heb ik jammer genoeg geen ervaring mee. In totaal verdiende ik dus, verspreid over ongeveer tien jaar, ik heb het keihard nagerekend, 52.000 euro, daar moest de belasting dan nog af. Waar is dat geld gebleven? Geen idee.
Ik heb de recensies er voor deze gelegenheid bij gezocht, ze zitten in dozen en staan in bestanden in de computer. De eerste in De Groene ging over Hafid Bouazza’s Salomon (2001), dat ik in tamelijk ronkende bewoordingen flink aanprees. Ik herinner het me nog wel, ik was er verbaasd over dat iemand een uitermate traditionele negentiende-eeuwse metaforiek nieuw leven probeerde in te blazen. En deze verbazing kreeg in mijn beschouwing de overhand, want verbazing was altijd de motor van mijn gunstige recensie. Zijn roman maakte me gelukkig, je kon merken dat Bouazza tijdens het schrijven gelukkig was geweest en dus werd ik het ook. Verbaas me! Verveel me niet! Dat bleef het uitgangspunt van mijn recensies. Lukte dat, dan kon een schrijver op een goeie recensie rekenen. Een verbaasde recensie. Schrijvers zijn voor mij altijd trapezeartiesten die hoog in de nok van het circus liefst zonder vangnet hun adembenemende acts uitvoeren. Hoe hoger en gewaagder de act, hoe beter.
Veel over ‘het verhaal’ van een roman schreef ik niet, toen al niet, dit was en bleef een tweede uitgangspunt. Zo’n navertelling is altijd beledigend voor auteur en lezer. De eerste heeft er keihard aan gewerkt, mag je aannemen, om zijn ‘verhaal’ door zijn emotionele en stilistische inzet boven een krantenbericht te laten uitstijgen, er een symbolische of theatrale lading aan te geven. Een roman is altijd een enscenering van een illusie door een specifieke stijl en het gaat in een recensie om die enscenering. Een roman is een kunstwerk en geen navertelling. Verreweg de meeste recensenten in Nederland geven eerst uitvoerig ‘de inhoud’ van het boek weer, vatten het in ‘eigen woorden’ (brrr) samen. Ze geven je het gevoel in de roman getuige te zijn van de waar gebeurde belevenissen van de buurman of buurvrouw. Om dan vervolgens vast te stellen of het allemaal wel ‘realistisch’ of ‘waar’ of ‘geloofwaardig’ is wat de schrijver beweert, of zelfs, nog erger, of de schrijver wel ‘geëngageerd’ genoeg is.
Er overvalt me altijd een gevoel van plaatsvervangende schaamte wanneer ik me in een recensie eerst door een navertelling van de romaninhoud moet worstelen. Vaak beslaat die meer dan driekwart van de recensie. Wat kan mij dat verhaal schelen, dat gaat me pas iets aan wanneer ik zelf de roman lees! Niet eerder, niet later. Vertel me als recensent over de stijlkeuze, over de traditie ervan, zeg me iets over de toon, het jargon, zeg me iets over het verlangen ervan en de wanhoop en het geluk, en het verschil met de werkelijkheid. En de droom van de roman. En de droom die de lezer bij zichzelf tijdens lezing mag ensceneren, ook al is die maar tijdelijk. Een navertelling probeert de roman te (ver)vangen, hem weg te werken. Maar ze vervangt niets, er valt niets te vervangen, een roman is wat hij is en niet iets anders. Een navertelling berust op gemakzucht, op een vergissing over literatuur, ze beschouwt literatuur als een sociologisch correcte en realistische weergave van ‘werkelijkheid’, alsof de roman een directe afspiegeling is van maatschappelijke verhoudingen. Je praat als recensent met een navertelling de lezer keer op keer een verschrikkelijk misverstand aan. Waarheid, geloofwaardigheid, realisme en engagement vind je in de krant. In literatuur vind je illusies daarover, gefnuikte en verwarde dromen, vaak vertaald in woedebuien, loftuitingen, vaak geformuleerd als gefingeerde commentaren, dit alles omgezet in een specifieke stijl. Collega’s, hou op met de navertellingen! Ik wil de roman niet in jullie woorden, ik wil de roman zelf.
Roland Barthes schreef ooit in Essais critiques (1964) dat het niet de taak is van de kritiek ‘om te beslissen of Proust wel de waarheid heeft gezegd’. Haar taak is volgens hem ‘uitsluitend om zelf een taal te construeren, waarvan de samenhang, de logica, kortom de systematiek in staat is rekenschap te geven van de grootst mogelijke hoeveelheid Prousttaal’ (de vertaling is van Maarten van Buuren). Barthes pleit ervoor niet de geheimen van het werk te ontdekken, maar ‘te bedekken met haar eigen taal’. Mooi gezegd, al weet je bij Barthes nooit wat hij precies bedoelt, want als je iets wilt bedekken moet je in je kritiek toch ook rekenschap geven van wat er te bedekken valt, dus van de stijl van een roman. Ik bedoel: het kunstmatige ervan, de vingervlugheid, de traagheid, de geslepenheid, de metaforiek, het taalgevoel, de taalgekte, de omtrekkende bewegingen, het zelfgekick ervan. Waarom is een roman geschreven zoals hij is geschreven? Welke keuze maakte een schrijver? Welk retorisch systeem omhelsde hij of zij? In welke traditie stond zijn vingerafdruk, het spoor van zijn taal? Dit is altijd het derde uitgangspunt van mijn recensies geweest, ik nam me vanaf het begin voor in mijn recensies altijd ook over de stijl van een roman te schrijven. En dan vooral over de traditie ervan. Makkelijk is dat niet en ik geef toe dat ik er in sommige recensies nauwelijks iets behoorlijks over wist te zeggen. Want je kunt natuurlijk niet alleen aankomen met indelingen als ‘bloemrijke’ stijl, of ‘droge’ stijl, of ‘kinderlijke’ of ‘kioskboekjes’-stijl. Je moet aangeven wat het voor een roman betekent wanneer een schrijver een specifieke stijl inzet, wat hij wil bereiken en welke effecten hij er daadwerkelijk bij de lezer mee bereikt.
Erich Auerbach schreef hierover in 1946 een onvolprezen meesterwerk, Mimesis: De weergave van de werkelijkheid in de westerse literatuur, dat verplichte stof bevat voor iedere recensent. Hij laat aan de hand van minutieuze analyses van onder meer bijbelfragmenten, heiligenlevens, romans van de gebroeders De Goncourt en Woolf zien op welke manier schrijvers de werkelijkheid probeerden weer te geven. Hoe zij erin slaagden hun uiterst gekunstelde weergave steeds als een ‘natuurlijke’ weergave te presenteren. Auerbach kijkt niet naar romans alsof het sociologische verslagen zijn van ‘de werkelijkheid’. Hij toont de veranderingen in weergave door de eeuwen heen, schetst schrijftradities, steeds aan de hand van gedetailleerde voorbeelden. Literatuur is bij hem niet iets ‘gewoons’ of ‘realistisch’, maar altijd de constructie van een specifieke blik.
En mijn vierde uitgangspunt was mijn waardering. Ik vond in mijn recensies boeken soms doodgewoon mooi, echt mooi, ik wílde ze mooi vinden, omdat ik gelukkig wil zijn, en ik het de plicht vond (en vind) van een recensent om gelukkig te zijn. Niet rancuneus en niet benepen. Ik mocht nooit achter de modes en de successen aan. Geen Messias mocht ik zijn, geen betweter, geen slijmbal, geen systeembouwer en ik mocht altijd alleen mijn eigen pik achterna lopen.
Ten slotte nog dit. Er bestaat geen kwalitatief verschil tussen lectuur en literatuur, er bestaat alleen een kwalitatief verschil tussen romans. De ene roman is beter en mooier dan de andere, daar helpt geen lieve moedertje aan. Ook als de slechte roman veel succes heeft. Wie een roman schrijft over een gefnuikt vrouwenbestaan, of een gefnuikte liefde, moet beseffen (dit besef is waar het om gaat) dat de kwaliteit van zijn of haar roman alleen bestaat in vergelijking met andere romans op dit gebied, moet dus vergelijken met Madame Bovary en Anna Karenina. Ik vond het mijn plicht het zo vaak mogelijk over andere romans te hebben wanneer ik een roman besprak. Een roman is nu eenmaal het hoogste van alles en dus moet je ook als recensent het hoogste nastreven. En nu hou ik echt op.