Herinneringen aan Indië. Over schuld en spijt

‘En nu is het oorlog’

Het zwijgen over Nederlands optreden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië lijkt afdoende doorbroken. Alfred Birney en Abram de Swaan onderstrepen dat wegkijken niet langer kan.

Medium 61853
Nederlandse soldaten op patrouille in Nederlands-Indië © Spaarnestad Photo

Liefst lees ik Engels en als ik zo nu en dan uit solidariteit een boek in mijn moedertaal aanschaf laat ik me bij mijn keuze leiden door de jury’s van literaire prijzen. Immers: zij zien wat er recentelijk zoal is verschenen, zij vergelijken en bekronen. Dus dit jaar werd het De tolk van Java, door Alfred Birney. ‘Een autobiografische mokerslag’, werd me beloofd. Alle clichés over Nederlands-Indië zouden worden verpulverd. O jee, dacht ik en ik zette me schrap. Bij voorbaat in de verdediging tegen het onvermijdelijke opnieuw oprakelen van ons afkeurenswaardige doen en laten daarginds. Over wat we allemaal verkeerd hadden gedaan door de eeuwen heen en vooral bij de politionele acties tussen 1945 en 1949. Over onze schuld, onze zeer grote schuld en tegenwoordig ook steeds vaker over het zwijgen daarover, het zwijgen van de politiek en van de rechtstreeks betrokkenen voorzover die nog in leven zijn. De vraag om excuses. Om schadeloosstelling. Alsof we het nog kunnen afkopen of zo. Geld is altijd welkom natuurlijk, maar excuses? Wat moet je ermee!

Ik sta in mijn mening niet alleen. Ben Bot bijvoorbeeld, voormalig minister van Buitenlandse Zaken, zei al in 2013 dat we met het aanbieden van excuses maar eens moesten ophouden: aan Indonesische zijde was immers ook het een en ander gebeurd.

Wat mij betreft gaat het hier om een vorm van zelfoverschatting. Het idee dat we in de geschiedenis van Indonesië een belangrijke rol hebben gespeeld. In zekere zin vleien we ons met de gedachte dat ze ons niet kunnen vergeten en zeker niet vergeven hebben. Dat we belangrijk zijn geweest voor dat land. Vergeet het maar.

In augustus 1995 was ik in Indonesië om het vijftigjarig bestaan van de Republik mee te vieren en diverse mensen te vragen hoe ze indertijd de Dag van de Onafhankelijkheidsverklaring, de Hari Proklamasi, hadden beleefd en hoe het hun sindsdien was vergaan. Selamat Merdeka zou mijn boek gaan heten; het werd onlangs vertaald in het Bahasa. Ik verwachtte toen dat ik als Belanda met mijn neus op velerlei verwijtbare feiten gedrukt zou worden, maar dat viel mee. Ruslan Abdulgani bijvoorbeeld, ex-minister van Buitenlandse Zaken en gerespecteerd diplomaat, beweerde dat de Indonesiërs de koloniale tijd beschouwden als ‘een rimpel in de oceaan’. En op hun onafhankelijkheidsstrijd van 1945 tot 1947 werd over het algemeen met voldoening teruggekeken: ‘In Maleisië hebben ze hun vrijheid cadeau gekregen, wij in Indonesia hebben ervoor gevochten. Daarom is die van ons meer waard.’

Maar de verhalen die ik te horen kreeg liegen er niet om. Over de onervaren Nederlandse soldaten bijvoorbeeld die zich geen raad wisten in de rimboe en zich gemakkelijk gevangen lieten nemen. ‘En wat deed je er dan mee?’ ‘Die maakten we af! Vooral in het laatste deel van de strijd ging het er erg ruw aan toe’, lichtte mijn zegsman, generaal Nasoetion, toe. ‘De Hollanders pakten de mensen op en vroegen ze dan één voor één: “Weet jij waar het leger is?” “Tida tau tuhan – dat weet ik niet meneer.” En dan schoten ze zo iemand dood, zomaar. En dan de volgende: “Zeg op, waar zitten ze?” “Tida tau, tuhan.” Daar maakten we ons wel kwaad over: onschuldige mensen die op het land werkten werden zomaar neergeknald! Hele dorpen platgebrand.’

Ik moest denken aan de Duitse bezetting die deze militairen als puber hadden meegemaakt en wat ze toen aan misdadig gedrag voorgeleefd hadden gekregen. Maar ook aan de regering die ze onder het motto ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ op oorlogspad had gestuurd, 120.000 jonge jongens waarvan er 25.000 zouden sneuvelen.

Intussen kwam koningin Beatrix op staatsbezoek. Er werd wat gemopperd over het tijdstip – de feestelijkheden rondom de Onafhankelijkheidsverklaring waren nauwelijks voorbij – en vanuit Nederland klonk dringend de eis dat ze spijt moest betuigen, excuses moest aanbieden. In Indonesië werd daar verbaasd op gereageerd. ‘Excuses? Waarom en waarvoor?’ Bij het bezoek van koningin Juliana in 1971 was die vraag toch ook niet aan de orde geweest? Men moest er een beetje om lachen. ‘Oorlog is oorlog’, zeiden ze. En ‘voorbij is voorbij’.

En in de Jakarta Post las ik een column van de historicus prof. dr. Onghokham: Debunking Dutch Colonialism. Hij fulmineerde tegen de geschiedschrijving zoals die werd bedreven in het onderwijs en nu, ter gelegenheid van Hari Merdeka, ook in de media. Er was geen sprake geweest van 350 jaar overheersing, maar van handelsverdragen, gesloten door de voc met enkele Javaanse vorstendommetjes. En vanaf 1678 moest de voc herhaaldelijk bij diverse burgeroorlogen te hulp komen; daar vroegen ze geld voor en zo ontstond er een vorm van horigheid. Maar pas toen in 1830 het cultuurstelsel – het verplicht verbouwen van gewassen ten behoeve van het gouvernement – werd ingevoerd kon er volgens hem en andere historici van kolonisatie worden gesproken. Hij repte met geen woord over de onafhankelijkheidsstrijd.

Nederland eiste dat Beatrix excuses aanbood. In Indonesië werd verbaasd gereageerd. ‘Excuses? Waarom?’

Met het ‘Tida tau, tuan’ in het verhaal van de generaal komt De tolk van Java in beeld. Zonen die schrijven over de gekte van hun vader: het lijkt een trend te zijn. In Birney’s geval maakt de vader het wel erg bont. Zowel de auteur als zijn broer wordt keer op keer afgeranseld, liefst met een riem, waarbij hun moeder, bijgenaamd kamerolifantje, de andere kant op kijkt. Tot de Kinderbescherming ingrijpt en de kinderen naar kostschool stuurt. Tot dan moet de auteur continu in een depressie hebben verkeerd, want alles is grijs en grauw om hem heen: de huizen, de straten, de buurt. De huisdieren gaan dood en nooit gebeurt er iets leuks. De enige troost biedt de gitaar. ‘Indo’s zonder gitaar zijn treurwilgen, pa.’

De schrijver geeft, waarschijnlijk terecht, de oorlog de schuld van het gedrag van zijn vader en al op de eerste bladzijden van het boek vat hij de wreedheden samen die deze heeft bedreven en ondergaan. Het zijn bladzijden die doorweekt zijn van bloed en het zwijgen over ons optreden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië lijkt hiermee wel voorgoed en afdoende doorbroken.

Vader zelf, hij noemt zich Nolan, is het onwettige kind van een aan lager wal geraakte Schot en een Chinese moeder. Er wordt veel gevochten en geslagen bij hem thuis en van zijn gewelddadige broers leert hij al heel jong schieten. Als de oorlog uitbreekt in Nederland en daarna in Indië wil hij meteen in dienst, maar met zijn vijftien jaar is hij daarvoor te jong. Hij wordt te werk gesteld in een fabriek die fietsen maakt voor het Japanse leger; als hij knoeit met de frames wordt hij door een collega verklikt en moet hij gruwelijke martelingen ondergaan. Eenmaal van zijn verwondingen hersteld slaat hij, totaal ‘mata gelap’, de man die hem verraden heeft dood. De vriend die daar getuige van is maar niet ingrijpt voelt zich medeschuldig, maar het verweer van Nolan luidt: ‘Als kind ben ik tot bloedens toe geslagen door mijn vader en beide broers… Zo ben ik opgevoed… En nu is het oorlog. Nu moet je echt voor je leven vechten. Daarom heb ik geen enkel gevoel van spijt.’

Dat zal blijken. In 1945, na de capitulatie van Japan, breekt in Nederlands-Indië de Bersiap-tijd aan. Daar weet ik over mee te praten: ik zie ze nog voor me, die pemoeda’s, jonge nationalistisch gezinde Indonesiërs. Ons kamp lag in de rimboe en toen wij kinderen buiten het prikkeldraad paddenstoelen aan het zoeken waren kwamen ze op ons af. Ze hadden rode haarbanden om en met bamboesperen joegen ze ons het kamp weer in. Aan onze Japanse kampcommandant, die zijn geweer nog had, werd toen opgedragen ons te beschermen.

We hebben nog maanden daar achter het prikkeldraad gezeten; toen we teruggingen naar de bewoonde wereld, vijf uur lang in de trein en bewaakt door Engelse militairen, zag ik onderweg op de stationnetjes een rood-witte vlag wapperen. Waar het blauw was gebleven? ‘Zeker een baadje van genaaid…’ In Medan kregen we een kamer toegewezen in ons eigen huis; er woonden zes andere families bij ons in en bij toerbeurt gingen de vaders wacht lopen, ’s nachts, want er gebeurden nare dingen bij ons in de wijk. Er gingen verhalen rond over inbraken, aanrandingen en verkrachtingen. Ik ben nog nooit zo bang geweest als toen en daar.

Ik vraag me af wat er door mijn vader heen moet zijn gegaan als hij daar zo liep. Hij was dominee en tegen gemeenteleden die na Pearl Harbour om geestelijke bijstand kwamen vragen, soms huilend, hoorde ik hem keer op keer zeggen: ‘Dit is het einde van de Nederlanders in Indië.’ Zijn proefschrift in 1922 had als titel Het nationalisme als zedelijk vraagstuk. Het moorden en rampokken door de extremisten zal hem zwaar zijn tegengevallen. Gelukkig werden wij relatief snel gerepatrieerd.

Nolan, die zich als Chinese Indo eigenlijk nergens bij voelt horen, kiest de kant van koningin Wilhelmina. Hij sluit zich, gewapend met een magisch vechtmes, aanvankelijk aan bij de geallieerde troepen en later bij het Knil. Vanwege zijn talenkennis wordt hij al gauw als tolk aangesteld, eerst bij de Mariniersbrigade, dan bij de afdeling Verhoor van Gevangenen. Dat baantje is hem eigenlijk te saai en hij neemt ontslag om zich in te lijven bij de mariniers. Voortaan zal hij politieke gevangenen en krijgsgevangenen moeten verhoren en daarnaast krijgt hij een militaire opleiding. Van het ene legeronderdeel naar het andere in een steeds belangrijker functie. Het verhoren gaat hem goed af en hij lijkt te genieten als hij een pemoeda of peloppor heeft moeten martelen om informatie los te krijgen. En waar hij aanvankelijk slechts gewapend met zijn dolk en een gummiknuppel op patrouille werd gestuurd, heeft hij voortaan de beschikking over een geweer en hij schiet op alles wat hem verdacht voorkomt. Zelfs dwars door een vrouw met een baby op de arm omdat zich achter haar rug een pemoeda verbergt. Daar moet hij nog wel eens aan terugdenken want dat kindje huilde zo…

Het verhaal van Nolan is een verschrikkelijk verhaal en de manier waarop hij het opschreef maakt het nog erger. Geen spoor van schuldbesef of schaamte. Geen zweem van empathie. Ik moet denken aan de film The Act of Killing, waarin een Indonesiër demonstreert hoe hij bij de koedetat in 1965 communisten kon vermoorden zonder dat zijn witte broekspijpen met bloed bespat raakten: met een wurgkoord. ‘Dat was ik!’ zegt hij, op een protserige gouden stoel gezeten tegen zijn kleinzoontje. ‘Zo deed ik dat!’ Er werden bij die staatsgreep vijfhonderdduizend mensen gedood door hun landgenoten; anderen werden verbannen naar het eiland Buru. Het zijn acties waar men in 1995 toch wel met voldoening op terugkeek. Die communisten waren altijd een bron van onrust geweest, een zogenoemde ‘imposed order’. ‘Net als het koloniale systeem. Iets wat van buiten komt kan niet goed zijn.’ Dus weg ermee! Eindelijk stabiliteit!

‘Kwaad vergaat, vreugd heugt’, in rood-wit-blauwe waterverf. ‘Eigenlijk is het juist omgekeerd, hè pap?’

Pas als onder gezag van Nolan een gevangenentransport grandioos misloopt – 45 doden in een afgesloten trein – wordt hij voor het gerecht gedaagd. Maar omdat hij door ventilatiegaten te maken had gedaan wat hij doen kon, wordt hij vrijgesproken. Inmiddels heeft hij zoveel landgenoten gemarteld en vermoord dat hij zijn leven niet meer zeker is. Bovendien staat hij op de zwarte lijst van Soekarno. Hij vlucht naar Nederland waar hij de Helmondse schoenmakersdochter trouwt met wie hij, gestimuleerd door de foerier, al een paar jaar correspondeerde. In Den Haag, waar hij gaat wonen, blijft hij, beducht voor wraakoefeningen, over zijn schouder kijken en slaapt hij met zijn dolk onder handbereik. En in 1985 gaat hij achter de tikmachine zitten om zijn memoires te schrijven. Wat er waar gebeurde en wanneer. Velerlei locaties en bijbehorende data. En vooral veel slachtoffers. Ontelbaar, onvoorstelbaar veel. Vaak schiet hij ze letterlijk en passant dood, zonder vorm van proces en met goedkeuring van zijn meerderen. Ze hebben geen naam, geen gezicht, geen identiteit van hem meegekregen. Het zijn gladakkers en ze moeten worden afgeslacht.

Als hij is uitgeschreven lijkt zijn razernij wat af te nemen. De ordners met memoires worden weggestopt en hij gaat opnieuw een gevecht aan, nu tegen de autoriteiten want hij wil zijn kinderen terug. Als die, eenmaal volwassen, het verhaal van hun vader gelezen hebben, gaan ze een beetje begrijpen wat hem bezield heeft. Hij sterft ten slotte een benijdenswaardige dood: onverwacht en plotseling in Benidorm.

Bijna tegelijk met het dikke boek van Birney kreeg ik De Groene Amsterdammer in huis met een lang, wijd uitwaaierend essay van Abram de Swaan: _Postkoloniale absences._ Er komen verdwaalde weesmeisjes in voor, welbespraakte tafeldames en overpeinzingen over hoe moeilijk het is om ergens niet aan te denken. Maar vooral gaat het over het vergeten, al of niet opzettelijk, van wat ons niet bevalt in ons verleden. De dingen waar we niet aan herinnerd willen worden: bijvoorbeeld onze koloniale tijd en de manier waarop we ons met hand en tand hebben verzet tegen de onvermijdelijke afloop daarvan. Oorlogsmisdaden worden verzwegen en excessen, eenmaal in een nota vastgelegd, weggeborgen. Zwarte bladzijden die uit onze geschiedenisboeken zijn gescheurd. Want bijna niemand heeft het er nog over, volgens De Swaan. Niemand die nog wil weten hoe het daar mis is gegaan.

Ik denk aan de handgeschilderde wandspreuk die we bij terugkomst in Holland van een tante cadeau kregen. ‘Kwaad vergaat, vreugd heugt’, in rood-wit-blauwe waterverf. ‘Eigenlijk is het juist omgekeerd, hè pap?’ Hij vond dat geen leuke opmerking. Hij had in zijn leven veel ellende meegemaakt, maar als wij kinderen over het kamp begonnen liep hij de kamer uit. Intussen stak hij niet onder stoelen of banken dat hij voor de onafhankelijkheid van Indonesië was en dat werd hem in de Synode niet in dank afgenomen. We roerden onze thee met ‘Ambon moet vrij’-lepeltjes. Indonesische deelnemers aan de Ronde Tafel Conferentie logeerden bij ons thuis.

Het enige waar hij spijt van had, zei mijn vader, was dat hij zich niet met meer kracht voor beter onderwijs had ingespannen. Hij was liever als leraar dan als predikant uitgezonden geweest, want in het begin van de jaren veertig ging in ons Indië meer dan de helft van de kinderen niet naar school. Dus met voldoening zag hij hoe Soekarno zich inzette voor alfabetisering. Meteen al, in 1945, waren studenten de desa’s in gegaan om les te geven in lezen en schrijven en voorlichting te geven over het onafhankelijke Indonesië. ‘Vaak wisten ze niet eens dat ze gekoloniseerd waren geweest.’

Na het overlijden van mijn vader – hij was pas 58 jaar oud – is mijn moeder teruggegaan en heeft verschillende scholen helpen oprichten. Voor bijzonder onderwijs want ‘daar was Soekarno net niet aan toe gekomen’. Ik wil er maar op wijzen dat er ook Nederlanders waren die in de Hollandse tijd goed werk hebben verricht in Indië. Ook dat lijkt te zijn vergeten; ook zij worden maar al te vaak als profiterende kolonialisten weggezet.

Het wegkijken waar De Swaan op doelt: het is gebeurd en het gebeurt nog steeds. Ik ben bijvoorbeeld benieuwd – maar ik zal het niet meemaken – hoe er over vijftig jaar over de val van Srebrenica wordt geschreven. Of gezwegen. Het filmpje van onze kroonprins die in juli 1995 met de Dutchbatters een feestje viert is immers al weer even geleden van het internet gewist.

De Swaan noemt naast een aantal boeken en studies, voornamelijk uit het buitenland, verschillende memoires van Nederlandse auteurs, waarin wordt onthuld wat wij tot nog toe niet wilden weten en waarin wij alsnog en terecht worden aangeklaagd. (De tolk van Java had hij kennelijk nog niet gelezen). Hij juicht toe dat er op aandringen van de SP en d66 een ‘breed en alles omvattend onderzoek’ gaat worden ingesteld naar wat er onder Nederlands gezag in de jaren 1945 tot 1947 werd misdreven, met name naar de oorlogsmisdaden die onder ons bevel gepleegd zouden zijn: hij wil die alsnog berecht en bestraft zien.

Zo’n uitgebreid wetenschappelijk onderzoek is uiteraard nuttig en noodzakelijk, maar bij de eindconclusie van De Swaan heb ik mijn bedenkingen. Tegen de daders die nog in leven zijn, inmiddels in de negentig, zou volgens hem door justitie eveneens een gerechtelijk onderzoek moeten worden ingesteld. En een eventuele schuldigverklaring zonder strafoplegging zou dan het billijkst zijn. Och arm: ik zie ze voor me, die stokoude mannen die nu nog even ter verantwoording worden geroepen voor wat ze zo lang geleden en zo ver weg in opdracht van onze regering verkeerd hebben gedaan? Ik moet er niet aan denken, maar ik denk eraan…


Mischa de Vreede is dichteres en schrijfster. Ze werd in 1936 geboren in Batavia in het voormalige Nederlands-Indië