De Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur (2)

En overal is de zee

Op 14 maart schreef Arie Storm in dit blad een essay waarin hij op zoek ging naar wat de Nederlandse literatuur zo Nederlands maakt. Het land, de grond en de luchten bleken belangrijk. In dit vervolg ontdekken we de rol van het licht en de zee voor de Nederlandse kunst.

Dat wat wel wordt genoemd wereldbeschouwing of wereldvisie is het minst interessante aspect van het schrijverschap. Dat wil zeggen: wanneer daar een ideologische of politieke visie onder wordt verstaan. Over de inrichting van de wereld, het decor en de coulissen, kan een schrijver echter wel degelijk zinnige uitspraken doen. In zekere zin is het zelfs zijn werk om een ruimte op een dusdanig memorabele wijze in te richten dat zijn personages en hijzelf er schijnbaar eindeloos in kunnen ronddwalen. Een schrijver wordt zelden beroemd of onthouden om zijn inhoudelijke ideeën, maar wel om het universum dat hij heeft gecreëerd. De ‘boodschap’ van De donkere kamer van Damokles (1958) van Willem Frederik Hermans is binnen vijf minuten aan een kind van tien uit te leggen. Dit geldt eigenlijk voor het gehele oeuvre van Hermans. Wat Hermans als schrijver echt groot maakt, zijn het landschap en de steden die hij in – bijvoorbeeld – deze roman in taal tot leven brengt. Hermans laat met dit boek, maar ook met zijn andere boeken, zien dat een Nederlandse schrijver woorden kan vinden voor onze Nederlandse gronden en luchten, voor onze zee, voor ons land, voor de plaats waar we beschutting zoeken, voor het gebied van onze voorouders. Van onmiskenbare invloed op een schrijver is de bodem waarop hij is opgegroeid en de historie daarvan. De Nederlandse werkelijkheid, de omgeving en de geschiedenis van die omgeving reiken de oplettende schrijver de beelden aan. Daarmee gaat de schrijver aan de slag. De beelden die de schrijver op die manier creëert, reikt hij vervolgens de lezer aan, die op zijn beurt in dit decor en tot zijn genoegen kan ronddwalen.
Het is gemakkelijk om grappig te doen over zoiets als de Nederlandsheid van de Nederlandse literatuur. Je kunt ontkennen dat zoiets überhaupt bestaat. Of je kunt er iets mechanisch van maken; je kunt er een soort parodie van maken door een zinloze reeks holle eigenschappen op te sommen. Binnen die reeks holle eigenschappen kun je flauwe tegenstellingen poneren. Op zijn website – wielkusters.blogspot.com – bezondigt Wiel Kusters zich, in een posting van 10 maart 2008, daar enigszins aan. De uit Kerkrade afkomstige Kusters merkt op dat er veel voor te zeggen is het dichtoeuvre van Gerrit Kouwenaar als typisch ‘Hollands’ te beschouwen, want: ‘Het is een in hoge mate “witte” poëzie, die strakheid en soberheid nastreeft op een wijze die eerder aan Mondriaan en de lege, witte kerkinterieurs van Pieter Saenredam herinnert dan aan zuidelijke meesters.’ Kusters creëert binnen Nederland een tegenstelling tussen het noorden en het zuiden. Op die vermeende tegenstelling wordt wel vaker gewezen, maar dit lijkt me weinig vruchtbaar. In Brilliant Orange: The Neurotic Genius of Dutch Football (2001; de Nederlandse vertaling uit hetzelfde jaar heet Het land van Oranje) gaat de Engelse voetbaljournalist David Winner op zoek naar dé kenmerken van het door hem bewonderde Nederlandse voetbal. Op een gegeven moment citeert hij Rob Ruurs van het kunsthistorisch instituut van de Universiteit van Amsterdam. Op aandringen van Winner vergelijkt Ruurs Hollandse voetballers met werk van de hierboven al genoemde schilder Pieter Jansz Saenredam. Ruurs zegt onder meer het volgende: ‘Op dezelfde manier waarop spelers als Van Basten en Cruijff iedere vierkante centimeter die ze op het veld hadden, bekeken, benutten en waardevol vonden, kun je zeggen dat Saenredam geobsedeerd was door ruimtelijke details.’ Ruurs benadrukt daarbij dat hij niet houdt van het werk van Rubens: ‘Ik wil niet zeggen dat Rubens luidruchtig is, maar hij is weelderig, rommelig.’ Ook hier zie je die suggestie van een dramatisch verschil tussen noord (Saenredam) en zuid (Rubens).
Zoals gezegd: die tegenstelling tussen noord en zuid lijkt me weinig vruchtbaar en is ook een valse. Rembrandt kan namelijk met evenveel recht een weelderig en rommelig kunstenaar worden genoemd als Rubens. Dat doet Simon Schama trouwens inderdaad met zoveel woorden in zijn boek Power of Art (2006; De kracht van kunst, 2007). Schama zet het gebruik van licht door Rembrandt (geboren in Leiden) af tegen de manier waarop bijvoorbeeld Vermeer (geboren in Delft, dus ook een noordelijke schilder) licht gebruikt. Voor het schilderij De samenzwering van de Batavieren onder Claudius Civilis – dit kunstwerk is helaas grotendeels verloren gegaan – trok Rembrandt alle registers open: ‘Het resultaat was een historiestuk zoals niemand ooit had gezien: overrompelkunst, rauw en barbaars, bepleisterd met dikke lagen verf waarin korsten en barsten mochten ontstaan die vervolgens werden weggegutst. En het is vooral een schilderij van licht, maar tegenovergesteld aan het licht van Vermeers transparante visioenen die de dagelijkse sleur in doorzichtige gratie doen baden. Rembrandts vaalgele licht brandt gevaarlijk, fosforachtig. Het is licht dat je moet mijden om niet te verschroeien.’ Tegenover de doorzichtige gratie van Vermeer staat het vaalgele licht van Rembrandt. De schilders hebben hun eigen aanpak, gebruiken op hun eigen manier het licht, terwijl ze in datzelfde licht hebben rondgelopen. Toch is wat beide schilders groot maakt, juist hun gebruik van het licht. Dat zou je typisch Nederlands kunnen noemen. (Hetzelfde, maar dit terzijde, kun je opmerken over het precieze gebruik van details van Vermeer en Rembrandt – en dát hebben ze weer met Mondriaan en Saenredam gemeen.) Op deze manier wordt en passant wel steeds concreter wat onder de Nederlandsheid van de Nederlandse kunst en ook literatuur kan worden verstaan en in welke richting die Nederlandsheid zou kunnen worden gezocht – of in welke richting die juist niet moet worden gezocht.
Maar laat ik eerst de vraag beantwoorden of zoiets belangrijk is, want je zou ook kunnen redeneren dat iedere schrijver (of iedere kunstenaar) een individu is. En dat ís natuurlijk zo (kijk naar Rembrandt en Vermeer). Maar het is níet zo dat dé cultuur begon op de dag dat de schrijver of kunstenaar zelf geboren is. Om het heel voorzichtig te formuleren: er was daarvóór al iets. En hoewel het Nederlandse onderwijs volledig verloederd schijnt te zijn, krijg je daar ook nu nog – in 2008 – op allerlei manieren het nodige van mee. En vindt dat ‘meekrijgen’ niet plaats via het onderwijs, dan steek je wel wat op van de omgeving waarin je opgroeit, de luchten waarnaar je kijkt, de huizen die je omringen. De architectuur waarin je je beweegt werkt onvermijdelijk op je in en, ja, zelfs het klimaat (regen, regen en nog eens regen) laat zijn invloed gelden. Of je krijgt dat wat voor je was mee van kleinere dingen die mysterieuzer van aard zijn. De legendarische historicus Huizinga stelde – ik citeer nu uit het boek De sublieme historische ervaring (2007) van Frank Ankersmit – ‘dat de historische ervaring bij hem vooral werd bewerkstelligd door onaanzienlijke resten van het verleden, zoals “een regel uit een oorkonde of een kroniek, door een prent, een paar klanken uit een oud lied”’.
Het lijkt mij belangrijk om je van het verleden bewust te zijn, op welke wijze dat verleden ook tot je komt. Waarom zou je je blik afwenden? Die Nederlandsheid ís er, die traditie, en die kunnen we maar beter op ons in laten werken en proberen te benoemen. Niet door bijvoorbeeld daas naar de zee te staren zoals Geert Wilders doet in een spotje van zijn politieke partij, maar door naar de zee te kijken zoals bijvoorbeeld Willem Brakman doet in het prachtige verhaal Water als water uit 1965: ‘Die zee was een troost, wij woonden achter de duinenrij, en dag en nacht hoorde ik de zee, de regen en de wind erover, het kantelen van de schelpen in het groene water en het terugstromen over de kleine steentjes als een klaterend applaus. Er waren de zoute onweersluchten, zwart en vet, die van de kust maar geen afscheid konden nemen, zoals daar ook waren de pijnen in de botten van mijn vader en grootvader, die aan de zee werden toegeschreven. De zee was overal, ’s nachts als de duisternis op de wereld lag omspoelde zij mijn bed en als het zo uitkwam dat het stormde, dan huiverde ik met de dekens om mijn gezicht getrokken als een baard, luisterde verrukt naar het zwartgroene gedreun, en hoopte er maar het slechtste van, want ik verlangde altijd sterk naar rampen.’
Ik geef Willem Brakman met opzet als voorbeeld. Hij is een kenmerkende Nederlandse auteur, zij het dan niet in de betekenis dat hij strak en rationeel proza schrijft; zijn proza is juist barok en weelderig. A. Alberts, om maar een schijnbare tegenpool te noemen, schreef een veel kaler oeuvre bij elkaar, maar ook hem vind ik een typisch Nederlandse schrijver. En om nog wat meer namen te noemen: A.F.Th. van der Heijden is wel weer een barokke schrijver en Nescio was een minimalist, maar ook deze schrijvers hebben Nederland duidelijk op zich in laten werken. Op een bijzonder concrete manier. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat deze auteurs ergens anders zouden zijn opgegroeid: er zit zo veel Nederland in hun werk! De Engelsman Peter Ackroyd stelt dat hij gelooft dat er zoiets bestaat als een nationale Engelse literatuur. En wat voor Engeland geldt, geldt in dit geval eveneens voor Nederland, denk ik. Zouden we de Nederlandsheid van de personages van Brakman en van A. Alberts en van Van der Heijden en van Nescio uit het oog verliezen, of niet durven te onderkennen, dan zouden we onszelf uit het oog verliezen of niet durven kennen. En dan zijn we ver van huis.