‘en overal stroomt mijn oog’

Ik had hem al eens in 1956 ontmoet en sinds mijn twintigste jaar kende ik hem iets beter. In 1962 maakte ik een eerste film over hem, Lucebert, dichter-schilder, en vanaf die tijd is hij een grote kracht in mijn leven geweest.

Tussen 1962 en 1966 - het jaar waarin ik Een film voor Lucebert maakte - was ik eigenlijk bij hem in de leer. Hoewel ik al een hele tijd met mijn eigen werk naar buiten trad, had ik het gevoel dat ik toen pas wist waarom het ging en hoe het verder moest. Wat hij deed was tegelijk zeer eenvoudig en zeer geheimzinnig, zoals hij zelf ook eenvoudig en geheimzinnig was. Met eenvoud bedoel ik natuurlijk niet: afwezigheid van complexiteit, maar dat zijn verhouding met de woorden, vormen, gedachten van een lijfelijke directheid was.
Door de filmerij zag ik hoe hij werkte en in zijn gedichten las ik wat hij daarover dacht. Zo veel was daarin geformuleerd over het zien, niet als middel, maar als onderwerp: het zien als onderwerp van het zien. ‘En overal overal stroomt mijn oog rivier van fotografie’ - ik weet nog steeds geen betere definitie van de cinema.
Lucebert was een kosmisch mens - en dat blijft hij - maar hij was onverzettelijk in zijn afwijzing van alle mooie praatjes van kosmische troost. In latere jaren heb ik met die onverzettelijkheid, die doem, wel eens geworsteld.
Ik wilde eigenlijk dat hij, vooral na zijn ziekte-ervaring, enigszins van de zwarigheid van de wereld verlost zou zijn (misschien ook wel om het er zelf wat makkelijker mee te hebben). Maar Lucebert zei: 'We gaan door tot de eindstreep.’ Dit doorgaan is niet minder dan een verzengende creatieve explosie geweest.
Ik schreef hem een keer met onzekere hand, dat wel: 'Kan men zich vrijelijk uitspreken over de liefde?’ Een paar maanden later kwam met de post de nieuwe bundel Van de roerloze woelgeest. Voorin had hij een groot hart getekend met daarin onze namen. In die bundel staan onverbiddelijke gedichten, vol woede tegen de dood, maar ook: 'er is leven na de dood’, dat nu ook op de rouwkaart afgedrukt staat. En daarin gaat het over een liefde die ik wel kan vermoeden, maar voorlopig nog niet bevatten.
Wat ik wel bevat heb, op alledaags lichamelijk niveau, en in toenemende mate gezien: Lucebert was een schuchtere, hoffelijke, lieve man, en je hebt de klere in dat hij er niet meer is.