Opheffer

En toch zeg ik ja

Het pacifisme heb ik afgelegd toen ik zo’n tien jaar geleden samen met mijn oude moeder naar de televisie keek en plotseling een foto zag van een man in een krijgsgevangenenkamp, waarop mijn moeder zei: «Goh, zo mager was ik ook toen.»

Nu schijnt er met die foto, zo heb ik naderhand vernomen, iets aan de hand te zijn. Hij was vals, of geposeerd. Dat doet er niet toe, er waren krijgsgevangenenkampen in Bosnië, en sterker: zoals we uit het Srebrenica-rapport weten, waren er soms niet eens krijgsgevangenenkampen, maar onmiddellijke executies.

Er zijn redenen, dacht ik toen, om oorlog te voeren. Om op pad te gaan en ten strijde te trekken. Er zijn velden van eer.

«Eer» was trouwens in de jaren zeventig een woord dat een buitengewoon smerige klank had, net als «commercie» en «vaderlandsliefde» en «winst». Je deed daar niet aan.

En tot op hoge leeftijd heb ik met name mijn vader nooit begrepen als hij mijn pacifisme verafschuwde.

«Dus jij had mij dood gewild», zei hij.

«Nee pap, oorlog lost niets op.»

«O nee? Als er geen oorlog was gevoerd, was ik hier niet geweest, dus jij ook niet.»

«Als niemand oorlog voerde, gebeurde er niets.»

«Maar er voeren wel mensen oorlog. Hitler voerde oorlog.»

«Dat was fout van Hitler, pap, dat had hij ook niet mogen doen.»

«Je bent stom, weet je dat?»

«Nee, ik heb gelijk. Als Hitler geen oorlog had gevoerd, hadden we vrede gehad.»

Wat moet ik mijn vader hebben gekwetst — altijd die «lekker puh»-grondtoon in mijn zinnen.

Ik vond mijn vader weerzinwekkend: hij kreeg tranen in zijn ogen wanneer hij het Wilhelmus hoorde, want toen hij bevrijd werd uit het kamp speelde men het Wilhelmus. Hij huilde ook als er luchtalarm was — oefening — en werd dan sentimenteel en zei zomaar: «Jullie (mijn broer en ik — Oph.) moeten dokter worden, dan hoef je niet naar het front.»

Waarvoor ik me het meest schaam — ik heb dat al eens beschreven — is het feit dat wij tijdens de Cuba-crisis regelmatig in de kast onder de trap gingen zitten, terwijl mijn vader met een zaklantaarn uit een klein rood boekje voorlas wat je moest doen bij een atoomoorlog.

Die schaamte heeft mijn hele lichaam toen doortrokken en is nog steeds niet verdwenen, waarschijnlijk omdat zij gepaard ging met een diepe angst voor oorlog, een angst die ik hoofdzakelijk weerspiegeld zag in de ogen van mijn vader en moeder.

Ik had ooms die in Spanje hadden gevochten, in 1936, ze waren hun Nederlanderschap verloren, en ik begreep ze niet, hoewel ze bij ons thuis werden voorgesteld als helden. Hoe kon je held zijn als je soldaat was geweest en met overtuiging mensen had gedood?

De vraag is nu of Amerika tegen Irak ten oorlog moet gaan. Ik ken het «driewerf nee» van Bart Tromp (iemand die ik bewonder), ik ken het «nee» van links, en toch zeg ik «ja».

Saddam moet weg. Een oorlog helpt. Oorlogen, zo weten we tegenwoordig, hebben vaak geholpen — in weerwil van wat je vaak hoort.

«Nooit meer oorlog» is een zin uit een droom. De uitkomst van een ideaal. Om dat ideaal te bereiken zul je nog vele oorlogen moeten voeren.