En toen was er ruzie

‘WIJ ZIJN NIET geraadpleegd of gekend’, zegt Leon Magnus. Op 2 januari schrijft hij namens 29 orthodox-joodse liefdadigheidsinstellingen een brief aan minister Zalm van Financiën. ‘Wij worden genegeerd’, zegt Micha Eitje, een andere ondertekenaar.

Op 4 januari schrijft professor Lion Daniël Meijers in een eigen brief aan de minister: ‘Ik zie niet in waarom vrij willekeurige instanties met dit geld op de loop zouden mogen gaan.’ Meijers pleit voor een verdeling over de 'Nederlandse joodse gemeenschap in zijn volle breedte.’
De bobo’s hebben al over het geld beslist, schrijft hoofdredacteur Tamara Benima afgelopen week in het Nieuw Israelietisch Weekblad. En: 'Een clubje notabelen beslist eigenmachtig over welke projecten geld krijgen.’
VAN HET DOOR nazi-Duitsland in Europa geroofde goud resteert nog 5500 kilo. Nederland krijgt daarvan 1200 kilo terug. Tegen de huidige koers komt dat neer op twintig miljoen gulden. Hoe dat geld te verdelen?
De ministerraad vroeg de commissie-Van Kemenade vorig jaar om advies. Na overleg met het Centraal Joods Overleg (CJO) kwam de commissie met het voorstel een miljoen uit te keren aan zigeuners en homoseksuelen. Negentien miljoen gulden gaat naar wat de commissie 'joods Nederland’ noemt.
En toen was er ruzie.
Want wie bepaalt wat 'joods Nederland’ is?
Het CJO spreekt niet namens iedereen, vinden de briefschrijvers. Zij voelen zich niet vertegenwoordigd door het Joods Maatschappelijk Werk, het Cidi of het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap - de grote joodse organisaties die binnen het CJO de dienst uitmaken. De briefschrijvers vinden dat de orthodoxe belangen worden vergeten.
Onzin, zegt het CJO. Alle orthodoxe joden zijn aangesloten bij het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap; ze eten koosjere waren, goedgekeurd door rabbijnen die wij betalen. Ze gaan naar synagoges die door ons worden onderhouden, en ze liggen op begraafplaatsen van onze organisatie.
Het is net als met het lidmaatschap van een vakbond: soms neemt het bestuur een beslissing waar niet alle leden het mee eens zijn. Zodra er geld te verdelen valt, kun je niet ineens gaan roepen dat je niet wordt vertegenwoordigd.
ZATERDAGMORGEN IN december, een synagoge te Amstelveen. De vaste bezoekers van de sjoel bespreken het laatste nieuws, zoals op elke sjabbes. Micha Eitje: 'Wat gek dat er niet aan ons is gedacht, zeiden we tegen elkaar. Er bleek een gedeelde onvrede te heersen over de verdeling van de negentien miljoen. De charitatieve stichtingen waar wij actief in zijn, worden niet vertegenwoordigd in het overleg met de commissie-Van Kemenade. Dat zijn stichtingen die dateren van voor de oorlog, ze bestaan soms al honderden jaren en zijn niet aangesloten bij het NIK. Het is toch te erg, bedachten wij, dat wij worden genegeerd. Alsof het orthodoxe deel van Nederland volledig verdwenen is na de oorlog.
We vonden dat we gehoord moesten worden en besloten ons te organiseren. Op 1 januari om tien uur bleek iedereen te kunnen. Binnen anderhalf uur hadden we namens 29 stichtingen een brief geschreven. Wij hebben ook recht op een deel van dat geld.’
HET LIEFST HADDEN professor Meijers en de briefschrijvers uit orthodoxe hoek gezien dat het geld rechtstreeks naar de erfgenamen van de vervolgingsslachtoffers was gegaan. Maar volgens de commissie-Van Kemenade levert dat te veel uitzoekwerk op, het geld zou verdampen in bureaucratische rompslomp, er zou maar een klein bedrag per persoon overblijven. Goed, zeggen de briefschrijvers, maar als het dan over joods Nederland moet worden verdeeld, is het logisch dat wij ook wat krijgen.
Het geld moet naar geen enkele joodse organisatie, vindt G. Philip Mok, columnist van het Nieuw Israelietisch Weekblad. Dat is liefdadigheid bedrijven met andermans bezit. De overheid moet het geld zelf verdelen en wel onder de vervolgingsslachtoffers zelf, vindt Mok. Volgens hem is de oplossing heel simpel. 'Zoek uit wie in een kamp hebben gezeten en geef die mensen hun geld terug. Het zullen hooguit een paar duizend man zijn die nu nog leven. De Nederlandse overheid heeft een morele schuld aan de joodse vervolgingsslachtoffers en heeft daarom besloten het gehele bedrag dat nog uitstaat te overhandigen aan de joodse gemeenschap. Dan, zou je zeggen, komt dat geld in de eerste plaats toe aan degenen die in een concentratiekamp zaten.’
Mok vindt niet dat de erfgenamen van de slachtoffers in aanmerking komen. 'Vererving heeft geen zin. Niemand weet precies wat de gedeporteerden bij zich hadden. Dat geld hoort niet naar mensen te gaan die ná de oorlog zijn geboren. Het moet gewoon naar de mensen aan wie het toekomt: naar degenen die de oorlog meemaakten.’
'HET IS EEN afzichtelijke misvatting om te denken dat individuen recht hebben op dat geld’, zegt Harrie Hes, die als vertegenwoordiger van het Joods Maatschappelijk Werk zitting heeft in het Centraal Joods Overleg. 'Maar een heel klein gedeelte van het geroofde goud was van joden - dat is het vreselijke tanden-en-kiezenverhaal. Het grootste gedeelte van het goud dat nu aan Nederland wordt terugbetaald, is gewoon monetair goud, geplunderd uit de kluizen van de Nederlandse Bank.’
Volgens Hes heeft de Nederlandse overheid er nadrukkelijk voor gekozen de 'onsmakelijke’ discussie te vermijden over welk deel van het goud 'besmet’ is en dus terug zou moeten naar de erfgenamen. Vermoedelijk is slechts vijf procent van de 1200 kilo omgesmolten joods bezit. Hes: 'Om ethische redenen besloot de overheid het totale bedrag ten goede te laten komen aan joodse instellingen, en niet aan individuen.’
HET LIJKT DUS uitgesloten dat er geld wordt uitgekeerd aan individuen. De ministerraad heeft besloten dat voor de verdeling van het geld een speciale stichting moet worden opgericht, waar elke joodse organisatie een beroep op kan doen. Iedereen met een goed plan of project komt in aanmerking voor een deel van de negentien miljoen. Wie precies in de stichting plaats zullen nemen, is nog onbekend. Volgens Hes kan men ervan uitgaan dat het een raad van 'wijze mannen’ zal zijn.
Daar gaat niet iedereen van uit. In orthodoxe hoek bestaat de vrees dat de te jongens’ die het dichtst bij de geldkraan zitten en met de overheid overleggen, het geld zelf zullen houden. Briefschrijver Eitje: 'Het zijn heus geen schurken die het geld in hun eigen zak willen steken, maar er heerst wel een regentenmentaliteit. Andere mensen zullen wel beslissen wat goed voor ons is. Zonder overleg.’
Hoofdredacteur Tamara Benima van het NIW gaat een stapje verder. De houding van het Centraal Joods Overleg doet haar denken aan die van de Joodse Raad tijdens de Tweede Wereldoorlog. 'Dicht bij de machthebber zitten om erger te voorkomen.’
Dat de verdeling van het zogeheten 'goudgeld’ nu al tot verdeeldheid leidt, vindt CJO-man Hes treurig. 'Dat is schreeuwen voor je geslagen bent. Er is nog niks besloten. Het lijkt wel alsof die negentien miljoen het ergste is wat de joodse gemeenschap deze eeuw is overkomen. Er wordt ruzie gemaakt over de ruggen van zo veel vermoorde mensen.
Ik was stomverbaasd toen ik hoorde dat die 29 organisaties zich opwerpen als belanghebbenden. Ik wist niet eens dat er zo veel joodse liefdadigheidsinstellingen bestonden. Van de meeste heb ik nog nooit gehoord. Ze kunnen straks, net als een, gewoon een aanvraag indienen bij de stichting. Laten ze maar komen vertellen wie ze zijn en wat ze doen. Dan beslist het stichtingsbestuur wel of ze recht hebben op een bedrag.’
NEGENTIEN MILJOEN te verdelen, en zo veel belanghebbenden. En iedereen heeft zo zijn eigen ideeën over de beste bestemming ervan. De overheid stelt maar één globale voorwaarde: met het geld moet de joodse identiteit worden versterkt en er moet een brede basis worden gelegd voor het jodendom van de toekomst.
De 'joodse identiteit’ is net zo'n ruim begrip als de aanduiding 'joods Nederland’. Orthodoxe joden bedoelen er wat anders mee dan een niet-religieuze organisatie als Joods Maatschappelijk Werk. Briefschrijver Leon Magnus: 'Onze stichtingen willen de oorspronkelijke doelstellingen van het joods-zijn bevorderen. Al tweeduizend jaar betekent dat voor ons: kennis vergaren van de thora en de geschiedenis van het joodse volk. Leren om het leren vinden wij zelfs nog belangrijker dan naar de synagoge gaan. Het JMW zal de joodse identiteit eerder promoten via de disco.’
'Regentesk, dat zijn de heren van de joodse instellingen’
Lion Daniël Meijers (59) is bijzonder hoogleraar antropologie van het jodendom aan de VU in Amsterdam. In zijn huis in Amstelveen hangt een aaron kodesh, een houten kastje waarin de thora wordt bewaard. Het kastje vond zijn familie na de oorlog terug, de thora zat er nog in. Van de bibliotheek van zijn overgrootvader is een boekenplank overgebleven. Waar de rest is, weet Meijers niet. Het interesseert hem ook niet. De lijst met verdwenen spullen die hij vorig jaar van zijn vader kreeg, heeft hij weggegooid. Misschien zijn er ergens in Nederland nog bank- of spaarrekeningen van familieleden. Meijers is er nooit achteraan gegaan. Hij wil er niets mee te maken hebben.
Dat wil zeggen tot begin dit jaar. Toen begon er iets te knagen. Op 4 januari schreef Lion Daniël Meijers een open brief aan minister Zalm van Financiën.
'Ik ben niet zo'n brievenschrijver’, vertelt hij. 'Het liefst had ik de hele kwestie van me afgezet. Maar het bleef me dwarszitten. De overheid maakt rare sprongen met het nazi-goud. Het is toch volkomen vanzelfsprekend dat bezittingen van overleden personen naar de nabestaanden gaan? Het goud uit de kiezen van mijn grootmoeder is van mijn vader. Die negentien miljoen moet worden verdeeld over de erfgenamen van de slachtoffers, en dat zijn bijna alle joodse mensen die in Nederland wonen.
Vrijwel geen enkel joods gezin is ongeschonden uit de oorlog gekomen. Er werd alleen nooit over gepraat. Je vroeg niet hoeveel broers of zussen iemand had. Ieder voor zich weet wie hij verloren heeft. Daar kan geen onduidelijkheid over bestaan. Spoor die nabestaanden op, zoveel zijn het er niet.
En als het geld om bureaucratische redenen niet rechtstreeks aan individuen betaald kan worden, dan moet het naar joodse instellingen. De overheid is in zee gegaan met vertegenwoordigers van een aantal “officiële” instanties, Joods Maatschappelijk Werk en het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap bijvoorbeeld. Zij werpen zich op als representanten van joods Nederland.
Als wetenschapper heb ik voldoende inzicht in het Nederlands jodendom om te zeggen dat deze clubs absoluut niet joods Nederland vertegenwoordigen. Het aantal leden van het NIK is sinds de jaren vijftig gehalveerd. Volgens sommigen is dat een bewijs van de toegenomen secularisatie onder de joden. Het lijkt me eerder een bewijs van de verzwakte positie van het NIK zelf.
Orthodoxe joden sluiten zich steeds meer bij andere organisaties aan. Ik ben lid van het NIK om maar één enkele reden: ik wil een joodse begrafenis, en zij hebben de begraafplaatsen. Waarschijnlijk hebben ze meer dode dan levende leden.
Voor het Joods Maatschappelijk Werk geldt hetzelfde. Op zichzelf is dat een prima organisatie. Ze vertegenwoordigen alleen niet uitsluitend joods Nederland. Honderd jaar geleden deelden ze nog gebedsriemen uit, dat doen ze al jaren niet meer. Ik vraag me af of ze nog weten wat gebedsriemen zijn. Mij vertegenwoordigen ze in elk geval niet.
Regentesk, dat is het. De heren van de grote instellingen zullen wel even beslissen wat er met het geld moet gebeuren. Over de ruggen van de slachtoffers doen ze hun voordeel met ons geld. Ik vind dat onsmakelijk. Niemand hoeft voor mij te bepalen wat er met mijn erfenis gebeurt.
Dat er opzet of kwade wil in het spel is, geloof ik niet. Iedereen heeft vast de beste bedoelingen met dat geld. Er is geen beste oplossing. Maar een club van vijf, zes regenten die schijfjes van die negentien miljoen gaat verdelen; dat is een verkeerd idee. Geef het dan aan educatieve en charitatieve instellingen. Probeer zoveel mogelijk erfgenamen te bereiken onder de liberale en de orthodoxe joden, en maak een fonds voor de mensen die niks meer met hun joodse afkomst te maken willen hebben.
Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen: joden en geld, dat wordt ruzie. Die vooroordelen leven nu eenmaal. Een paar jaar geleden droeg ik een goudkleurig horloge. Vroeg een studente aan me: “Dragen alle joden een gouden horloge?” Het was een eenvoudig ding, het liep nog slecht ook. Dat soort stereotyperingen doen me niks. Hoewel… Het feit dat ik me dit voorval zo goed herinner, geeft te denken. Maar dat er vooroordelen leven, betekent niet dat Nederland een antisemitisch land is. Wie dat beweert, weet niet wat antisemitisme is.
Het gaat me niet om het geld. Per persoon zal het hooguit een paar honderd gulden zijn. Ik weet niet eens of ik het zelf zou willen houden. Het is besmet. Maar als ik het weggeef aan een joodse organisatie, dan wil ik dat zelf kunnen beslissen. Dat hoeft niemand voor mij te doen.’