Voorbij de crisis (2) De groene keynesianen

En toen was het geld op

Het leek dé oplossing voor alle mogelijke crises waar de planeet mee kampt. Maar de plannen om de wereldeconomie op nieuwe, groene leest te schoeien zijn verwaterd en vergeten. De voorvechters van de Green New Deal mikken op een tweede ronde.

TOT BOVEN aan de smalle dijk langs de Lek staan de auto’s bumper aan bumper. Voorbij de ingang tot de rioolwaterzuiveringsinstallatie in het Utrechtse IJsselstein gaat de slinger over in een haag van donkere BMW’s en Mercedessen. Minister Maxime Verhagen van Economische Zaken zal het de eigenaren niet kwalijk nemen. Samen met een paar honderd vertegenwoordigers van ministeries, milieuorganisaties, maar vooral het bedrijfsleven is de CDA-bewindsvoerder hier op deze maandagmiddag in oktober naartoe gekomen voor een feestje. Op het bloedhete podium in de witte feesttent presenteert hij opgetogen de eerste 59 ‘Green Deals’. 'We willen geen moralistische stok zoeken om de burger mee te slaan’, zo vat hij de achterliggende filosofie samen voor zijn publiek. 'We willen samen zorgen dat milieu leuk wordt. Er wordt een tegenstelling gecreëerd tussen groen en groei. Die is er niet!’
Het idee klinkt aantrekkelijk. 'Het kabinet beoogt een Green Deal met de samenleving’, heette het vorig jaar in het regeerakkoord tussen VVD en CDA. Daarbij leggen bedrijven, organisaties en lagere overheden zichzelf verplichtingen op om energie te besparen, gebouwen te isoleren of anderszins het klimaat te redden. Verhagens ambtenaren beperken zich tot een ondersteunende rol. Dat strookt goed met het christen-democratische gedachtegoed. En het kost niets. Sterker nog, het kan zelfs geld opleveren. 'Voor ons als ondernemers was milieu altijd lastig’, legt werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes uit in IJsselstein. 'Het was een kostenpost. Maar dat is veranderd. Milieu is een kans geworden.’
Om dat te onderstrepen, klimt de ene na de andere ondernemer het podium op om zijn goede voornemens uit te spreken. De KLM belooft nog meer toestellen te laten vliegen op biokerosine. Champignonkwekerij ’t Voske uit het Brabantse Uden wil het gebruikte compost gaan verbranden. Dat levert energie op. Niet alleen voor de eigen kwekerij, ook de aardbeientelende buren mogen meeprofiteren. Minister Verhagen vindt het prachtig. 'Hij verdient geld. Ik zorg dat hij een vergunning krijgt.’
Op de achtergrond klinkt geklater. Het geluid komt van het direct naast de tent gelegen ronde bassin, waar het ongezuiverde rioolwater in aankomt. Nóg een voorbeeld van een Green Deal die alleen maar winnaars kent, legt een medewerker van het hoogheemraadschap na afloop uit aan de minister en diens collega, staatssecretaris Joop Atsma van Infrastructuur en Milieu. Het Haagse gezelschap wordt rondgeleid langs de talrijke waterbekkens met hun bruine schuimkoppen. Daar zakt het slib - poep en andere onsmakelijkheden dus - naar de bodem.
Vroeger was dat een restproduct. Maar nu heeft het slib een nieuwe bestemming in de grijze en zwarte kokers verderop. Dat zijn niets minder dan kleine energiecentrales. Want, zo wordt het hoge bezoek voorgehouden, eigenlijk bevat rioolwater tienmaal zo veel energie als nodig is om het te zuiveren. Met andere woorden: elke keer dat we naar de wc gaan, produceren we schone energie. Het is slechts zaak die er zo efficiënt mogelijk aan te leren onttrekken.
Inderdaad, zo wordt milieu leuk. Maar is het ook voldoende om, naar analogie met de jaren dertig, de economie op nieuwe, groene leest te schoeien én een terugval van Nederland in de recessie te vermijden? Staatssecretaris Joop Atsma kijkt verstoord. Wandelend over het terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, begint er na een korte stilte iets te dagen. 'Ah, u doelt op de New Deal van president Roosevelt. Nee, daar is geen verband mee. Wij hopen met onze Green Deals op een soort sneeuwbaleffect vanuit de samenleving.’ Dat is een heel ander uitgangspunt dan de New Deal, waarbij de overheid van bovenaf de economie nieuw leven inblies. Atsma: 'In plaats daarvan zeggen wij: laat bedrijven en overheden samen kijken waar behoefte aan is. Ik sprak vandaag bijvoorbeeld iemand van een tapijtenfabriek. Zij hebben een duwtje in de rug nodig. Tapijtafval blijkt op dit moment namelijk niet apart te worden ingezameld door gemeenten. Hierdoor ontbreekt het die fabriek aan voldoende materiaal om te kunnen recyclen. Daar kunnen wij helpen.’

'HAALBAAR en betaalbaar’, zo verwoordt Atsma’s woordvoerster het. Dat klinkt iets minder ambitieus dan aanvankelijk beoogd werd met de Green New Deal. Het historische voorbeeld daarvoor was wel degelijk de wijze waarop Franklin D. Roosevelt de Grote Depressie aanpakte. De Amerikaanse president liet nieuwe wegen aanleggen, scholen optrekken en dammen bouwen. Zinloze geldsmijterij, oordeelden zijn critici. Maar volgens de voorstanders werd hiermee het economische fundament gelegd voor de 'gouden decennia’ van het naoorlogse kapitalisme. Op soortgelijke wijze moesten ook met de moderne versie meerdere vliegen in één klap worden geslagen. Aan crises immers geen gebrek in de 21ste eeuw. De wereld kampt met klimaatverandering, milieuvervuiling en een naderend tekort aan olie en andere grondstoffen. Als klap op de vuurpijl lijkt zij zich maar niet te kunnen ontworstelen aan de meest hardnekkige economische stagnatie sinds de Tweede Wereldoorlog.
Op het (voorlopige) hoogtepunt van de schuldencrisis in 2008 lag het idee van een groene New Deal dan ook op ieders lippen. Secretaris-generaal Ban Ki-moon van de Verenigde Naties prees het aan. De Europese groene partijen gingen ermee aan de slag. En ook de Amerikaanse president Obama toonde zich een voorstander. In zijn land buitelden de onderzoekers over elkaar heen met beloftes over groene investeringen die twee, tweeënhalf, nee vijf miljoen nieuwe banen zouden creëren. Wilde het overleven, dan moest het kapitalisme groen worden. En snel ook.
Maar waar was die gedachte zo plotseling vandaan gekomen? De oorsprong van de Green New Deal ligt in Engeland. Dat is althans de overtuiging van Colin Hines. Al meer dan dertig jaar lang actief in de milieubeweging, waaronder Greenpeace, bracht Hines in 2007 een groep mensen bij elkaar: de Green New Deal Group. 'Ik hield me in die tijd bezig met Roosevelts New Deal’, vertelt hij. 'Ik wilde weten hoe hij dat gedaan had, en wat de paralellen zijn met het heden.’ Die paralellen bleken groot. Gevaarlijk groot, meent Hines: 'De kredietcrisis was iets wat echt wel veel mensen zagen aankomen. Maar we hadden een plan nodig om het debat daarover te beïnvloeden. Dus ben ik om de tafel gaan zitten met personen met wie ik in de loop der jaren in allerlei politieke campagnes heb samengewerkt. Mensen uit de milieubeweging, van The Guardian, de Green Party. Het plan dat daaruit voortkwam, werd de Green New Deal. Volgens mij waren wij de eersten die de term gebruikten.’
Grote bekendheid verwierf de Green New Deal vervolgens dankzij de Amerikaanse bestsellerauteur Thomas Friedman. Hij gebruikte het in zijn boek Hot, Flat and Crowded. 'Zoals het met onze huizen is gegaan, ging het ook met ons land: we hebben hypotheken genomen op onze toekomst in plaats van erin te investeren’, schreef hij in het voorwoord. In de slordige vierhonderd pagina’s die daarop volgden, schetste hij het alternatief: een groene revolutie. Niet om de bestaande verhoudingen omver te werpen, maar om ze te behouden. Het groen van Friedman was namelijk, zoals hij het zelf uitdrukt, 'geostrategisch, geo-economisch, kapitalistisch en patriottisch’. Wil Amerika ook de komende eeuw het machtigste land ter wereld blijven, dan moet het in plaats van financiële zeepbellen weer iets tastbaars gaan maken. En, zo betoogde Friedman, wil het daarbij de concurrentie met goedkopere landen als China en India aankunnen, dan dient het zich toe te leggen op duurzame, kennisintensieve productie.
De crisis van 2008 deed de rest. 'Onze eigen premier Brown gooide van de ene op de andere dag Friedrich Hayek eruit, om in één beweging John Maynard Keynes te omarmen’, herinnert Hines van de Green New Deal Group zich. 'De vrije markt zat echt even in de hoek waar de klappen vallen.’ De snelheid waarmee die ideologische ommekeer zich voltrok, verbaasde zelfs de meest fervente aanhangers van dé econoom van de twintigste eeuw. Robert Skidelsky, auteur van de veelgeprezen driedelige Keynes-biografie en een van de meest prominente verdedigers van diens ideeën, gaf toe dat ook hij in de jaren voor de crisis 'de niet-keynesiaanse boodschap verinnerlijkt’ had. Tot op zekere hoogte althans. 'Als biograaf van Keynes heb ik nooit volledig mijn geloof in hem laten varen’, biechtte hij eerder dit jaar op in een lezing voor het Oostenrijkse Renner Instituut. 'Maar uit de laatste zin van die biografie blijkt duidelijk dat ik niet al mijn geld op hem durfde in te zetten: “Keynes’ ideeën zullen zo lang voortleven als de wereld ze nodig heeft.” Natuurlijk, maar heeft zij ze nog nodig?’
Het antwoord was een luid en duidelijk 'ja’. 'An old economist finds new rock star status’, kopte The Christian Science Monitor. Ineens was iedereen weer geïnteresseerd in Keynes en zijn ideeën over de animal spirits. Anders dan de dominante economische scholen beweren, aldus Keynes, neigt de vrije-markteconomie helemaal niet uit zichzelf naar evenwicht. Kapitalisten zijn irrationele wezens. Het ene moment zijn ze door het dolle heen. Dat was bijvoorbeeld het geval tijdens de internetbubbel eind jaren negentig. Maar als het vervolgens misgaat, zoals rond de instorting van de Amerikaanse huizenmarkt, zijn ze er met geen mogelijkheid toe te bewegen nog langer hun geld uit te geven. De centrale bank mag de rente verlagen wat ze wil, ze kan geld bijdrukken - het helpt niets. Het wordt allemaal opgepot. Zou de economische crisis aan de markt worden overgelaten, concludeerde Keynes, dan kan ze zich tot in de lengte der dagen voortslepen. De enige die deze patstelling kan doorbreken, is de overheid. Daarom moet zij het voortouw nemen. Met ambitieuze investeringsprogramma’s kan de gekelderde vraag worden aangezwengeld.
En zo geschiedde in 2008. Met dien verschille dat het neokeynesianisme werd voorzien van een groen randje. Zo besloot Zuid-Korea de economie te stimuleren met investeringen ter waarde van 36 miljard dollar. Tweederde van dat geld ging naar klimaatmaatregelen. Ook andere regeringen toonden daadkracht. 'Ongeveer vijfien procent van alle crisisinvesteringen die wereldwijd werden toegezegd, waren bestemd voor de uitbouw van schone energie, recycling en andere ecologische plannen’, schat econoom Moustapha Kamal Gueye, verbonden aan het VN-programma dat wereldwijd de overgang naar een groene economie wil bevorderen.
Ook in Nederland leefde de Green New Deal. Toenmalig minister Jacqueline Cramer (PVDA) van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu wijst desgevraagd op het crisispakket dat het kabinet-Balkenende IV lanceerde. 'Natuurlijk kan het altijd grootser’, geeft ze terugkijkend toe. En ja, er ging ook veel geld naar het wegennet. Maar toch: 'Dat pakket was echt een poging de gedachte te verwezenlijken achter de Green New Deal: dat je met groene groei banen kunt scheppen. Er zaten bijvoorbeeld maatregelen in om de woningbouw duurzamer te maken.’

EN TOEN sloeg de bankencrisis over op de nationale staten. Natuurlijk was er al eerder kritiek op de Green New Deal. The Economist vreesde dat het tot overdreven staatsbemoeienis en geldverspilling zou leiden. Vanuit de milieubeweging luidde het bezwaar juist dat het groene keynesianisme nog altijd de oplossing zoekt in economische groei. Die mantra zou de wortel van alle problemen zijn.
Maar de doodsteek voor die ene wonderpil die alle problemen moest verhelpen, was uiteindelijk veel banaler. Het geld was op. In het licht van snel oplopende overheidstekorten gold de Green New Deal plotseling als een te dure hobby. Die konden staten zich, in hun pogingen in de gunst te blijven van de zenuwachtige financiële markten, niet permitteren. Toonde het uitblijven van economisch herstel bovendien niet aan dat de neokeynesiaanse stimuleringspolitiek zonder effect was gebleven? De voorstanders brachten daar nog tegenin dat het veel te vroeg was om hierover te oordelen. Voordat de reddingspakketten goed en wel konden aanslaan, stelden economen als Paul Krugman, was de politiek al begonnen de prille groei kapot te bezuinigen. Maar het keynesiaanse moment was voorbij.
Vandaag de dag willen overheden heus wel wat voor het milieu doen. Als het maar niets kost - zoals de Nederlandse Green Deals. Ron Wit van Natuur & Milieu, dat in tegenstelling tot sommige andere milieuorganisaties wél zijn steun uitsprak voor deze aanpak, heeft er niettemin gemengde gevoelens bij. Liever dit, oordeelt hij, dan 'aan de zijlijn staan met schone maar lege handen’. Maar een echte Green New Deal, zoals zijn organisatie een paar jaar geleden nog voorstelde samen met vakbond FNV Bondgenoten? Nee, dat is het niet. 'In ons oorspronkelijke plan ging het om grote, structurele veranderingen. Dus niet in vijf wijken een pilotproject starten rond energiebesparing, maar meteen in heel Nederland isolatie aantrekkelijker maken.’ Niet dat hij iets tegen individuele projecten heeft, 'maar daarmee win je de oorlog niet’.
Oud-minister Cramer is nog duidelijker. Volgens haar moet een Green New Deal draaien om de wisselwerking tussen bottom-up en top-down. Alleen maar hopen op initiatieven van onderop, zoals het huidige kabinet doet, werkt niet. Dat vond ze toen, als minister. En daarvan is ze ook nu nog overtuigd, als wetenschapster en directeur van het Utrecht Sustainability Institute. 'Het is heel positief dat de groene onderstroom in het bedrijfsleven nu de bovenstroom is geworden. Echt, geloof me, daar zitten mensen die verder zijn dan de milieubeweging. Maar de overheid moet wel doelen blijven stellen. Dáár dienen we over x jaar te zijn, dat idee. Alleen zo creëer je voor het bedrijfsleven een gelijk speelveld. Je dwingt het peloton om de groene koplopers te volgen. Want met name de oude, vervuilende industrie die zwaar leunt op fossiele energie zal hier echt niet zomaar in meegaan.’
Het zijn doordachte adviezen - maar wel vanaf de zijlijn. Daar moeten de voorvechters van de Green New Deal met lede ogen aanschouwen hoe de regerende politici er, alle miljardenbezuinigingen ten spijt, maar niet in slagen de schuldencrisis te bedwingen. 'De vraag loopt terug, de werkloosheid op. Onze regering doet 1929 nog eens dunnetjes over’, verzucht activist Colin Hines van de Green New Deal Group. Het sterkt hem in de overtuiging dat het laatste woord over de wereld voorbij deze crisis nog niet gezegd is. 'Ik heb sterk het gevoel dat, nu de economische problemen weer oplaaien, er een tweede ronde zit aan te komen voor de Green New Deal.’ Dat overheden geen geld meer hebben om de economie van de grond af te herbouwen, weet hij. Maar juist op dat punt ziet hij een belangrijk onderscheid tussen Roosevelts New Deal en de 21ste-eeuwse versie. 'Die van ons is groen, natuurlijk. Maar een ander verschil is dat Roosevelt voornamelijk overheidsgeld gebruikte bij zijn investeringen. Tegenwoordig is er enorm veel privaat geld beschikbaar, bijvoorbeeld bij pensioenfondsen. Dat zit nu nog in aandelen of andere beleggingen. Maar het kan natuurlijk ook ten behoeve van een Green New Deal worden ingezet.’
De staat hoeft heus niet altijd met geld te smijten, wil Hines maar zeggen. 'Stel dat een particulier bedrijf investeert in de isolatie van vijftienduizend woningen. Dat betaalt zich in principe uit.’ De bewoners kunnen het bedrijf elk jaar een stukje afbetalen. Dat doen ze met het geld dat zij op hun lagere energierekening besparen. Het grootste commerciële risico is dat mensen in de loop der jaren om de een of andere reden stoppen hun rekeningen te betalen. Alleen daar ligt een taak voor de overheid, denkt Hines. 'Mochten klanten niet terugbetalen, dan neemt zij die schuld op zich. Zie het als een soort groene afzetgarantie voor het bedrijfsleven.’
Ook Cramer vindt het te vroeg om de Green New Deal bij het vuilnis te zetten. 'Economisch heeft de wereld jarenlang op de pof geleefd. Dat doen we ook met het milieu. We leven op kosten van toekomstige generaties.’ Wil je daar iets aan veranderen, aldus Cramer, dan ontkom je er niet aan de economie radicaal te vergroenen. Ook als het financieel tegen zit. 'Als het slechter gaat met de economie, wil dat heus niet automatisch zeggen dat alles wat over duurzaamheid gaat maar in de prullenbak moet. Het hoeft niet allemaal bakken met geld te kosten. Er zijn ook andere financieringsconstructies mogelijk. Het is tijd dat we daar creatiever over na gaan denken.’