Go Lesbos!

‘En waar zijn al die journalisten nu?’

Op Lesbos lijkt na de stroom vluchtelingen alles weer rustig en schoon. Maar de bewoners zijn getraumatiseerd en de toeristen keren niet terug. De priester tuurt de zee af.

Medium gettyimages dv1915101

Op het bovenste dek van de boot naar Lesbos waggelt een vet blond teefje tussen onverschillige passagiers, in paniek op zoek naar haar baasje. Ze piept, jankt en sleept een kokette rode riem achter zich aan. Honden horen in hokken in het ruim, dus dit klopt niet. Ik laat het bij de receptie omroepen. Vijf keer. Geen reactie. Personeelsleden met walkie-talkies beginnen een zoekactie. Iemand weet te vertellen dat ze met een bejaarde dame aan boord is gegaan, dus maken we alle in stoelen knikkebollende omaatjes wakker met de vraag of het beestje van haar is. Uiteindelijk vinden we haar snurkend, pal naast een reuzen tv-scherm, waardoor ze niets van het omroepgeschal had gehoord.

Angeliki, 75, slecht ter been, net zo dik als haar pet, wist niet beter dan dat Rosa in haar hok zat, ze huilt van schrik en opluchting. Ze heeft ook een grote rode kater in een doos bij zich en een volumineuze kraai in een kooi. Sinds haar man drie jaar geleden is overleden reist ze iedere zomer alleen met haar persoonlijke dierentuin van Athene naar haar geboortedorp midden op Lesbos.

Rosa terug in haar hok is geen optie meer. De bootjongens in uniform en ik lopen met haar mormels en tassen achter Angeliki aan naar boven waar ze met haar dierenvrienden mag vertoeven. Ze verbiedt me in het self service restaurant te eten: ‘Daar loop je gegarandeerd salmonella op, net als in de vluchtelingenkampen, want daar krijgen ze ook rotvoedsel van dezelfde leveranciers.’ Gul trakteert ze me op haar gevulde tomaten en paprika’s, warme koffie uit haar thermosfles, zelfgemaakte wijn.

Sinds 22 mei – toen het Griekse parlement, gedwongen door de EU, nog meer onmogelijke bezuinigingen moest doorvoeren – is haar weduwenpensioentje van 600 tot 320 euro per maand geslonken. ‘Dit is dus waarschijnlijk de laatste keer dat ik mijn geboortedorp bezoek en mijn daar nog wonende broers en zuster kan zien’, stelt ze opmerkelijk monter. Haar drie kinderen zijn verpleegkundigen en vanwege de crisis verhuisd naar Dubai, waar wel werk is.

Medium hh 51088056

Tot diep in de nacht luister ik naar Angeliki. Ze kan niet stoppen met vertellen. Over wat Lesbos vorige zomer is overkomen. Over de invasie van meer dan zevenhonderdduizend berooide, getraumatiseerde, soms gewonde of doodzieke, zelfs stervende of al gestorven aangespoelde mannen, vrouwen, kinderen en baby’s. Over het merendeel van de in totaal meer dan een miljoen vluchtelingen die via haar eiland in 2015 het Schengengebied bereikten.

De verwachting van de apathische EU-leiders was dat de mensenstroom vanaf november vorig jaar wel vanzelf zou afnemen. ‘Maar zelfs in de winter, ondanks de ijskoude zee, hoge golven en plots opstekende stormen, bleven ze komen’, vertelt Angeliki, die in die tijd constant telefoneerde met kennissen en familie in haar geboortedorp. ‘Iedereen was verbijsterd, niemand begreep hoe dat kon’, herinnert ze zich. ‘En we raakten nog meer in shock, want het aantal bootjes dat de kust bereikte werd wel minder, maar er spoelden meer lijken aan dan ooit.’

Pas door de EU/Turkije-deal – Brussel beloofde Ankara zes miljard euro en vrij visumverkeer in heel Europa voor alle Turkse burgers, in ruil voor het opnemen van drie miljoen vluchtelingen én het bewaken van de Turkse kust – kwam er een einde aan de vluchtelingenstroom. Pas tóen deed de Turkse kustwacht eindelijk haar werk en belette ze voor het eerst niet alleen de honderden rubberen dinghy’s, maar ook de grotere houten boten die uitpuilden van de mensen vanaf de Turkse stranden over te steken naar Lesbos. Het akkoord met Erdogan ging in op 18 maart, precies om twaalf uur ’s nachts. Sinds dat moment wordt iedere vluchteling die toch nog op Lesbos aankomt onmiddellijk gearresteerd en naar Turkije teruggestuurd.

De dag erna keek Angeliki in Athene naar het nieuws op tv: een gammel bootje met uitgeputte en uitgelaten mensen weet om vier uur ’s ochtends Lesbos te bereiken, de verslaggever duwt een verkleumde man die nog midden in de branding staat een microfoon onder zijn neus met de vraag: ‘Realiseert u zich dat u nét vier uur te laat bent?’

Gedurende de drie decennia dat ik in Griekenland kom, bezocht ik Lesbos regelmatig. Net als vele anderen raakte ik betoverd door Molivos, het beeldschone dorpje aan zee, dat onder een kasteel rondom een berg ligt gedrapeerd. Het heeft maar 2500 inwoners. Lesbos telt 85.000 inwoners, 35.000 daarvan wonen in de aan de zuidkust gelegen hoofd- en havenstad Mytilini. Twee derde van de bevolking was enkele jaren geleden nog boer, leefde van olijfolie-, ouzo- of kaasproductie, en er was altijd een aardig lucratieve sardinevisserij. Zoals op de meeste eilanden nam het toerisme toe en daarmee ook de horeca.

Toen ik twee jaar terug voor het laatst in Molivos was, schrok ik: van het relatief ‘onaangetaste’ dorp leek weinig meer over te zijn: drommen roodverbrande Nederlanders en Engelsen, opstoppingen van bussen en huurauto’s, schreeuwerige borden van eettentjes op straat. Net de Costa Brava, maar dan Grieks.

Deze keer zie ik op de weg naar Molivos bijna geen verkeer, de bus is meer dan half leeg. Het dorp zelf lijkt teruggekatapulteerd in de tijd: ouderwets rustig, normaal geklede Grieken beheersen weer het straatbeeld, en lege strandstoelen genoeg.

Mijn enthousiasme over dit alles valt meteen verkeerd bij een paar uitbaters van taverna’s en cafeetjes in de haven die ik al dan niet nog van vroeger ken. Een barman draait zich nukkig van me af, een ober rolt met zijn ogen, de dame die me gebakken eieren serveert zet het bord iets te hardhandig op tafel. Terwijl ik geniet van de rust krijg ik ‘post-vluchtelingentsunami-les’. Of ik me wel realiseer dat er deze zomer, terwijl er al maandenlang niet één vluchtelingenboot meer is gesignaleerd, maar liefst négentig procent minder toerisme is? Enig idee hoe rampzalig dit voor de horeca en hotelbusiness is? Hoeveel zaken nu al gesloten zijn? En hoeveel meer er ongetwijfeld na deze zomer nog over de kop zullen gaan?

En heb ik wel eens nagedacht over hoeveel rotzooi en vuilnis meer dan een half miljoen mensen achterlaten?

Hoe ronduit onmogelijk het juist voor de inwoners van Lesbos is om aan de nieuwste, door Brussel opgelegde btw en belastingen te voldoen? Hoeveel kinderen er hier wel niet getraumatiseerd zijn? Omdat ze niet alleen duizenden doodsbange verschoppelingen voorbij hebben zien komen aan wie ze water en sandwiches uitdeelden, maar deze zomer ook nog eens moeten meemaken dat hun béide ouders werkloos zijn? Dat ze nu bang zijn dat ze zelf, net als de vluchtelingen, binnenkort niet meer te eten zullen hebben en wellicht hun huis kwijtraken?

Hoe diep onrechtvaardig het wel niet is dat die paar duizend inwoners van Molivos, die tien- en tienduizenden mensen uit het water hebben gered, gevoed, verzorgd en op weg geholpen gedurende die eerste zomermaanden van vorig jaar, zónder hulp van overheid, instellingen of organisaties, dat diezelfde inwoners uitgerekend déze zomer, nu er geen vluchtelingenprobleem meer ís, voor al die generositeit ‘gestraft’ worden met bijna totale leegstand? En heb ik wel eens nagedacht over hoeveel rotzooi en vuilnis meer dan een half miljoen mensen achterlaten? Zevenhonderdduizend zwemvesten, tig keer meer plastic zakken en flessen, tienduizenden boten en motoren, pampers, maandverband, toiletpapier, in de zee, op de stranden, op straat en langs de wegen? En wie denk ik dat dat allemaal heeft opgedoken, opgeruimd en verbrand?

Ellenlange zinnen en retorische vragen buitelen over elkaar heen. Oprechte verontwaardiging, angst voor de toekomst, ja regelrechte existentiële wanhoop vullen de ochtendstilte en ebben weg over de vredige zee – waar inderdaad in de verste verte geen bootje op te bekennen is.

‘Probeer je eens voor te stellen hoe het er toen, hier, op deze boulevard vol terrasjes, aan toe ging’, zegt Mariëlle, Nederlandse, bijna streng. Ze was hier vorig jaar juli op vakantie, in Petra. ‘Kijk, daar legden boten aan die mensen uit zee hadden getrokken.’ Ze wijst naar een lange pier waaraan vissersboten zijn aangemeerd en een reddingsboot van de Maltese politie, die eind deze week vertrekt omdat er echt niks meer te redden valt. ‘Ze liepen over die pier tot de bocht hier, dan hierlangs, tussen de terrasjes door, tot het einde van de haven, de weg op naar boven, en aan de andere kant het dorp uit. Soms met duizenden tegelijk. En dat zonder voldoende sanitair, over wc’s heb ik het niet eens.’

Samen met andere buitenlanders en lokale Grieken probeerde ze zo goed als het ging te helpen, enige orde te scheppen in de chaos van mensenleed. Ze vloog naar huis, nam een jaar sabbatical bij de Hogeschool van Amsterdam en keerde terug naar Lesbos. Ze behoort tot de talloze vrijwilligers die op Lesbos overwinterden, omdat zelfs tot na 18 maart de behoefte aan steun en mankracht groot bleef. Zo langzamerhand is het tijd haar leven weer op te pikken. ‘Eigenlijk interesseert het niemand wat hier is gebeurd’, zegt ze met nadruk op de verleden tijd.

‘Sorry dat ik het zeg, maar op een gegeven moment krijg je er genoeg van, kun je niet meer, raak je uitgeput’, zegt een aantrekkelijke kokkin, elegant kort geblondeerd haar, fel rode lippenstift. ‘We konden geen vluchteling meer zien. Uiteindelijk verwijten we hun niets, maar al die opdringerige journalisten en fotografen des te meer.’ Ze vertelt dat ze zelf heeft gezien hoe een paar fotografen vlak onder het balkon van een restaurantje dat nu dicht is artsen opzij duwden die een kind probeerden te reanimeren, in de hoop ook een foto te kunnen maken die de wereld rond zou gaan. Andere fotografen, niet blij met kinderen die min of meer droog aan land waren gedragen, legden hun camera’s soms neer om zo’n peuter alsnog onder te dompelen: beter voor het plaatje. ‘En waar zijn al die journalisten nu? Om te vertellen hoe rustig en schoon het hier allemaal weer is? Om eindelijk eens iets positiefs te schrijven over ons geliefde eiland dat nu wel genoeg geleden heeft? Ze willen alleen maar sensatie, dus blijven ze weg.’

Op de brommer tuf ik langs de zee over de schitterende en schone kustweg. De duizenden bootjes waren meestal volkomen stuurloos, strandden waar golven, stroom en wind ze brachten, langs de hele noordkust, op drukke of verlaten stranden, bij en buiten dorpen, naast of in veilige haventjes of vlak onder bijna onbeklimbare rotspartijen.

Richting Petra kom je langs een vreemd futuristisch bouwsel dat als een ruimteschip uit de berghelling lijkt te steken, met uitzicht op het nabije Turkije aan de overkant: Oxy, de kekste dancing in de regio. De Nederlandse eigenaar Dirk Braam sloot zijn tent en stelde gebouw, parkeerterrein en omliggend land ter beschikking voor de opvang van vluchtelingen, zo was me door verschillende mensen verteld. Want de gemeenteraden van diverse dorpen kwamen er samen niet uit. De nog lege camping, best ver in het binnenland, achter de zeeweg langs Eftalou? Daar had het Sunrise Hotel, dat daar min of meer op uitkijkt, bezwaar tegen. Bewoners waren bang dat als je een goed ingerichte opvangplek op een mooi kampeerterrein zou maken het een permanent kamp zou worden. De parkeerplaats dan van de ktel – het openbaar vervoer – en andere bussen bij de ingang van Molivos, die toch al volgelopen was met bivakkerende gezinnen? Te dicht bij het dorp en dus te dicht bij de toeristen. Ondertussen liepen, zaten en lagen er duizenden mensen in straatjes en steegjes, ze poepten en plasten noodgedwongen in het openbaar.

De Oxy-baas bood enig soelaas. Volgens ooggetuigen vertoefde op deze onwerkelijke plek een ontelbare mensenmassa. Particuliere weldoeners bestelden chemische wc’s, maar die mochten van de burgemeester niet gebruikt worden, alweer gedreven door de angst dat deze noodplek daardoor een ‘te permanent karakter’ zou krijgen.

Vlak onder het gevaarte stap ik af om foto’s te maken. Niets doet meer herinneren aan hoe het hier geweest moet zijn: luid geroezemoes, ruzies tussen Syriërs, Afghanen, Irakezen en Iraniërs, roepende en rennende kinderen, mensen die euforisch zijn dat ze de overtocht hebben overleefd en nog geen idee hebben van de ellende die hun te wachten staat, overbelaste dorpelingen, gestreste vrijwilligers. Nu is het leeg, stil, schoon.

Als ik weer weg wil rijden, naar Eftalou, om een bezoek te brengen aan de ‘beroemde’ Kempsons – een Engels echtpaar dat vanaf het begin van de invasie hun leven aan het redden en verzorgen van vluchtelingen heeft gewijd – start de motor niet. Een aardige jongen komt me na een belletje binnen een kwartier uit de brand helpen. Hij waarschuwt me als ik vertrek: ‘Kijk uit, die Kempsons zetten zichzelf voortdurend op Facebook met filmpjes, foto’s, de hele tijd staan ze ergens met vluchtelingen in beeld, alsof ze reclame maken voor wat hier is gebeurd, waardoor de toeristen nog meer weg blijven. Ze hebben met iedereen ruzie, in onze streek zijn ze niet populair, dat je het weet.’

Philippa Kempson – weelderig krulhaar, bleek en fijn gezicht, zachte droeve ogen – ontvangt me hartelijk in haar voortuin met manshoge torens van Ikea-dozen vol kleren, schoenen, knuffels en dekens. Van hun woning en de souvenirshop erachter is bijna niets te zien. ‘Er komt toch bijna niemand meer, je hebt geen idee hoezeer we hier bespuugd en gesaboteerd worden, ik kan er eigenlijk niet meer tegen’, fluistert Philippa hees. Tussen haar voeten rollen poezen en kittens, waar ze gaat volgen zwerfhonden. ‘We vangen hier alles en iedereen op’, zegt ze met een glimlach. Haar gevolg van net als zij in Occupy-stijl geklede dames knikt bij alles wat ze zegt.

Medium hh 51850069
‘De hele tijd staan ze ergens met vluchtelingen in beeld, alsof ze reclame maken voor wat hier is gebeurd’

Terwijl we koffie drinken, Tjarda uit Friesland shaggies rolt en Cookie uit Birmingham iedereen in de rede valt met woordenstromen, probeer ik Philippa een coherente terugblik te ontfutselen. Ze springt van de hak op de tak, switcht tussen vreugde en woede, herhaalt zichzelf. ‘Moodswings, een symptoom van ptss, net als kortetermijngeheugenverlies, dat hebben we hier inmiddels bijna allemaal’, zegt Tjarda zachtjes als Philippa weer eens de keuken in rent om te huilen.

‘Ons uithangbord is niet voor niets verstopt’, vertelt Philippa. ‘We zijn na al die tijd bang geworden om op te vallen. We worden bedreigd, geïntimideerd. Onze autobanden zijn al diverse keren kapotgesneden. Maar weet je, er zijn hier ook mensen die ons steunen. In het geheim. Die hangen broden aan ons hek, zetten dozen met kleren en voedsel voor onze ingang, ’s nachts, zodat niemand hen ziet. Want wie ons openlijk steunt, wordt het leven zuur gemaakt.’

Ze vertelt over de stroom vluchtelingen die vanaf maart 2015 voortdurend veranderde, hoge pieken en diepe dalen kende; over de spontane eruptie van vrijwilligers en kleine ngo’s versus de logge officiële hulporganisaties; over de bewoners die vluchtelingen willen helpen en steeds meer last ondervinden van een deel van de bevolking dat steeds radicaler antivluchteling wordt, ‘the dark side of Lesbos’ noemen haar man Eric en zij het; en over haar eigen gezin. Over de Griekse, Europese en internationale politiek wil ze niet praten, daar wordt ze onwel van.

Langzaam deelt Philippa haar zicht op wat zich hier heeft afgespeeld áchter het beeldmateriaal dat iedereen kent: de overvolle bootjes met drenkelingen, reddingscènes in de branding, vluchtelingen tussen zonnebadende toeristen, hele gezinnen te voet langs autowegen op weg naar de volgende bestemming, het boarden van de ferry’s naar Athene. Doodmoe doet ze ook verslag van wat er nu nog steeds, onzichtbaar voor de leek, gaande is.

Op Lesbos kwamen het afgelopen decennium jaarlijks tussen de dertig- en veertigduizend mensen in bootjes aan, illegale immigranten werden ze steevast genoemd, voornamelijk mannen. De meeste hotel- en huiseigenaren aan de kust hebben wel een anekdote uit die tijd over kerels die opeens door hun tuin renden. Ze hadden zelden hulp nodig, kregen die soms van de locals, en verdwenen geruisloos van het eiland. Een enkeling bleef, zoals die Koerd verderop in een taverna, waar hij al jaren probleemloos zonder papieren werkt.

Aan het eind van de winter in 2015 nam het aantal bootjes dramatisch toe. Behalve mannen staken opeens ook meisjes, moeders, oma’s, peuters en baby’s in groten getale de zee over. Dat was schokkend voor de tot dan vrij onverschillige Grieken. Zoals in iedere machomaatschappij staat het moederschap hoog in het Griekse vaandel, de bevolking kon niet meer wegkijken. Van mei tot half september gaf de Griekse overheid geen sjoege, zelfs het leger werd niet ingezet, en kwamen grote organisaties als de unhcr vooral ‘observeren’, zonder iets te ondernemen. De bevolking moest de reuzeninflux in goede banen zien te leiden, financieel en anderszins slechts gesteund door particulieren en vrijwilligers.

Zo was er Melinda, een van origine Australische, met een Griek getrouwde tavernahoudster in de haven van Molivos, die zoveel kleren, slaapzakken en gelddonaties uit de hele wereld toegestuurd kreeg dat ze gedwongen was een stichting op te richten: Starfish Foundation, die onlangs wegens gebrek aan nieuwe vluchtelingen op non-actief is gezet. Priester Christoforos in Skala Sykaminia zit, zonder dat hij daar op uit was, nu opeens ook met een soort ngo opgescheept: filoxenos.org. Vangelis Stylianou van taverna Under The Mulberry, ook in Skala, werd door de opvang van vluchtelingen op zijn terrein ook een aanspreekpunt, en nog steeds melden vrijwilligers zich bij hem. Dirk Braam van Oxy, bekend door zijn hulpacties met Johnny de Mol, kan zich maar niet losrukken van wat hij per ongeluk is begonnen, en reist nu er geen vluchtelingen meer op Lesbos arriveren door het Midden-Oosten om daar te helpen.

‘In september vorig jaar waren hier wel 120 ngo’s, de vrijwilligers vielen over elkaar heen, sommigen vóchten om een boot met vluchtelingen, het was niet meer te doen’, herinnert Philippa zich. Hoe ze allemaal heetten weet ze echt niet meer. ‘Alleen Stichting Bootvluchteling uit Nederland, die was geweldig.’ Haar entourage beaamt alles verwoed knikkend. ‘Pas tóen, veel te laat, begin oktober, kwamen eindelijk de grote instellingen eens aankakken. De VN, unhcr, msf, icr, types in dikke auto’s, met hightech radioapparatuur en zakken geld’, snuift Cookie, die haar Engelse huis heeft verkocht en van plan is voor de rest van haar leven hulp te verlenen.

Eric Kempson – diep gegroefd, gebruind, lang haar, uitstraling van een filmster – schuift energiek aan. Hij pakt het verhaal behendig over van zijn vrouw: ‘De too late, too little komst van de grote jongens veroorzaakte uiteraard problemen. Ze bulldozerden overal overheen, begonnen onmiddellijk de lakens uit te delen, óns te vertellen wat we moesten doen. Tja, dat pikten we niet zomaar na al die tijd dat we in ons eentje het vuile werk hadden verricht, the fuckers.’

Oké, hij geeft toe dat het beter was dan niets, en ze kwamen heus wel van pas op 28 oktober, Ochi-day, de dag dat de Grieken vieren dat ze ooit ‘nee’ tegen de Duitsers zeiden. Op die zwarte dag was er een onverwachte landing van een onbeschrijflijk aantal vluchtelingen in een paar uur. Tot dan moesten al die mensen te voet naar Mytilini zien te komen – ktel-bussen, taxi’s en ook particulieren was het door de Griekse wet verboden hen mee te nemen –, zeventig kilometer verderop, om zich daar te laten registreren, waarna ze pas op de ferry naar Athene mochten. Als een oneindige slang liepen ze langs de grote weg naar de hoofdstad, of lagen met hun benen op straat te slapen. Autobestuurders moesten oppassen niet over voeten te rijden. ‘The Walk of Shame, daar heeft niemand foto’s van gezien, maar het is wel gebeurd, snap je?’ foetert Eric.

Er volgt een bloemrijke scheldkanonnade op de incompetente internationale hulporganisaties en op de xenofobe, extreem-rechtse en corrupte Griekse horeca en zakenlui die veel te veel invloed hebben in lokale besturen. Hij houdt een tirade tegen het intimiderende optreden van de eot – het Grieks ministerie van Toerisme – dat het met vrijwilligers opgeknapte, al decennia leegstaande en vervallen Elpis Hotel, omgedoopt tot Hope Center, bedoeld voor nieuwe vluchtelingen en gestrande families, een paar dagen geleden heeft gesloten. ‘Dus weg geld van de donaties, al dat vrijwilligerszweet is voor niets geweest. Er stonden meer dan honderd mensen te glunderen toen de deuren werden verzegeld’, buldert hij.

Heeft hij het door zijn opvliegende karakter en ongecensureerde opvattingen voor zichzelf en zijn gezin niet onmogelijk gemaakt hier nog te blijven wonen? Philippa pinkt een traan weg, de Kempson-hofhouding houdt zich doodstil, en dan zegt Eric: ‘Of course, dit houden we niet lang meer vol, er zal een moment komen dat we onze biezen moeten pakken. Maar zolang er hier nog hulp nodig is, zeker voor de vluchtelingen, die nog steeds niet zonder ons kunnen, blijven we.’

Het echtpaar neemt me mee naar het gesloten hotel op een heuvel aan zee. Het staat er fris geschilderd en opgeknapt bij. Maar er mogen geen vluchtelingen in wonen. Stil kijken Eric en Philippa naar het prachtige gebouw, hun droom die aan diggelen ligt. Tot slot laten ze me een verborgen plek in de bergen zien: de stortplaats voor honderdduizenden zwemvesten en tienduizenden verwoeste rubberen, houten en plastic boten. De huizenhoge berg reddingsvesten is door regen en ontij al enorm ingezakt vergeleken met vorig jaar, zegt Eric.

‘Als ik dit hotel verlies omdat ik de rente niet kan betalen, worden wij ook vluchtelingen, in ons eigen land’

‘Dit is Europa’s huidige berg met schoenen’, zegt Philippa. Eric kijkt alleen maar en houdt voor het eerst enige tijd zijn mond.

De volgende dagen zijn als een caleidoscopische reis langs prettige en afschuwelijke opvangkampen. Ik ontmoet vriendelijke en boze mensen. Iedereen wordt door eigen vluchtelingendemonen achtervolgd en gaat daar op een eigen manier mee om. Van minimale psychologische ondersteuning van de overduidelijk getraumatiseerde locals en vrijwilligers is geen sprake.

Dimitris Vatis (71), groot, breed hoofd met zoete hondenogen, eigenaar van het luxe, net gerestaureerde Hotel Aphrodite, op een steenworp van de Kempsons, vertelt over twee gebeurtenissen die hem blijven achtervolgen. Toen zijn personeel, gezin en hij volkomen overrompeld de zestig vluchtelingen hadden geholpen van de allereerste boot die op zijn hotelstrand was aangekomen, en ze al enige minuten te voet vertrokken waren richting Mytilini, vond hij op een tafeltje op het hotelterras een grote bos sleutels die de pater familias van de vluchtende familie kennelijk vergeten was. Dimitris pakte al dat ijzer en rende met zijn zware lijf achter de familie aan. Toen hij de sleutelbos terug wilde geven, wuifde de man hem weg en zei in gebrekkig Engels: ‘Hou maar, ik heb ze niet meer nodig, mijn huis bestaat niet meer.’ Dimitris bewaart de sleutels zorgvuldig in een doosje.

Het andere waar hij nog steeds van droomt zijn de keren dat moeders hem in de hoge golven baby’s aanreikten, die hij dan per ongeluk liet vallen, hij moest duiken om ze terug te pakken, misselijk van angst dat hem dat niet zou lukken.

Hij ziet de toekomst somber in als de Griekse regering en de EU niet ingrijpen. Er zijn allerlei maatregelen denkbaar, zoals het twee jaar lang bevriezen van de rente op bankleningen van hoteleigenaars zoals hij, mensen die hebben geleend om te investeren in hun zaak en het toerisme van het eiland. Of de mensen van Lesbos vrijstellen van de 17 tot 24 procent extra btw waartoe in mei is besloten. ‘Dát was als een doodvonnis voor ons, een soort EU-executie.’ En ooit waren er speciale programma’s voor noodlijdende werkgevers, ze kregen tijdelijk ontheffing van het betalen van de loodzware sociale premies voor werknemers, zodat die hun werk konden behouden in plaats van massaal ontslagen te worden, zoals nu. Maar dat is allemaal door de EU stopgezet.

Hij schraapt zijn keel, kijkt naar het uitgestorven hotelzwembad en het lege restaurantterras aan zee. Met een prop in zijn keel besluit hij: ‘Ik kan niet slapen van al die mensen die soms meer dan dertig jaar voor ons gewerkt hebben en die ik nu op straat heb moeten zetten. Ze hebben niets meer. Als ik dit hotel verlies omdat ik de rente niet kan betalen, is het gedaan met mijn levenswerk en ons familiebedrijf, dan worden wij ook vluchtelingen, in ons eigen land.’

Van de geestige en charismatische priester Christoforos – 37, knap, blond haar, rossige baard, helblauwe ogen, rookt, drinkt, altijd in een lange zwarte jurk, ook als hij vluchtelingen uit zee moet trekken – in Skala Sykaminia leer ik dat Syrische vluchtelingen veel verwender en hulpbehoevender zijn dan Afghaanse. ‘Soms in de winter moesten we helaas tegen half bevroren natte mensen zeggen dat we écht geen dekens meer hadden. Gewoon níet, niks aan te doen. De Syriërs gingen dan altijd klagen, zitten, deden niets, Afghanen gingen meteen hout sprokkelen, vuurtjes maken, ook al regende het pijpenstelen, en verzamelden de andere Afghanen om zich aan de vlammen te warmen.’ Terwijl we praten houdt hij zijn ogen op de zee gericht, verrekijker in de aanslag, van ieder stipje aan de einder schrikt hij.

Op Lesbos is er voor de vluchtelingen nu een surrealistische onzichtbare muur, gebouwd op 18 maart, precies om middernacht. Iedereen die voor die tijd aankwam is vrij te gaan en te staan waar hij of zij wil, mag het tijdelijke opvangkamp in en uit wandelen, of op straat leven als hij dat verkiest. Alle vluchtelingen die daarna zijn aangekomen zijn met handboeien om naar het detentiekamp Moria gebracht. Ze moeten daar wachten op deportatie terug naar Turkije.

Uit protest tegen deze gang van zaken heeft Artsen zonder Grenzen zich teruggetrokken. Een dappere aanklager van Mytilini heeft een proces aangespannen tegen de Griekse overheid omdat ongeveer honderd minderjarige en onbegeleide kinderen ook in Moria opgesloten zitten. Een rechter oordeelde dat dat illegaal is en beval ze daar meteen weg te halen. Ze zitten er nog steeds. Sinds 18 maart is er geen enkele journalist toegelaten.

De meeste mensen willen eigenlijk niet meer praten. Het onderwerp ‘vluchtelingen’ moet maar eens afgelopen zijn, het is allemaal voorgoed voorbij, dát moet nu de boodschap aan de wereld – lees toeristen – zijn. En het onderwerp ‘Erdogan’ is taboe. De Turkse president heeft verschillende keren gedreigd dat hij de sluizen weer zou openzetten als de EU het beloofde vrije visumverkeer voor Turkse burgers in Schengen-gebied niet snel regelt.

De dag voor mijn vertrek zijn weer tien bootjes van Turkse stranden naar Lesbos uitgevaren, acht zijn door Frontex- en Navo-schepen teruggestuurd, twee zijn bij Skala Sykaminia aangekomen. De 114 inzittenden zijn gearresteerd.

Terwijl hij me de boot op helpt, zegt priester Christoforos: ‘Vandaag zijn dertien bootjes gesignaleerd, geen eentje heeft Lesbos bereikt. Als het aantal weer explodeert, zullen ze weer komen. Dat overleeft Lesbos niet. Have a safe trip, and pray for us.’

Op de boot terug bel ik met een vriendin die op Lesbos woont, ze heeft nooit fysiek in zee of op straat geholpen, wel geld en zelfgebreide mutsen aan de vluchtelingen gegeven. ‘Ik ben te emotioneel’, zegt ze. ‘Ik kan er gewoon niet tegen. Het ergste vind ik het geluid, ik woon vlak bij zee, ik kon ze hóren aankomen.’

Dat veel mensen niets meer durven zeggen, snapt ze. ‘Over Melinda en de Kempsons worden de meest krankzinnige dingen gezegd: dat ze over de ruggen van de vluchtelingen miljonair zijn geworden, zakken geld hebben begraven, dit alles doen om op tv en in het nieuws te komen, je kunt het zo gek niet bedenken. Zelfs Christoforos wordt met een proces bedreigd.’

Ze lacht dat het hele drama ook wel iets leuks heeft opgeleverd: ‘Al die lieve, geweldige vrijwilligers hier op het eiland de hele winter door! Het is nog nooit zo druk en levendig geweest tussen november en april in de haventjes van Molivos, Petra en Skala Sykaminia. Totaal kosmopolitisch, the hottest place to be. Je hoorde wel vijftig talen om je heen, er werd muziek gemaakt, over een betere wereld gediscussieerd en gedroomd. De horeca verdiende dik, en ook hotels en hostels profiteerden, maar daar heeft niemand het over. We moeten hier niet zo zielig doen. Het eiland is geweldig schoongemaakt, mooier dan ooit. Voor je het weet klinkt het wereldwijd weer “Go Lesbos!”. Niet voor vluchtelingen, maar voor vakantiegangers, die gaan vanzelf weer komen, want ze zijn gek als ze dat niet doen, zeker nu. We hebben gewoon een beetje tijd nodig.’


Beeld: (1) Molivos-haven, Lesbos (Robert Harding / Getty Images); (2) Een groep bootvluchtelingen uit Afghanistan loopt door de straten van Molivos na de oversteek vanuit Turkije (Maikel Samuels / HH); (3) Bergen zwemvesten verzameld vlak bij Molivos, november 2015 (Tasos Markou / Zum Press / HH)