En wie niet springt

Als kind ging Frans Bromet zondags met zijn ouders op bezoek bij een tante in Betondorp. Die huilde gedurende de hele visite om de in het kamp vermoorde familieleden. Bromet vertelt dat aan sportschrijver Simon Kuper die, net als Bromet nu, onderzoek deed naar de relatie tussen ‘Ajax en joden’. Ze staan bij het Meester Visserplein, randje Oost, ooit hart van de gesloopte dichtbevolkte joodse volksbuurt. Van daaruit reed lijn 9 naar de Watergraafsmeer, waar Ajax speelde, dat vergeleken met clubs uit andere wijken veel joodse supporters had. Joodse club? Nee. Maar vanwege een deel van de aanhang: ja.

Na de oorlog lag dat getalsmatig anders, maar gevoelsmatig kennelijk niet, gezien het feit dat fanatieke gojse Ajax-supporters zich ‘joden’ of ‘superjoden’ plegen te noemen. En dat de tegenpartij die bizarre geuzennaam als scheldwoord retourneert. Bromet ondervraagt betrokkenen en deskundigen. Zoals Evelien Gans, die het naoorlogse karakter van Ajax beschrijft: een enkele joodse voetballer, een enkele niet-joodse speler met een joodse getrouwd, een aantal joodse bestuurders, joodse mecenassen. Dan toont ze een knipsel uit Het Parool, begin jaren tachtig. Spandoek van jochies van een concurrerende club: ‘Hé Adolf, hier lopen er nog elf/ Als jij ze niet vergast doen we het zelf’. Clubliefde in al zijn schoonheid, vandaag de dag gegoten in een versie met Hamas en gas.

Bromets Ajax! Joden! Amsterdam! gaat uiteraard over antisemitisme, maar vooral over die halve zolen die zich uitdossen met davidsterren en Israëlische vlaggen om een doelpunt van Christian Eriksen of Siem de Jong te vieren. Tot groot verdriet van supporter Joop Waterman, geboren in Westerbork: Bergen-Belsen overleefd, om na de oorlog op straat niet mee te mogen voetballen met de jongens (grootvaders van die trotse ‘joden’-roepers) omdat hij joods was. Hij walgt van de ‘joden’-koren, maar moet hij zich zijn wedstrijden laten afnemen? Hans Knoops vindt dat Ajax ‘joden’-roepende supporters de toegang moet weigeren en Bromet ontdekt bij ado (met supporters en spelers die ‘wij gaan op jodenjacht’ zongen) dat ze daar alle technologie ter beschikking hebben om ongewenst supportersgedrag en -geluid vast te stellen en te bestraffen. Waarom niet bij Ajax wanneer niet-joden zich daar joden noemen en joden zich daardoor gekwetst voelen?

De kijker/lezer mag het zeggen. Bromet zelf doet het wel en ook weer niet. Hij raakt aan talloze aspecten maar levert geen pamflet. Zo eindigt de film met een gesprek tussen Kobus Groenteman, zijn moeder en oma Hanneke, alle drie trouwe Arena-klanten. Alles passeert: gekte en ongepastheid van het zich ‘jood’ noemen, de verrukking van voetbal en supporterschap, het meegesleept worden door een collectief, de gevaren daarvan. Mama en Kobus bekennen wel eens ‘joden’ te hebben meegeschreeuwd op enerverende momenten. Oma slikt, maar relativeert. En vindt dat het verschijnsel, hoe bizar en pijnlijk ook, niet verboden moet worden.

Simon Kuper laat zich ontvallen dat de research voor zijn Ajax-boek uit 2003 hem niet in de koude kleren ging zitten, zo ‘verknipt’ waren veel geïnterviewde Amsterdamse joden. Pijnlijke opmerking, door Bromet aangevuld met die tante die naast Ajax woonde. Maar, zegt Bromet: je hoeft met mijn achtergrond dus niet verknipt op te groeien. Waarop Kuper zelf overtuigend duidelijk maakt hoe begrijpelijk die beschadigingen waren. Bromet trekt nog een lijntje. Een rabbijn stelt vast dat hij zich best verbonden mag voelen met het joodse volk, de geschiedenis en cultuur, maar dat hij met zijn niet-joodse moeder helaas geen jood is. Zomin als die ‘joodse’ Ajax-fans. Dat bevalt Frans evenmin.

Frans Bromet, Ajax! Joden! Amsterdam!, Joodse Omroep, Nederland 2, zondag 25 augustus, 14.00 uur