Metzmacher vertrekt, wie moet hem opvolgen?

En wie wordt de nieuwe?

Het vertrek van Ingo Metzmacher, chef-dirigent van De Nederlandse Opera, hing in de lucht. Idealiter krijgt Amsterdam nu een dirigent die wél over veel repertoirekennis beschikt.

Voor kenners kwam het vertrek van Ingo Metzmacher, chef-dirigent van De Nederlandse Opera, niet als een complete verrassing. Al anderhalf jaar werd in de coulissen van dno gefluisterd dat het orkest ruzie had met de dirigent, dat ze er menselijk en muzikaal niet uitkwamen, en dat Metzmacher bovendien probeerde zijn eigen favoriete regisseurs (van Konwitschny tot Wieler/Morabito) uit Duitsland naar Amsterdam te loodsen. Daarmee zette hij niet alleen het bestaande profiel van dno op z’n kop, maar hij zette ook het werk van artistiek directeur en chef-regisseur Pierre Audi in de schaduw. De internationale pers kwam immers wel op die in Duitsland bekende regisseurs af, maar liet Audi’s producties links liggen. Dat was goed voor Metzmachers pr in de Heimat, maar slecht voor de lieve vrede in Amsterdam. Nu had men dat allemaal geaccepteerd als Metzmachers artistieke prestaties uitzonderlijk waren geweest, maar dat waren ze niet. Afgezien van een vurig gedirigeerde Bassarids waren alle door hem geleide premières lusteloos en vlak. De grote hoop van dno veranderde in uiterst korte tijd in een teleurstelling en een probleemgeval. Toen hij na de première van de Don Giovanni in de Mozart-cyclus ook nog werd uitgejouwd – door pers en publiek – was hij eigenlijk niet meer te handhaven.

De officiële verklaring luidt dat hij zich meer op zijn nieuwe baan bij het Deutsches Symphonie Orchester Berlin zou willen concentreren, maar wat had Metzmacher anders kunnen zeggen om zijn gezicht te redden? En dus zullen er in Amsterdam, net als eerder in Hamburg, weinig tranen om hem worden geplengd. Het is te hopen dat hij de resterende tijd niet puur contractmatig uitdient; dat zou jammer zijn voor de interessante producties waar hij nog aan verbonden is.

En wie komt er nu in zijn plaats? Idealiter krijgt Amsterdam een dirigent met een brede repertoirekennis (die Metzmacher als moderne specialist niet had), een teamspeler die grondig en veelzijdig kan werken, zoals een operagezelschap met wisselende orkesten nodig heeft. Daarom moet dno het ook niet per se in de categorie ‘internationale top’ zoeken, maar liever een geschikte ‘jongere’ selecteren die ruime gelegenheid krijgt om tot volle wasdom te komen – zoals dat vroeger is gebeurd met Michael Gielen en Hartmut Haenchen. Die waren beiden internationaal gezien goeddeels onbekend toen ze naar Amsterdam kwamen. Zij hebben misschien ook niet het allerhoogste dirigentenniveau bereikt, maar zich wel bewezen als betrouwbare, nauwkeurige, solide en daarmee uiterst nuttige dirigenten.

Het opbouwen van een ‘nieuwe’ kost echter tijd en het is de vraag of Pierre Audi, na twintig jaar als chef van dno, die tijd nog wil (en kan) opbrengen. Zijn verklaarde doel – en dat van de nieuwe marketingafdeling – is dat dno internationaal meer aandacht moet krijgen. Dat lukt natuurlijk het makkelijkst (hoewel niet noodzakelijkerwijs het best) met bekende namen.

In de rij van mogelijke kandidaten kan allereerst Bertrand de Billy worden genoemd, leider van het Radio Symphonie Orkest Wenen, die chef was in Barcelona en geen vast operagezelschap heeft. Hij is een van de beste jonge operadirigenten, met een grote repertoirebreedte, even geschikt voor de modernen als voor Mozart en Verdi. Hij werkt bij de belangrijkste gezelschappen, zoals de Weense Staatsoper en de Met in New York en hij heeft veel cd-opnamen gemaakt (die af en toe excellent zijn): hij zou een ideale oplossing zijn.

Daarna komt natuurlijk Daniel Harding aan bod, die onlangs met succes een gastdirectie in Amsterdam vervulde met de Saksische Staatskappelle Dresden. Een groot talent, een Stürmer und Dränger die zonder enige twijfel in de wereld-toptien terecht zal komen. De hoofdredacteur van het Duitse vaktijdschrift Orpheus schreef over hem: ‘Hij is een wezenlijk betere dirigent dan Metzmacher, misschien met een wat compacter repertoire (barok, Mozart), maar een heel goede!’ Harding heeft met succes gewerkt in de Scala in Milaan, in Wenen en in Aix en Provence, heeft uitstekende contacten met internationale festivals en impresariaten en een exclusief platencontract met Virgin Records. Ook de jonge Wladimir Jurowski is een optie, chef van het Glyndebourne Festival; dno heeft traditioneel een voorliefde voor Engeland (ook Audi kwam ooit uit Londen naar Amsterdam).

Een vrouw als hoogste baas zou zeker interessant kunnen zijn; iemand als Karen Kamensek, Julia Jones of Anne Mason, de voormalige assistent van Claudio Abbado. Andere mogelijkheden: Ulf Schirmer (nu in München), Sebastian Weigle (Frankfurt) en Paolo Carignani (bijzonder geschikt voor het Italiaanse repertoire). De lijst laat zich verder makkelijk uitbreiden met Constantin Trinks (een outsider), Eivind Gullberg (wiens carrière een hoge vlucht neemt), Philippe Jordan (die een briljante operadirigent is), Michael Boder, of een van de zonen van de oude meester, Neeme Järvi.

Zoals altijd: het zou mooi zijn als de kandidatenselectie niet, zoals tot nu toe, achter gesloten deuren in het Muziekgebouw plaatsvindt, maar dat er een echte openbare discussie over komt. Tenslotte is dno een openbaar instituut dat een breed publiek wil aanspreken, en discussies over prominente kandidaten maken opera voor iedereen interessant. Dan weet je van tevoren ten minste waar je mee te maken krijgt – en dan bespaart men zich (en het publiek) een herhaling van het Metzmacher-debacle.