Fysicus Gerard ’t Hooft over deeltjes en donkere materie

‘… en wij zijn niks anders dan structuren van getallen’

Hij kreeg de Nobelprijs voor de natuurkunde en is toonaangevend in de kwantumfysica. Toch stuit Gerard ’t Hooft op de nodige grenzen, in de natuurkunde en in de vriendschap. ‘De wereld zit gewoon ingewikkelder in elkaar dan wij dachten.’

Medium rc20130819 gerard t hooft 05egypte web

‘Een man die alles weet’, antwoordde hij volgens de overlevering toen hem als kind gevraagd werd wat hij zou willen worden. ‘Eigenlijk wilde ik “professor” zeggen, maar dat woord was ik vergeten. En wat ik werkelijk bedoelde, was wetenschapper.’

Het Minnaertgebouw van de Universiteit van Utrecht, een futuristisch bouwwerk uit de jaren negentig van golvend rood spuitbeton is, op twee buiten rokende beveiligers na, volledig uitgestorven. Aan de achterzijde slecht een draglinede laatste resten van een loopbrug. Binnen een duister doolhof van onverlichte trappenhuizen, stalen kooiconstructies en reeds afbladderende verf. ‘Hoezo een stadsjungle?’ vraagt, als eenmaal zijn werkkamer is gevonden, theoretisch fysicus Gerard ’t Hooft (Den Helder, 1946). Hij klinkt oprecht verbaasd. Het is hem nooit echt opgevallen.

‘De meeste mensen zijn op stap of op vakantie’, zegt ’t Hooft. Zelf gebruikt hij de tijd om noest door te werken, getuige het schoolbord op z’n kamer, volgeklad met reeksen wiskundige vergelijkingen. Natuurlijk, hij kreeg, samen met zijn leermeester Tini Veltman, in 1999 de Nobelprijs voor zijn baanbrekende werk op het gebied van de deeltjesfysica – en hij wordt wereldwijd beschouwd als toonaangevend in de theoretische natuurkunde. ‘Maar’, zegt hij ‘er is veel dat me dwars zit, dat ik nog niet begrijp.’

Dat was als kind al zo, schrijft hij in de autobiografie op z’n website; onafgebroken willen leren, alles zélf willen doen. ‘Ik denk dat ik al besloten had wetenschapper te worden lang voordat ik kon praten. Er bestaat een foto van me waarop ik als tweejarige een wiel aan het bestuderen ben. Ik herinner me de gebeurtenis natuurlijk niet meer, maar ik weet nog heel goed dat ik gefascineerd was door wielen toen andere kinderen speelden of in het wilde weg rondrenden.’ Met praten begon hij pas ver na z’n tweede verjaardag. ‘Was het omdat er zoveel interessantere dingen waren die ik wilde begrijpen dan te communiceren met mensen?’

‘Ja ik ben een nerd’, zegt hij op serieuze toon en zonder de doorgaans aan zo’n opmerking gekoppelde relativerende glimlach. Als jongen was hij goed in tekenen, ‘maar te verlegen om een nauwkeurige studie te maken van het menselijk lichaam, dus specialiseerde ik me in landschappen en dieren.’ Zijn vader, scheepsbouwkundig ingenieur, gaf hem boeken over boten en motoren. ‘Die raakte ik nooit aan. Die dingen zijn al door iemand anders uitgevonden’, wierp ik dan tegen. ‘Ik wil de natuur doorvorsen en nieuwe dingen ontdekken.’ Op een dag kwam zijn vader aan met dure dozen Meccano. Hij was dolblij, maar er zat een addertje onder het gras: zijn vader stond erop dat Gerard de modellen bouwde die werden beschreven in het bijbehorende boekje. ‘Maar ik gaf de voorkeur aan m’n eigen verbeelding. Uiteindelijk kwam ik tot een deal: ombeurten maakte ik een bestaand model en iets naar m’n eigen inzicht, bijvoorbeeld een “robot” met een soort grijparm, die voorwerpen op kon pakken. De dingen die in het boekje stonden, zagen er veel mooier uit dan wat ik zelf maakte, dat moest ik toegeven, maar mijn dingen, zo vond ik, konden iets wat nog niemand ooit eerder heeft bedacht.’

De wereld staat even op z’n kop als op 4 juli 2012 het Europees Centrum voor Kernonderzoek cern aankondigt dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de grote deeltjesversneller in Genève de ontbrekende schakel in de natuurkunde, het illustere Higgs-deeltje, is gevonden. Misschien nog wel meer dan de Nobelprijs is de ontdekking van het Higgs-deeltje een kroon op z’n werk. ‘Het brengt me weer helemaal terug naar eind jaren zestig, begin jaren zeventig, toen ik daar als student mee bezig was’, zegt ’t Hooft, een fonkeling in de ogen. ‘Mijn promotor, Tini Veltman, had destijds een belangrijk probleem bij de kop rond de massa van subatomaire deeltjes. Zijn berekeningen waren voor negentig procent rond, maar hij zat nog met een restprobleem. Hoe sterk is de interactie tussen twee deeltjes? Als twee deeltjes elkaar ontmoeten, wat is de kans dat ze botsen? Die kans kan niet oneindig groot zijn, want dan zouden ze van heel grote afstand aankomend al moeten botsen, en niet oneindig klein, want dan botsten ze nooit.’

’t Hooft pakt een krijtje en begint een uitleg over de paradox van botsende deeltjes die door de botsing met andere deeltjes van massa veranderen, waardoor, kort en goed, de massa van de deeltjes die je uiteindelijk waarneemt opeens alarmerend verschilt van de massa waar je in je oorspronkelijke formules van uitgegaan was. ‘Zoals ik het nu gezegd heb, dringt zich eigenlijk al de oplossing op: je moet ervoor zorgen dat de waargenomen massa precies overeenstemt met de massa die je uiteindelijk uitrekent.’

Het volgend uur vliegen begrippen als ‘renormalisatie’, Yang-Mills-velden en Goldstone-theorema door de kamer en verschijnen er Feynmandiagrammen op het bord. ‘De berekening van dit soort zaken is nu eenmaal gigantisch ingewikkeld’, wil ’t Hooft wel toegeven. Maar het is nu eenmaal de materie waarvoor hij de Nobelprijs kreeg: ‘Voor het ophelderen van de kwantumstructuur van elektrozwakke interacties in de natuurkunde.’ Zonder de baanbrekende berekeningen van Gerard ’t Hooft en Tini Veltman, zoveel is duidelijk, was het Higgs-deeltje nooit gevonden. Maar het kostte ze hun vriendschap.

Het Concertgebouw in Stockholm. Onder klaroenstoten, in rok, het Commandeurskruis van de Nederlandse Leeuw om de hals, nemen zonder elkaar aan te kijken Veltman en ’t Hooft uit handen van Carl XVI Gustaf hun Nobelprijs in ontvangst. Geen onderlinge handdruk, geen blik van verstandhouding. ‘Er zaten, zoals gezegd, in Veltmans theorie dingen die niet klopten en die hem ervan weerhielden dingen nauwkeurig uit te rekenen en dat zat ’m erg dwars. En dan komt er een stuk van het verhaal waarvan Veltman het niet leuk vindt dat ik het vertel, maar het was toch echt ik die met de mededeling kwam dat er een deeltje ontbrak in zijn behandeling van de natuurkrachten. Ik zei ’m: kijk ’ns, dat deeltje moet erbij! Dit is een deeltje met die en die interacties; als je het erbij stopt, dan klopt het wél. Hij wilde het niet geloven en de formule die ik toen opschreef geloofde hij ook niet. Dat deeltje leek hem slechts een formaliteit in het verhaal, en hij zei: “Je bent een theoreticus, je bent een formalist! Het is zoiets als een bekeuring krijgen omdat je een of ander formulier niet goed hebt ingevuld of iets dergelijks, dat is flauwekul!” Maar wat Veltman toen “formeel” noemde, is wel degelijk de goede manier om ertegenaan te kijken; er ontbrak een deeltje aan. Dat is wat nu het Higgs-deeltje heet.’

U zegt hier in een halve minuut twee dingen: uw medelaureaat betwist u min of meer de Nobelprijs en u heeft het Higgs-deeltje ontdekt.

‘Nou… ik wil niet beweren dat ik het allemaal op m’n eigen houtje ontdekt heb, want dat is niet waar; het werk van Higgs was in die tijd wel bekend en ook wel eens besproken bij ons in de vakgroep. Ik wist dat het bestond, maar zoals het in de boeken stond, kon ik het niet begrijpen. Ik begreep die argumenten van toen totaal niet, dus moest ik het voor mezelf opnieuw opschrijven. Ik begrijp iets pas als ik het zélf gedaan heb. Zo heb ik ook de relativiteitstheorie van Einstein zélf moeten ontdekken. Dat Higgs-mechanisme moest ik dus zelf opnieuw opschrijven, zo werkt het. En al schrijvende zag ik dat het nodig was om die ontbrekende schakel te leveren.’

En Veltman, nu 82, is sindsdien boos?

‘Ja. Doordat ik me in het verleden misschien wel eens wat ongenuanceerd heb uitgelaten hierover is de verhouding tamelijk verstoord geraakt. Dat is heel erg jammer. Hij is een soort olifant die als er eenmaal zoiets gebeurt dat tot aan zijn dood blijft volhouden, dat is eigenlijk heel naar… Ik dacht: nu met die Nobelprijs zal het wel over zijn, maar het is nog steeds niet over. Ik vind het heel erg jammer. Het was ook helemaal niet de bedoeling, want hij heeft ontzettend veel dingen gedaan en mij de meest essentiële dingen geleerd. Natuurlijk was ik de jonge hond die dan daarin ging grasduinen en zei: luister eens, dit moet er nog in en dit en eigenlijk moet dit zus en zo gedaan worden. Zijn verhaal was glashelder, daar kon ik mee uit de voeten, maar ik kon gewoon zien: het klopte niet omdat dat Higgs-deeltje ontbrak. Het is nooit m’n bedoeling hem bewust te benadelen. Hij heeft ontzettend veel belangrijke dingen gedaan, maar er ontbrak wat – dat mag ik dan niet zeggen.’

In de dagen dat ze elkaar nog zagen, zaten ze op cern bij de versneller. ‘Tini zei altijd: “Als ik hier kom en die teller zegt tiktiktik, wanneer er deeltjes aankomen, dan ben je met je handen bezig en dat getik zegt mij veel meer dan al die exacte formules.” Hij vond het zo mooi aan het experiment dat je kunt zeggen: dit is écht, dit bestaat, want je hoort ze komen. Je moet niet met die flauwe wiskundige verhaaltjes aankomen. Dit is een échte gebeurtenis die je kunt voelen en die je kunt zien.’

Maar ’t Hooft is de rationele rekenaar, de man van de formules. ‘Soms zit ik in een berekening en dan raakt die berekening vast. Dan weet ik: ik heb ergens een fout gemaakt en het wordt té ingewikkeld, ik kan het probleem niet meer overzien. Ik heb hele vellen papier volgeschreven en ik snap het niet meer. Het is inmiddels ’s avonds laat geworden en ik ben er nog niet uit. Dan ga ik slapen en dan woelt dat in m’n hoofd; ik word wakker met de oplossing. En ik weet exact waarom ik daar en daar ben blijven steken en hoe het gekomen is en hoe het goed moet. Dan ga ik het opschrijven en merk bij het opschrijven: ik heb in m’n dromen toch nog iets vergeten. Dan is er toch weer een probleem. En dan, de volgende nacht, is ook dat opgelost.’

Wat zegt dat dan?

‘Ja, wat dat zegt, dat weet ik niet. Dit is hoe het werkt bij mij; ik verbaas me er soms zelf over.’ Hij hecht aan het precieze van z’n vakgebied. ‘Wij natuurkundigen kunnen echt met formules werken en daar kan iets goed zijn of fout maar nooit daartussenin. In de sociologie, de politiek of in de kunst kun je een beetje goed en een beetje fout zijn, die maatstaf is veel subjectiever. De biologie daarentegen is inmiddels een vrij harde wetenschap geworden, en daar ben ik heel blij om, want ik vond biologie vroeger niet leuk. Niet interessant, omdat het zo vaag was. Verklaringen waarom een levensvorm zichzelf “wil handhaven”, terwijl hij tóch verandert door evolutie, die verhaaltjes geloofde ik niet echt. Maar dat is met de ontdekking van het dna totaal veranderd; we weten nu heel nauwkeurig hoe de overerving werkt en hoe het dna in chromosomen gerangschikt zit en hoe de informatie in het dna weer versleuteld zit. Je kunt nu heel precieze experimenten doen en de scheidslijn tussen “levend”, de biologie, en “niet-levend”, de natuurkunde, is inmiddels veeleer praktisch dan formeel. Dezelfde natuurwetten die wij bestuderen op cern of in het lab zijn óók van toepassing in de biologie; de wetten van de thermodynamica zijn onverkort geldig in de biologische systemen en in de levende wezens. Iets soortgelijks geldt voor de scheikunde: de gedragingen van eiwitmoleculen, die zich op een bepaalde manier opvouwen, kún je natuurkundig begrijpen, al blijkt dat wel heel moeilijk te zijn. Het is voor natuurkundigen in de praktijk niet interessant, omdat we de meest ingewikkelde rekentechnieken nodig zouden hebben om het simpelste watermolecuul uit te rekenen – water gedraagt zich heel complex – en ondertussen zegt de scheikundige: ik weet hoe water zich gedraagt, ik heb daar geen natuurkundige theorie voor nodig – maar het kán. Er is in zekere zin sprake van een sequens: de wiskunde levert de basiswetten voor de natuurkunde, de natuurkunde kan de basiswetten van de scheikunde verklaren, de scheikunde die van de biologie, enzovoort, maar er zijn soms dingen in dat rijtje die ondersteboven hangen, zoals die kwestie van de donkere materie. De sterrenkundigen vertellen dat er donkere materie is – en we hadden dat op geen enkele andere manier kunnen weten dan via sterrenkundige waarnemingen – en de natuurkundigen moeten dan maar proberen te verklaren wat het is.’

Tot nu toe tevergeefs. De sterrenkunde gaat over het heel grote, de kwantummechanica over het uiterst kleine – maar het zou heel weird zijn als voor het ene deel van de natuur de ene wet gold en voor het andere deel een andere.

‘Precies. En dat is dus duidelijk niet het geval, daar is iedereen het eigenlijk over eens. Er is één heelal met één set van natuurvergelijkingen en die kun je, vermoedelijk, zeggen wij daar altijd bij, herleiden tot een heel elementaire natuurkundige vergelijking die alom geldig is – we weten niet hoe het moet, maar het kán. Daar ligt de natuurkunde die we nu kennen, het zogenaamde Standaardmodel, dan in het verlengde van, maar de sterrenkunde, de scheikunde en de biologie ook.’

Vandaar dus die deeltjesversneller van cern. ‘Ik ben lid van het scientific policy committee en zit er met m’n neus bovenop.’ Met de ontdekking van het Higgs-deeltje lijkt het Standaardmodel, de geldende theorie van de deeltjesfysica die de krachten en deeltjes die alle materie vormen beschrijft, voorlopig gered. Al zijn er nog wat losse eindjes (vijf Higgs-deeltjes in plaats van één?) die volgend jaar, wanneer de versneller eindelijk op volle toeren gaat draaien, hopelijk opgelost gaan worden.

‘Het Standaardmodel is een mooi wiskundig bouwwerk, eigenlijk zou ik daar zo weinig mogelijk aan willen veranderen – ware het niet dat het een paar eigenschappen heeft die me niet helemaal lekker zitten. Die donkere materie wordt niet verklaard, dat is één ding, dus moeten we op onze hoede zijn; er is meer, zeer waarschijnlijk, want de sterrenkundigen hebben dat duidelijk uitgezocht. We moeten onszelf niet tot God verheffen door te zeggen: dit is alles en daarna komt er niks meer. Het kan best zo zijn dat er bij hogere energie in een versneller nog nieuwe deeltjes aankomen. Maar het is wél bijzonder dat we nu één model hebben waar alles, althans wat op aarde in laboratoria gezien wordt, eigenlijk naadloos in past.’

Behalve dan die donkere materie.

‘Ja, maar goed, dat is duidelijk (licht geïrriteerd). ‘Maar die donkere materie zou wel eens heel ver weg kunnen zitten. En kan wel iets zijn dat… een heel ander terrein van de natuurkunde gaat bestrijken. En de zwaartekracht zit er overigens ook nog niet in – en ook gravitatie is iets waarvan we weten dat dat bestaat. Een van de grote problemen is dat Einsteins beschrijving van de zwaartekracht op die individuele deeltjes nog niet goed werkt. Het kan best zijn dat hoe hard je deeltjes ook tegen elkaar aan gooit die dingen daar gewoon buiten vallen. Stel nou dat we een machine maken die tien keer zo sterk is als de versneller in Genève – daar wordt wel over gepraat – zou die machine dan die donkere materie waarnemen of iets over gravitatie kunnen zeggen? Het kan best zijn van niet. Dus dat ook die machine gaat zeggen: het Standaardmodel en niks anders. Algemeen wordt verondersteld dat dat onwaarschijnlijk zou zijn; natuurkundigen zeggen: er moet meer zijn, er is tenslotte zwaartekracht, er is donkere materie. Ons huidige model is het topje van de ijsberg, daar zit een ijsberg onder – hoe ziet die eruit?’

God dobbelt niet. ’t Hooft is daarvan overtuigd: ‘Dat God een wiskundige is, lijkt mij een heel reële mogelijkheid. Ik ben een beetje agnostisch op dat terrein, maar ik wil daar wel eens over filosoferen, omdat het soms van belang is bij het formuleren van natuurwetten: hoe wiskundig zitten die in elkaar? En wat blijkt: wij hangen van wiskundige formules aan elkaar. Daar had Einstein zich al over verbaasd. Ikzelf amuseer me er meer over dan dat ik me erover verbaas, ik vind het heel erg mooi. Het is een ervaringsfeit en het is voor mij de meest plezierige eigenschap van de natuur, dat je ’m kunt begrijpen door wiskundige formules op te schrijven. Je moet het logisch zo streng mogelijk maken. Hoe strikter je logisch redeneert, hoe verder je komt.’

Een bijzonderheid van de sub-atomaire deeltjes is dat hun eigenschappen gedicteerd worden door de kwantummechanica. En de kwantummechanica doet vreemde dingen met logica en met kansberekeningen. Achter de kwantumtheorie zou nog een andere theorie kunnen zitten, die logisch is en wiskundig en waar het toeval geen rol speelt. Een wereld die de natuurkunde nog niet begrijpt, al worden de vermoedens sterker en is hij de eerste aanzetten als het ware op het spoor. ‘De wereld zit gewoon ingewikkelder in elkaar dan wij allemaal dachten.’ Het zou, opperde ’t Hooft in 2011 in een wetenschapsforum, zomaar kunnen dat de kwantummechanica, met z’n zich ten aanzien van de zwaartekracht vreemd gedragende individuele deeltjes, niets meer dan een methode is, een instrument in de vorm van een rekenkundig foefje om de achterliggende, werkelijke, natuurwetten te ontcijferen.

Hij heeft zich als student het hoofd gebroken over de rekenkundige vraag: op hoeveel manieren kun je op een schaakbord een gelijk aantal witte en zwarte hokjes aanbrengen als je weet hoeveel zwarte hokjes er aan witte hokjes grenzen? Hij gebruikte de klassieke wiskundige methodes en kwam er niet uit; de vraag was te moeilijk. ‘En toen vertelden ervaren theoretische natuurkundigen me: het kán, maar je moet de methodes gebruiken van de kwantummechanica. Terwijl het hele probleem niets met kwantummechanica te maken heeft. De kwantummechanica werd daar gewoon als kunstje gehanteerd – en toen dacht ik: misschien is dit gewoon wat kwantummechanica is: de onderliggende wetten hebben niets met de kwantummechanica van doen, maar de enige manier om hun uitwerking te begrijpen is: je moet dit kunstje uithalen.’

Omdat God niet dobbelt, omdat hij de weg wil volgen van de meest gestrenge logica, koerst hij er onvermijdelijk op aan: de unificatietheorie, de grote onderliggende wet die alle elementaire deeltjes en fundamentele natuurkrachten verenigt. Einsteins droom, waarin de algemene relativiteitstheorie wordt verzoend met de kwantummechanica. De Theorie van Alles.

‘Ik heb daar wel eens extreme ideeën over. Dat de natuur extreem wiskundig is. Namelijk: het is denkbaar dat het heelal zelf alleen maar een verzameling getallen is. Bijvoorbeeld: een verzameling priemgetallen. Priemgetallen vormen een heel bijzondere set. We weten allemaal: priemgetallen vormen een oneindige reeks, maar hebben ze interne verbanden? Die verbanden zijn dan erg ingewikkeld. Maar je hebt paren van priemgetallen en je kunt er allemaal prachtige dingen voor bedenken en je kunt proberen wiskundig daar eigenschappen en stellingen voor te vinden. Ik stel me wel eens voor: de natuurwetten zouden best een abstractie kunnen zijn van die verbanden die er heersen tussen priemgetallen. Of andere soortgelijke getallenreeksen. En dan stel ik me de hele natuur voor als een getallenreeks, en de natuurwetten doen niks anders dan wetmatigheden tussen getallen weergeven.’

Er blijken dus eigenstandige verhoudingen te bestaan?

‘Ja. Daar zitten allemaal verbanden en structuren in. En ik stel me het heelal wel eens voor als niks anders dan die reeks van getallen, inclusief hun structuren – en wij zijn niks anders dan structuren van getallen.’

Waarvan dan de atomen en ook u en ik gewoon een uitdrukking zijn?

‘Ja. Dus in de getallenreeks zitten elementaire deeltjes die we inmiddels namen gegeven hebben, alleen: we realiseren ons helemaal niet dat die namen die we gegeven hebben, het muon, het topquark, het Higgs-deeltje, allemaal eigenschappen zijn van getallen.’

Op een bepaald niveau, logischerwijs, kan ik die denkslag maken. Op een ander niveau uiteraard natuurlijk helemaal niet. Zijn er in uw hoofd ook die twee niveaus van denken?

‘Nee. Ik heb maar één manier van denken. Ik kan het plaatje wat concreter maken door naar getallen te wijzen die quaternionen heten. Die quaternionen bestaan eigenlijk uit vier getallen die bij elkaar weer een nieuw soort getal vormen: een quaternion. Het bijzondere van die quaternionen is: ze vormen een vierdimensionale wereld. Waarvan je de grootte van het getal zou kunnen identificeren met tijd en de overige drie eigenschappen met ruimte. Dus die quaternionen vormen een vierdimensionaal heelal dat niet heel anders is als het onze. Misschien is ons heelal wel een quaternionenheelal. Nu ja, dat is een grote stap en ik denk dat die stap van een heleboel correcties zal moeten worden voorzien, maar in principe is het denkbaar dat ons heelal niets anders is dan een serie van grote getallen.’

De gouden medaille van de Nobelprijs heeft hij thuis in een kast liggen. ‘Of in de kluis, ik weet het niet precies.’ Soms vraagt een museum ’m te leen, maar daarvoor heeft hij in Stockholm een kopie gekregen ‘dikker en lichter dan het origineel, maar de museumbezoekers mogen toch niet voelen of-ie echt is’. Het vermaakt ’m allemaal wel: ‘Je krijgt een hele hoop uitnodigingen voor de meest rare festiviteiten. De meeste Nobelprijswinnaars zeggen dat je de eerste twee jaren bijna niets anders meer kunt doen dan naar allerlei gelegenheden gaan – dat komt ook omdat je de eerste paar jaar tegen alles ja zegt, want je vindt ’t prachtig. Maar daarna heb je het wel een beetje gezien: alwéér zo’n forum, alwéér zo’n tentoonstelling, dus ga je steeds vaker nee zeggen. Tenzij je Nobelprijswinnaar beschouwt als een beroep en overal heen gaat. Nu ja, dat wordt zeer op prijs gesteld, je hoeft eigenlijk niets anders meer te doen.’

Zelf is hij tot ambassadeur gebombardeerd van Mars One, het project van jonge Nederlandse ondernemers voor commerciële bemande reizen naar Mars. Een zelfmoordmissie, vinden de critici, een echte uitdaging, vindt ’t Hooft: ‘Enkele reis, inderdaad, je kunt niet terug, dus niet voor watjes.’

Er is, constateert hij, bij de Nobelprijs een ‘voor’ en een ‘na’. ‘Die prijs, daar gaat zo’n aura vanuit, de hele wereld kent ’m. Het is bijna per definitie: er gaat niks boven; er is geen belangrijkere erkenning die je kunt krijgen dan dit. Kennelijk hebben mensen behoefte aan een absolute. Wat ik nog het meest opvallend vind is niet de impact bij het grote publiek en de media, maar ook bij de collega’s, die opeens extra gewicht aan je gaan hechten. Dan zeg ik wel eens tegen ze: je zou beter moeten weten, want je wist al lang vóór dat comité in Zweden wat ik heb gedaan en wat ik heb gemist. Maar ook voor je collega’s heb je ineens een aantal extra strepen op je mouw gekregen.’ Hij maakt er maar met mate gebruik van. ‘De meeste dingen doe ik alleen. Ik heb nog zoveel vragen die ik wil beantwoorden… Ach, ik had u natuurlijk koffie moeten aanbieden. Dat vergeet ik altijd.’