Falco Werkentin over de staatsveiligheid in Oost en West

‘En zo verloor ik mijn vrienden’

Toen de Muur kwam, vluchtte de socioloog Falco Werkentin van Oost- naar West-Berlijn. Daar werd hij kritisch politie-onderzoeker. Toen de Muur viel, stortte hij zich op de Stasi. ‘In links West-Berlijn werd ik verdacht van “rabiate communistenjacht”.’

Medium frank werkentin

‘MIJN EERSTE PAK SLAAG van de politie kreeg ik op de dag dat de Muur werd gebouwd, 13 augustus 1961. Ik maakte deel uit van een menigte die in woede en paniek naar de zojuist versperde sectorengrens van ons Berlijn, hoofdstad der DDR, was opgerukt. Daar sloegen de Volkspolizisten erop los. Ik was amper zeventien, maar realiseerde me verdomd goed dat er die dag aan veel meer een einde was gekomen dan aan mijn bioscoopbezoekjes in West-Berlijn. Precies twee maanden later ben ik ’m gesmeerd, na een weekend lang oefenen met een blikschaar op het prikkeldraad van een volkstuintjescomplex. Sindsdien heb ik me alleen nog door West-Berlijnse agenten in elkaar laten slaan.’

Falco Werkentin werd in West-Berlijn een geducht onderzoeker van politiepraktijken. Hij behoorde er tot de aanzienlijke groep kritische wetenschappers die de ludieke, participerende actie niet schuwden. Toen viel de Muur. In 1991 vond hij zichzelf in de voormalige DDR terug. Van de ene op de andere dag verloor het politiethema zijn interesse.

‘Ik ben gepromoveerd op de naoorlogse wederopbouw van het politieapparaat in de drie westelijke bezettingszones van Berlijn. Toen de DDR-archieven toegankelijk werden, wilde ik de Oost-Berlijnse tegenhanger van dat verhaal schrijven. Ik zat te rechercheren in het partijarchief van de SED, de voormalige eenheidspartij. Op de tweede of derde dag stuitte ik op zo’n griezelige memo van Walter Ulbricht uit 1950 dat ik de inhoud amper geloofde.’

Voor hem lag een lijst met namen van vermeende oorlogsmisdadigers, die in 1950 bij duizenden tegelijk in schijnprocessen tot zware straffen werden veroordeeld, zonder bewijs van individuele schuld en zonder verdediging. Deze processen waren wel bekend. Maar dat politieke justitie zo simpel en effectief kon werken, had zelfs Werkentin niet vermoed: ‘Achter vele namen waren de politiek bekokstoofde straffen ingetypt, vijftien of vijfentwintig jaar cel. Maar soms was er nog niets ingevuld. En op die lege plekken had partijchef Ulbricht zelf met pen “doodstraf” geschreven, alleen maar doodstraf, tig keer, hier en daar nog eens stevig onderstreept. De betroffenen zijn snel geëxecuteerd.’

Je had als staatspartij dus alleen nog een paar marionetten nodig die voor rechter wilden spelen, zegt Werkentin: ‘Er is na de Wende wel om begrip voor die volksrechters gevraagd. Zij zouden nazislachtoffers zijn die over hun daders moesten oordelen. Maar toen de communistische partij in 1952 van hen verlangde het gros weer vrij te laten, deden ze dat net zo makkelijk. Het ging hier om pure partijdiscipline – dat is het vreselijke. En tot de val van de Muur is dat principe niet wezenlijk aangetast. Er zijn regimes waarin je bepaalde beroepen, zoals die van rechter, niet kunt uitoefenen.’

Na deze ervaring in 1991 zette Werkentin zijn politieonderzoek in de ijskast om zich geheel op de mer à boire van de politieke strafrechtspraktijk uit de DDR-jaren te richten. Kort erop nam hij een baan aan bij het ambt dat de Stasi-Unterlagen, de geredde dossiers uit het Oost-Berlijnse ministerie voor Staatsveiligheid, onderzoekt en beheert. Hij schreef het boek Politische Strafjustiz in der Ära Ulbricht (Ch. Links, 1995). ‘En zo verloor ik een groot deel van mijn oude vrienden’, zegt hij. ‘Het boek werd niet gerecenseerd door de kritische media van de West-Berlijnse intelligentsia, waar ik voorheen met mijn politiepublicaties kind aan huis was. Ik was daar zeer door gekwetst. Ze hadden voor de DDR-dictatuur en voor haar slachtoffers een blinde vlek, heb ik ze voorgehouden. Ikzelf had mijn maatstaven niet aangepast. Ik had ze alleen op een ander systeem toegepast.’

Over dat rechtssysteem kwamen lang weggestopte herinneringen boven. De wat obstinate slungel Falco die met zijn bootjes nog tot ‘scheepsmodelbouwer van het volk’ was uitverkoren, werd in 1959 bij het ochtendappèl op de schoolplaats onder tromgeroffel tot ‘staatsvijand’ verklaard. De Genossen-kinderen, die op school in de meerderheid waren, verklikten hem wanneer hij zich drukte bij officiële demonstraties, naar ‘vijandige zenders’ luisterde of het bioscoopbeleid in Oost-Berlijn vervloekte. De bouw van de Muur juichten ze vanzelfsprekend toe.

Het oorlogskind dat met grote levenswil uit zijn stervende moeder was gehaald en ook vaderloos opgroeide, had zich bij zijn vlucht in 1961 één ding voorgenomen: trouw aan zichzelf te blijven: ‘Ik was in de FDJ geweest, de jeugdorganisatie van de DDR. Daarvoor heb ik me zo geschaamd dat ik tegen mezelf heb gezegd: als je een nieuwe kans krijgt, zul je nooit meer in zulk opportunisme vervallen.’ Dit voornemen zou hem kwetsbaar maken: ‘West-Berlijnse kennissen hoefden maar te suggereren dat ik laf was, dat ik ’m kneep voor de staat, of ik deed alles om te bewijzen dat dat niet zo was. Mij kon je makkelijk chanteren. Als bestuurslid van de Humanistische Unie heb ik in 1988 nog de formele verantwoordelijkheid op me genomen voor een solidariteitsdemonstratie met hongerstakende gevangenen van de Rote Armee Fraktion. Uit principe. Ik heb daar zelfs nog gespeecht; normaal deed een coryfee als Helmut Gollwitzer dat, maar die was inmiddels te oud. Gelukkig bleef het ditmaal bij kapotte etalageruiten.’

De linksradicale Szene in West zocht voor zulke manifestaties doorgaans dekking bij linksliberale waakhonden van de rechtsstaat: ‘En dan kwam je al snel bij ons uit.’ ‘Ons’ was de aan de Freie Universität gelieerde Berghof-Stiftung, die onderzoek deed naar staatsveiligheids- en politieapparaten, met nadruk op de (schending van) burgerrechten. De onderzoeksclub werd geleid door de onconventionele politicoloog Wolf-Dieter Narr, tevens mede-initiator van het vermaarde Internationale Russell-Tribunaal, dat in 1978 de Berufsverbote en andere vermeende inperkingen van de mensenrechten en uitwassen van de ‘snuffelstaat’ BRD aan de orde stelde. Progressieve Prominenz als de genoemde Gollwitzer, Johan Galtung en de Nederlandse filosoof Lolle Nauta speelden in het Tribunaal een belangrijke rol.

DAT WAS HET voor West-Berlijn zo typerende intellectuele milieu van de jaren zeventig en tachtig waarin Falco Werkentin opereerde. Maar hoe trouw was hij eigenlijk aan zichzelf? Mat hij beide Duitse staten wel met gelijke maten? In het stichtingsorgaan Bürgerrechte & Polizei publiceerde hij een- en andermaal over onmatig politiegeweld tegen demonstranten en krakers, over dodelijke politieschoten, over Spitzel (stillen) en privacy, over de behandeling van vermeende staatsvijanden. Dat laatste woord kende hij nog van zijn Oost-Berlijnse school. Maar de DDR wordt in het tijdschrift doodgezwegen: het betreft hier het enkele schot te veel, de klappen te veel en de politie-infiltrant te veel in het Westen.

‘Wij waren niet in de DDR geïnteresseerd’, zegt Werkentin desgevraagd, en peinst. ‘Ik ook niet, terwijl dat toch voor de hand had gelegen. Ik heb niet eens gedachten over de DDR toegelaten. Dat is werkelijk merkwaardig, als je erover nadenkt. Ja, een blinde vlek, een typisch geval van verdringing – van mij en mijn generatie.’

In oktober 1989, daags voor de val van de Muur, dook de DDR plotseling op in Bürgerrechte & Polizei. Werkentin vergeleek toen de veiligheidsdiensten van Oost en West onder de kop: Stasi in den Tagebau! Aber wohin mit dem Verfassungsschutz? ‘De Stasi in de bruinkoolkraters smijten: dat was een nieuwe, gewaagde leus in de DDR. Zouden we hier met onze Verfassungsschutz ook moeten doen, schreef ik met ironie. Toen er steeds meer rumoer uit het oosten kwam, raakte ik geïnteresseerd. Toen heeft mijn DDR-herkomst me weer ingehaald.’

Begin 1990 Schreef Werkentin zelfs een hele editie van zijn tijdschrift vol over staatsveiligheid in dubbel perspectief, Oost- en West-. ‘Ik was ongeveer de enige bij onze stichting met deze interesse.’ Voorin stond een oproep aan de lezers in de DDR: niet alleen de burgerrechtenbewegingen bij jullie, ook die bij ons hebben het financieel moeilijk. Bestel ons blad, verspreid ons gedachtegoed! ‘Ik wilde de dissidenten informeren en waarschuwen’, licht Werkentin toe. ‘Zodat ze niet uit naïviteit het gehele Bondsduitse veiligheidsapparaat zouden overnemen. In het jaar voorafgaand aan de Duitse hereniging toerde het Bundesamt für Verfassungsschutz door de nieuwe deelstaten in het Oosten om voor zichzelf te werven: “Natúúrlijk komt bij ons in het Westen geen gesnuffel naar politieke gezindheid voor.” Bij een podiumdiscussie in Saksen of Brandenburg kon ik, gewapend met een dossier vol feiten, dan nog wat tegengas geven. Maar in het kielzog van de hereniging heeft de Bondsrepubliek een heel pakket aan staatsveiligheidswetten doorgedrukt, waartegen wij jarenlang hadden gestreden. Die wetten hollen de rechtsstaat uit.’

Terwijl de DDR na de vrije verkiezingen in april 1990 haar eerste en enige niet-communistische regering had geïnstalleerd, werd aldaar voor Werkentin en zijn semi-universitaire onderzoeksclub gewaarschuwd door hun eigen West-Duitse staat: ze zouden ‘crypto-communisten’ zijn. De christen-democraat Wolfgang Schäuble, die rond de Wende minister van Binnenlandse Zaken was, net als de laatste jaren, noemde Bürgerrechte & Polizei in de Bundestag een ‘extremistisch geïnfiltreerd’ blad. Werkentin: ‘Ik heb hem nog officieel verzocht mij die infiltranten te noemen, zodat ik me van ze zou kunnen ontdoen.’

Maar één ding was hem helemaal duidelijk: ‘Ik zou nooit een overheidsbaan krijgen. En evenmin staatsgeld voor wetenschappelijk onderzoek. Nadat mijn zoveelste tijdelijke contract bij de Berghof-Stiftung was afgelopen en ik me enige tijd in leven had gehouden met het bouwen van badkamers voor voormalige DDR-dissidenten, diende ik een onderzoeksaanvraag in, mede ondertekend door onze professor Narr: de omgang met binnenlandse crises en conflicten in de Bondsrepubliek en in de DDR in de jaren vijftig en zestig. Het werd afgewezen. Bij navraag bleek wat ik al vermoedde, maar wat niet letterlijk werd gezegd: het werd als obsceen beschouwd om de beide Duitse staten onder dit gezichtspunt te vergelijken. Nee, dan DDR en nationaal-socialisme: voor die vergelijking zou het geld me in de schoot zijn geworpen.’

Werkentin vraagt zich onwillekeurig af welke kringen in 1993 het meest verbijsterd waren, toen ze vernamen dat hij als beleidsmedewerker bij het Stasi-onderzoek van de Berlijnse overheid was aangesteld. Zijn dat de staatsdienaren die hem als communist zagen of was het zijn oude milieu, waarin menigeen vond dat hun kritische socioloog zijn pijlen nu in de woestijn verschoot? ‘In links West-Berlijn werd ik, nu ik me via de Stasi-dossiers eindelijk op de Oost-Duitse “snuffelstaat” richtte, verdacht van “rabiate communistenjacht”.’

HET WAREN JAREN vol ideologische verwarring. In die oude West-Berlijnse kringen werd de Duitse hereniging veelal als ongewenst beschouwd: de angst voor een ‘Groot-Duitsland’ zat diep. Werkentin zelf had daar geen last van. ‘Bij mij overschaduwde één emotie alle andere: de vreugde over het einde van de SED-heerschappij. Eerlijk gezegd, die Wiedervereinigung war mir Wurst – de hereniging kon me geen reet schelen.’ Wel ergerde hij zich steeds meer aan de ‘domme arrogantie’ van de generatie ’68. Zijn kennissen hadden de lange mars door de instituties met succes doorlopen en bekleedden nu de topposities in de samenleving – met expansie naar het nieuwe oosten des lands. ‘En dan maar lallen dat die Ossies zich niet zo druk moesten maken, want wisten zij veel hoezeer “wij West-Berlijners” onder onze staat hadden geleden. Dat het in de Bondsrepubliek met de burgerrechten nog erger was gesteld dan in de DDR – dat is natuurlijk lachwekkende nonsens.’

Als humanist en socioloog heeft hij een genuanceerd mensbeeld, zegt hij: ‘Omdat de mens voortdurend in de verleiding is kwaad te doen, moeten de omstandigheden zo zijn dat hij daarmee geen al te grote schade kan aanrichten. Iedereen heeft recht op lafheid. En de beste samenleving is die waarin je laf kunt zijn zonder dat het gevolgen heeft. Hoe minder vraag er van staatswege is naar privé-informatie, des te minder verklikkers er zullen zijn. En in die zin is de Bondsrepubliek, met al haar beperkingen, natuurlijk al een betere maatschappij dan de DDR was. Je bent bij ons nooit aan de veiligheidsdiensten uitgeleverd geweest.’

Werkentin werd, met zijn nuances over de mensheid, rebel tegen wil en dank. Rond de Wende is hij zichzelf en zijn maatstaven weer volledig trouw geworden: hij streed in het Westen én in het Oosten tegen de staatsmacht en de kortzichtigheid. Maar op een handjevol goede vrienden en buren in de woongroep na werd het daardoor steeds eenzamer om hem heen: ‘Vandaar dat ik me in Duitsland niet laat interviewen. Ik heb al genoeg vijanden.’

Hij heeft veel Oost-Duitsers uit het dissidentenmilieu leren kennen. Maar veel echte vriendschappen zijn daaruit niet ontstaan, geeft hij toe: ‘Als je geen gezamenlijk verleden hebt, niets dat je je samen kunt herinneren op je jeugdjaren na, lukt dat nauwelijks.’ In die zin is hij een westerling: ‘Even zag ik een waarlijk progressief Duits samenleven voor me: toen ik burgerrechtengroeperingen aan beide kanten van de geslechte Muur tot een gezamenlijke verklaring over de rechtsstaat en de grondwet had bewogen. Dat wordt vuurwerk, dacht ik, dat wordt een echte Schlager. Het leverde zes regels in de Frankfurter Rundschau op en nog een paar in de alternatieve tageszeitung. Wat DDR-dissidenten over de Bondsrepubliek zeiden, werd sowieso niet serieus genomen.’

Het werd nog erger, vervolgt hij: ‘In mijn linkse West-Berlijnse kringen bleek de sympathie voor de gevestigde intellectuelen van de DDR eigenlijk groter te zijn dan die voor de dissidenten. Die laatsten beheersten het marxistische jargon niet dat mijn generatie zich had eigengemaakt.’ Hij kijkt in de richting van een paar meter blauwe banden, de beroemde ‘blauwe monsters’ MEW, Marx-Engels-Werke, in de goedkope Oost-Duitse editie die in geen linkse West-Berlijnse boekenkast ontbrak. ‘We spraken dezelfde taal als de representanten van het reële, nu ondergegane socialisme.’
Dat ging zo ver, vervolgt hij, dat Oost-Duitse wetenschappers die documenten voor de Stasi hadden vervaardigd bij de ‘’68-ers’ op een zeker respect konden rekenen: ‘Als ik dan vertelde wat voor Schweinehunde dat waren, wat een foute en opportunistische lieden, repliceerde men: “Je praat zoals je overheidsdienst voor Stasi-documenten van je verlangt.” Daar had ik weinig verweer tegen. Ik vond het, eerlijk gezegd, zelf een toenemende last dat ik niet meer als onafhankelijk wetenschapper kon spreken.’

Het volgende wapenfeit was dat een aantal van zijn oude West-Berlijnse vrindjes, inmiddels topjuristen, de verdediging van Mielke, Krenz en al die andere DDR-kopstukken op zich namen: ‘Natuurlijk hadden zij recht op een goede verdediging zoals ze die thuis niet hadden kunnen krijgen. Maar de argumentatie waarmee die advocaten voor de onschuld van hun cliënten pleitten, vond ik ronduit shockerend.’ In 1995 besloot Werkentin tot de ultieme openbare afrekening. Een bevriende redacteur van de tageszeitung – ‘er was er nog eentje’ – stelde hem twee pagina’s ter beschikking. Het stuk begint aldus: ‘In de nacht van de Duitse hereniging is mijn generatie, in de wandelgang “68-ers” genaamd, conservatief geworden.’ Er volgt een genadeloze vergelijking van de argumentatie waarmee na 1945 de Schreibtischtäter van het Derde Rijk werden vrijgepleit met die waarmee na 1990 de politiek verantwoordelijken voor het Oost-Duitse systeem werden ontlast – door hun West-Berlijnse topadvocaten, en veelal met succes.

‘De excuses die ze van stal haalden!’ Werkentin windt zich er nog over op: ‘De daders waren ideologisch verblind, ze spraken recht in hun eigen systeem, en ga zo maar door.’ Het zijn argumenten waarvan zijn oude vrienden, betrof het de Tweede Wereldoorlog, gehakt hadden gemaakt. Zoals hij het toen, in 1995, in de taz formuleerde: ‘De juristen van de generatie ’68 die in het debat over nazimisdadigers onvoorwaardelijk aan de kant van de slachtoffers stonden, zijn bij de verwerking van het onrecht van de DDR overgesprongen naar de kant van de daders.’

Na 1990, vult hij aan, is geen enkele SED-functionaris veroordeeld voor de vonnissen die hij of zij had bedacht en door marionettenrechters liet uitspreken: ‘Een paar van zulke rechters hebben, toen ze na de Wende de bui voelden hangen, zelfmoord gepleegd.’ Zijn tirade heeft helaas weinig losgemaakt, zegt hij: ‘Behalve dat ik als spreker en publicist in mijn oude milieu nog minder in trek raakte.’

In de week dat de val van de Muur van twintig jaar geleden wordt herdacht, wordt Falco Werkentin 65. Hij is al weer een tijdje weg bij zijn overheidsdienst voor Stasi-onderzoek: ‘Ik was zo moe van alles. Van die hele kleverige herinneringsindustrie. Laat mij in vredesnaam géén kransen namens de Duitse staat leggen, die rol ligt me niet. Ik zoek het intellectuele debat.’

Als ambtenaar kwam hij zichzelf al te vaak in de therapeutenrol tegen: ‘Er werd een soort wekelijkse anticommunistische mis van me verwacht, waarbij de slachtoffers konden uithuilen. Lekker samen bolsjevistje verketteren, met mijzelf als de nieuwe staatsautoriteit van wie alle heil en zegen werden verwacht. Jasses, die vreselijke autoriteitsgevoeligheid onder de DDR-slachtoffers! In die zin passen ze prachtig bij hun voormalige beulen. Nee, laat mij nu maar gewoon ongestoord onderzoek doen, zonder al die primitieve emoties.’