Kunst: De eerste moderne kunstenaar

‘Encore Delacroix?’

Er was nauwelijks een kunstenaar in de tweede helft van de negentiende eeuw die Eugène Delacroix niet als voorbeeld zag. Het was tijd voor een tentoonstelling.

Medium 21. vue de dieppe louvre
Eugène Delacroix, De zee bij Dieppe, circa 1852. Olie op hout, 35 x 51 cm © Philippe Fuzeau / RMN-Grand Palais (musée du Louvre)

Als het Vincent van Gogh weer eens tegen zat, troostte hij zichzelf met de gedachte dat zelfs Delacroix afwijzingen kreeg. Zelfs Delacroix. De kunstenaar die Van Gogh in één adem noemde met Rembrandt, een genie dat de werkelijkheid verbeeldde zoals die werkelijk was, dat als geen ander wist hoe je kleur moest gebruiken. Al in 1846 noemde Baudelaire hem ‘de laatste uitdrukking van vooruitgang in de kunst’. Later vielen Édouard Manet en Constantin Guys de dichter wat tegen, Delacroix zou Baudelaire’s grote voorbeeld blijven. Er was nauwelijks een kunstenaar in de tweede helft van de negentiende eeuw die Delacroix niet als voorbeeld zag.

En nu? Drie, maximaal vier schilderijen bleven hangen in het collectief geheugen, staan in kunsthistorische overzichten, met als nummer één La Liberté guidant le peuple uit 1830, met die halfnaakte Marianne die het volk achter haar de weg over de lijken toont, de Franse driekleur in de hand. Zijn bekendste doeken zijn in het bezit van het Louvre en zijn daar ook te zien, verspreid, omdat sommige doeken zo groot zijn dat ze in de Grande Galerie moeten hangen. Ook Delacroix’ papieren, aantekeningen, schetsen en dagboeken vallen onder het beheer van het museum, en zijn voor een deel te zien in het voormalige woonhuis van de kunstenaar.

Het was tijd voor een Delacroix-tentoonstelling, vond het Louvre samen met het Metropolitan Museum in New York. Sinds 1963, toen Delacroix honderd jaar dood was, was die er niet meer geweest. Toch opent de tentoonstelling in de kelder van het museum onzeker: ‘Encore Delacroix?’ Is er nog wel iets nieuws te melden? Me dunkt, na 55 jaar. Laat maar zien, die halfgod, die eerste moderne kunstenaar.

Nee wacht. Om iets te begrijpen van het werk van Delacroix is het beter te beginnen in de Grande Galerie, boven. Daar hangt namelijk het vlot van de Medusa, het beroemdste schilderij van Théodore Géricault uit 1818-1819. Gepresenteerd op de Salon van 1819 en geschilderd naar aanleiding van een actuele gebeurtenis, een nouveauté voor die tijd van bijbelse, mythische en historische taferelen. Vijftien dagen dobberden schipbreukelingen in 1816 voor de kust van Mauretanië voordat ze gered zouden worden. De wanhoop, de halfnaakte, stervende lichamen, de dramatische compositie: ze kwamen allemaal samen in het schilderij dat een icoon zou worden voor een hele generatie. Om te beginnen bij Delacroix. Hij ligt er nota bene zelf, op z’n buik, midden voor op het vlot, arm over de rand, uitgeput of dood. Hij poseerde voor zijn vriend en zeven jaar oudere voorbeeld, en zou de volgende tien jaar vooral proberen diens succes te overtreffen.

Eugène Delacroix (1798-1863) voelde het succes al gloren, zo schreef hij als puber in z’n dagboek. Zo zelfverzekerd was hij wel. Verloor als kind zijn moeder, zijn vader, diplomaat, overleed toen hij zeventien was. Delacroix wilde de beste schilder worden, bleef zijn leven lang vrijgezel, kinderloos. Hij kreeg schilderles van Guérin, neoclassicist, samen met Dordrechtenaar Ary Scheffer en Géricault. Guérin geloofde nog in historieschilderkunst, de strakke composities van zijn meester Jacques Louis David, de idealen uit Rome. Daar dachten Géricault en Delacroix heel anders over.

De Prix de Rome was traditioneel gezien de manier om het te maken in de schilderkunst, maar niet voor hen. Géricault kreeg zijn faam met zijn vlot op de Salon, dat moest Delacroix ook lukken. Hij debuteerde op de Salon van 1822 met een schilderij van Dante met Vergilius onderweg in de hel, in een boot op woeste zee. Goed gejat dus, met voor de zekerheid toch een klassiek thema. Adolphe Thiers, de journalist die later president zou worden, zag er de viriliteit van Michelangelo en de vruchtbaarheid van Rubens in terug. Terecht: Delacroix had goed gekeken naar de oude meesters in het Louvre, nam de poses direct over van de klassiekers.

Helaas krijgt de bezoeker die invloeden en overeenkomsten op de tentoonstelling allemaal niet zo gepresenteerd. Die ziet eerst wat jeugdkrabbels en een treffend zelfingenomen zelfportret, dan volgt de grootste ruimte van de tentoonstelling. En die is klein. Op elke muur een doek, door het gedrang waan je je in een negentiende-eeuwse Salon maar de krapte is vooral knullig. Daar is de Scènes des massacres de Scio, het meer dan vier meter hoge doek met daarop de verslagen Grieken. IJzersterke compositie, met een steigerend paard rechts, de Ottomaanse ruiter heeft rembrandtesque gouden decoraties. Een zuigeling die vergeefs te drinken zoekt bij zijn al overleden moeder, de aders nog zichtbaar op haar borsten: bijna wellustige details van verloren lichamen. Drama. Viel ook goed bij de Salon van 1824, direct aangekocht door de staat.

De kleur die Van Gogh zo bewonderde lijkt wel te zijn weggezogen uit de schilderijen van het Louvre

Draai een kwartslag: meer stervenden, halfdoden en -naakten op het doek van La Liberté, dat de kunstenaar zes jaar later maakte naar aanleiding van de ‘Trois glorieuses’, de revolutie van juli 1830 tegen Karel X. Onhandige combinatie in de tentoonstelling, want in die zes jaar tijd was behoorlijk wat gebeurd: Delacroix had nog een derde spektakelstuk gemaakt voor de Salon, de Dood van Sardanapalus in 1827 (ook dit vijf meter lange doek kon de afdaling niet maken, komt u weer even mee naar boven, naar de Grande Galerie?). Daar zette Delacroix het verhaal over de Assyrische koning die zelfmoord pleegt, maar eerst nog even zijn harem laat uitmoorden, op een bijna sadistische manier neer. Het verhaal was in 1821 als toneelstuk bewerkt door Lord Byron, oudere bronnen gaven Delacroix het idee voor de koning als onverschillig monster. Het genot waarmee de vrouwen, naakt, net voor hun dood worden afgebeeld, is voelbaar. ‘Een fout’, noemde criticus Delécluze de inzending bij de Salon van dat jaar, ‘Het oog kan er geen touw aan vastknopen, die kluwen van lijnen en kleuren.’ Intussen was ook Géricault in 1824 op 32-jarige leeftijd overleden, schilderde Delacroix meerdere veldslagen, en kwam tóen pas met het schilderij van de Marianne.

Medium 6. la mort de sardanapale louvre
Eugène Delacroix, Dood van Sardanapalus, 1827. Olie op canvas, 392 x 496 cm © Angèle Dequier / Musée du Louvre, dist. RMN - Grand Palais

Nu ja, kunt u zeggen, de opbouw en inrichting van de tentoonstelling mogen dan wat ongelukkig zijn – waarom, met zo’n megalomaan gebouw, niet een grote galerij gebruiken als tentoonstellingsruimte, en werkelijk profiteren van je eigen collectie? – er hangen wel veel schilderijen van Delacroix bij elkaar, en de voorstudies, naakten en aquarellen zijn interessant om te zien. Jammer, wel, dat er gekozen is voor alléén Delacroix, dat zelfs de levenslange competitie met de gepolijstere Ingres buiten beschouwing blijft. Maar vooral, en dat is werkelijk essentieel, blijft het moeilijk het enthousiasme en de adoratie van de negentiende-eeuwers te begrijpen. Ja, de composities zijn gewaagd, de personages menselijk, overtuigend, maar er mist iets.

Pas een paar zalen verder, na Delacroix’ reis naar Marokko en Algerije, wordt duidelijk wat: kleur. De kleur die Van Gogh zo bewonderde lijkt wel te zijn weggezogen uit de schilderijen. Tenminste, uit die van het Louvre. Omgevallen bloemenmand in een tuin heet het schilderij uit 1848, inhoudelijk niet het sterkste werk van Delacroix, maar wat een sprankeling, wat een frisheid! Het schilderij komt uit het Metropolitan en krijgt daar duidelijk een andere verzorging. Ook de bruiklenen uit Baltimore, Edinborough, Zürich, enfin, de frisheid van vrijwel alles van buiten het Louvre laat zien dat ze in Parijs net iets té bang zijn om de schilderijen aan te raken, en zelfs geen vieze vernislaag verwijderen.

Niet ver van het Louvre, aan de andere kant van de Seine, is in het voormalige woonhuis van Delacroix een kleine tentoonstelling te zien die alleen al in opzet meer lucht en dwarsverbanden biedt. De keuze van Delacroix voor de locatie van het huis heeft direct te maken met het onderwerp van de tentoonstelling: de opdracht die de kunstenaar in 1847 kreeg om een van de kapellen van de Saint-Sulpice-kerk te decoreren. Delacroix kon vanwege een haperende gezondheid niet meer dagelijks het hele traject van de ene naar de andere Seine-oever maken en kocht dit huis aan de Rue de Fürstenberg. Toen in 1928, lang na zijn dood, het huis verkocht dreigde te worden, schoten jongere kunstenaars te hulp: Maurice Denis en Paul Signac riepen de Vriendenstichting van Delacroix in het leven en richtten, inmiddels geholpen door Matisse en Vuillard, een museum in over hun grote voorbeeld. Sinds 2004 valt het onder de zorg van het Louvre.

Die opdracht voor de Saint-Sulpice nam Delacroix heel serieus. Eerder had hij zich zo veel mogelijk afzijdig gehouden van religieuze opdrachten, nu was blijkbaar de tijd gekomen waarop hij begreep dat de garantie van zo’n groot publiek zeldzaam was. Als thema voor de kapel koos hij de engelen en vooral zijn schilderij van het gevecht van Jacob met de engel zou grote invloed hebben op latere generaties kunstenaars – ook Gauguin liet zich erdoor inspireren. Delacroix deed lang over de uitvoering, gehinderd door andere opdrachten en door zijn verslechterende gezondheid: pas in 1861 werd de kapel ingewijd. De tentoonstelling bestaat uit twee delen: de inspiratiebronnen voor Delacroix (prenten vanaf de late Middeleeuwen, Raphaël, Titiaan, Rubens) en zijn voorstudies, en daarna, in het voormalige atelier, hangen enkele van de navolgers: Gustave Moreau, Odillon Redon, Marc Chagall. Het sluitstuk bevindt zich uiteraard in de Saint-Sulpice, op een paar minuten loopafstand.

Het enorme gebouw, na de Nôtre Dame de grootste kerk van Parijs, is van binnen in erbarmelijke staat. Alleen Delacroix’ Chapelle des Saints-Anges, bij binnenkomst meteen rechts, is in 2016 gerestaureerd. Zo kreeg dit werk van Delacroix zijn kleur terug. Het gevecht met de engel, Heliodorus verjaagd uit de tempel en Sint Michaël die de draak verslaat: ze blozen ervan. Buiten de kerk staat een buste van August Strindberg, de auteur die, onder de indruk van de strijdvaardigheid van Jacob, graag en veel naar Delacroix’ muurschildering kwam kijken. Dat is hier, nu, wél te begrijpen.


Delacroix 1798-1863 in het Louvre en Une lutte moderne, de Delacroix à nos jours in Musée Delacroix duren tot 23 juli. Van 17 september t/m 9 januari 2019 tevens in het Metropolitan Museum of Art in New York; louvre.fr., metmuseum.org. De Eglise Saint-Sulpice is dagelijks gratis toegankelijk