Bouwwerkzaamheden in de Noordoostpolder, jaren vijftig © Henk Nieuwenhuijs / MAI

Ik zal mijn kaarten maar meteen op tafel gooien. Ik verlang naar een groots en veelomvattend plan dat de toekomst verbeeldt en de weg ernaartoe uitzet. Naar een Plan van de Arbeid om precies te zijn. En om dan nog exacter te zijn: naar een nieuw Plan van de Arbeid.

Ik zal meteen duidelijk maken waar ik dan op doel. Daarvoor moet ik vertellen over een ontdekking in een oude boekenkast. Die vond zo rond 2017 plaats, nadat een kennis me vroeg of ik wilde helpen een bestemming te vinden voor de boekenverzameling van zijn vader. Die was kort daarvoor naar een kleine seniorenwoning verhuisd, en een aantal boeken was te bijzonder om naar een kringloopwinkel te brengen. Ik had eigenlijk geen tijd, maar de kennis drong nogal aan. Uiteindelijk spraken we af dat ik een week later met mijn auto naar de woning zou komen. Ik nam een vriend mee om te helpen met uitzoeken en sjouwen.

Na aankomst werden we meteen naar het kantoor van de vader geleid. Het bleek een schatkamer vol oude werken over de socialistische beweging. Bij het uitruimen kon ik het niet laten regelmatig een van de boeken open te slaan. Ik las een paar regels van een gedicht van Pieter Jelles Troelstra, oprichter en leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (sdap), die in 1918 een nogal tragisch mislukte revolutiepoging waagde. Vervolgens een stuk uit een van de in linnen gebonden boeken van Hendrick Peter Godfried Quack, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw onder de titel De socialisten verschenen. Tussen al die geschriften lag Het plan van de arbeid. Ik werd al verleid door het omslag. In grote rode strakke letters las ik ‘Het plan’, en daaronder ‘van de arbeid’, en daar weer onder ‘N.V. De Arbeiderspers-Amsterdam 1935’.

Ik mag het eigenlijk geen ontdekking noemen, eerder is het een persoonlijke herontdekking, want tijdens mijn studie politieke wetenschappen had ik erover gelezen. Dat was in artikelen en boeken waarin de invloed van het Plan van de Arbeid op het denken over het economisch beleid aan de orde kwam. De ideeën van de opstellers waren in de jaren na 1945 een bron van inspiratie geweest bij de wederopbouw van het verwoeste Nederland. En ik wist dat het een rapport was van een commissie van de sdap (de voorganger van de PvdA) en de nvv (de socialistische vakbond die later opging in de fnv).

Eerlijk gezegd dacht ik dat het Plan van de Arbeid overschat was. Het zou ongetwijfeld vol staan met van die moeizame taal die dit soort rapporten kenmerkt. In mijn jaren als parlementair journalist had ik me daar te vaak doorheen moeten worstelen. Maar al tijdens het lezen van de eerste bladzijden werd ik geraakt. Het doel was duidelijk: een plan dat de ‘bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil’ moest garanderen. Het probleem werd in klare bewoordingen geformuleerd: armoede, de massawerkloosheid van de jaren dertig, een economisch systeem dat stuk was. En er werden oplossingen aangedragen: overheidsinvesteringen, ordening van de economie, planning van de productie van schaarse goederen en een kortere werkweek.

De kennis en ik kwamen bij het afscheid tot de conclusie dat de beste bestemming voor al die boeken de bibliotheek van het wetenschappelijk bureau van de PvdA zou zijn. Zijn vader was immers al lid sinds de oprichting. Op een doordeweekse dag leverde ik een volle kofferbak af in Den Haag. Ik had de verleiding weerstaan om me een deel van de collectie toe te eigenen. Met één uitzondering: Het plan van de arbeid. Vrijwel meteen nadat ik het in handen kreeg, werd ik gegrepen door het verlangen naar een nieuw Plan van de Arbeid.

Misschien hoef ik niet uit te leggen waarom het lezen van Het plan van de arbeid bij mij dat verlangen aanwakkerde, maar ik zal het toch doen. Dat was in de eerste plaats vanwege het optimisme waar het blijk van gaf. Het gevoel dat het uitstraalde dat het mogelijk is het lot in eigen hand te nemen. Dat werd nog het mooist verwoord in een propagandabrochure die sdap en nvv een jaar later uitgaven en in een oplage van vele honderdduizenden verspreidden. ‘Ende despereert niet’, zo begint het. ‘Kan dit zo nog langer duren? Moet ons land bezwijken onder de druk der tijden? Neen! Is er een andere weg mogelijk? Ja!’ Op de volgende pagina staat een tekening met zes gespierde werkpaarden. ‘Deze paarden zullen Nederland uit het moeras trekken.’ Boven elk paard staat in rode letters een onderdeel van het Plan: ‘Openbare Werken’, ‘Krotopruiming’, ‘40 Urenweek’, ‘Langer Leerplicht’, ‘Industrialisatie’ en ‘Huurverlaging’. Daarna wordt voorgerekend hoe in korte tijd tweehonderdduizend werklozen weer aan het werk kunnen komen.

In het rapport zelf wordt een groot aantal voorstellen gepresenteerd om ons land te verbouwen en welvaart te creëren. Wat het optimisme met terugwerkende kracht zo aanstekelijk maakt, is dat je kunt vaststellen dat veel van die voorstellen en dromen zijn gerealiseerd, en dan heb ik het niet alleen over het uitbannen van de bittere armoede uit die tijd. Nederland veranderde zichtbaar. De zeventien grote werken die in het rapport werden voorgesteld, waren 25 jaar later allemaal tot stand gebracht. Rotterdam kreeg de Maastunnel. De Zuiderzee was ingepolderd. In en rond de steden werd in de naoorlogse jaren in een ongekend tempo gesloopt en gebouwd. Spoorlijnen waren vernieuwd en het platteland was voorzien van waterleidingen en elektriciteit. Bij Amsterdam was de IJtunnel gegraven. Nederland werd in sneltreinvaart geïndustrialiseerd, mede aangedreven door de overheid.

Daarnaast voltrok zich een sociale en politieke revolutie. De veertigurige werkweek en de langere leerplicht werden ingevoerd. De Nederlandsche Bank, tot de Tweede Wereldoorlog een particuliere onderneming met het vorstenhuis als grootaandeelhouder, werd in 1948 genationaliseerd, precies zoals in Het plan van de arbeid stond. Er kwam een Wet toezicht kredietwezen om de banken in het gareel te houden. De pacht- en huurwetten stelden grenzen aan speculatie en prijsopdrijving van landbouwgrond, huizen en bedrijfspanden. De voorgestelde Algemeen Economische Raad werd de Sociaal-Economische Raad (ser), waarin vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden met onafhankelijke deskundigen aan adviezen werken. Het Nationaal Conjunctuur Bureau dat er volgens de opstellers van het Plan moest komen, kreeg de naam Centraal Planbureau en helpt al meer dan vijftig jaar zicht te krijgen op de ontwikkeling van de economie en de effecten van beleid. Zelfs het idee om kunstenaars opdrachten te geven viel uiteindelijk in vruchtbare aarde: bij bouwopdrachten van de overheid wordt twee procent van het budget gereserveerd voor beeldende kunst.

SDAP verkiezingsaffiche van 1936 © PvdA

Wat me verder aansprak, en dat steeds meer is gaan doen, was dat het zo duidelijk richting gaf. Het doel – het verzekeren van bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil – was in het rapport zowel de start- als bewegingsmotor, het criterium waaraan alles ondergeschikt was. De vraag hoe je daarvoor kon zorgen, dwong tot het wegen van elk idee. Hoe leidde het tot meer betaalde arbeid? Droeg het bij tot welvaart op de langere termijn? Welke bestaande ideeën moesten opzij worden gezet?

Kom daar maar eens om in deze tijd. Aan plannen en ideeën is op zich geen gebrek. Economen en andere deskundigen maken ontwerpen om ons sociale zekerheids- en het belastingstelsel te hervormen. Er worden radicale voorstellen gedaan om onze energievoorzieningen duurzamer te maken, wegen aan te leggen of supersnelle ondergrondse treinverbindingen te realiseren die je met buisverbindingen in een mum van tijd naar alle Europese hoofdsteden vervoeren. Dit alles gecombineerd met zweeftreinen, het verplaatsen van Schiphol naar een eiland op de Noordzee, en nog veel meer. Maar je verlangt naar de verbinding tussen al die voorstellen. Zonder die samenhang blijven regeerakkoorden en partijprogramma’s veredelde boodschappenlijstjes.

De zoektocht naar manieren om het grote doel te verwezenlijken dwong bestaande ideeën opnieuw te doordenken. Het was daarom een gouden zet om het Plan van de Arbeid niet door de grote voormannen uit de sdap en de nvv te laten opstellen. Het waren relatieve buitenstaanders, niet eens de gevestigde economen van die tijd. Daarom hadden ze de intellectuele vrijheid en ruimte om het denken op de kop te zetten. Hein Vos, directeur van het wetenschappelijk bureau dat speciaal voor het schrijven werd opgericht, was ingenieur en dichter. In het gezelschap zat verder de rechtsgeleerde George van den Bergh, op dat moment tevens bekend als uitvinder en astronoom. De sdap-Kamerleden Theo van der Waerden (ook ingenieur) en Arie IJzerman (voormalig belastingambtenaar) waren de enige beroepspolitici in het gezelschap, terwijl alleen Bob van Gelderen (ambtenaar op het ministerie van Koloniën) zijn academische opleiding aan een economische faculteit begon. De belangrijkste auteur was de jonge Jan Tinbergen, de latere Nobelprijswinnaar economie, maar opgeleid als natuurkundige.

Er is alle aanleiding voor een nieuw Plan. Het doel uit 1935 – bestaanszekerheid bij een behoorlijk bestaanspeil – is immers nog niet voor iedereen gerealiseerd

Het Plan keerde zich natuurlijk in de eerste plaats tegen de laisser-faire-politiek van de toenmalige regering van Colijn, het idee dat je het creëren van welvaart kon overlaten aan ‘het vrije spel der maatschappelijke krachten’. De opstellers van het Plan baseerden zich daarbij onder meer op John Maynard Keynes en zijn ideeën over een begrotingsbeleid dat hielp de chaos te temmen. In 1935 moest zijn standaardwerk The General Theory of Employment, Interest, and Money nog verschijnen (dat gebeurde een jaar later), maar de opstellers waren uitstekend op de hoogte van zijn denken.

Maar er werd ook – definitief – gebroken met opvattingen die bij de sdap en andere socialistische partijen leefden. Lang hadden de leden de hoop dat hun partijen de macht vroeg of laat bijna als vanzelf ten deel ging vallen en dat er een maatschappij zou ontstaan waarin er genoeg was voor iedereen, de hebzucht was uitgebannen en alle mensen als broeders samen zouden leven. Er waren veel socialisten die geloofden dat door de hevige concurrentie van het moderne kapitalisme de kleine middenstand, de kleine industriëlen, kooplieden en renteniers, de handwerklieden en boeren ‘naar het proletariaat zouden afdalen’, zoals Karl Marx en Friedrich Engels in 1847 in Het communistisch manifest hadden voorspeld. Dat proletariaat zou vroeg of laat kiezen voor de beweging die voor hun belangen opkwam. Want het werk dat ze moesten verrichten, aldus Marx en Engels, verloor ‘door de uitbreiding van de machinerie en de arbeidsdeling elk zelfstandig karakter en daarmee elke aantrekkelijkheid’ voor de arbeiders.

Die voorspelling was in 1935 overduidelijk niet uitgekomen. Nederland kende een grote dienstensector, zelfstandige middenstanders en boeren, die niets moesten hebben van al die verhalen over een socialistische samenleving waarin het proletariaat zegevierde. In de bedrijven waren geschoolde werknemers in hogere posities lastig te verenigen met de ongeschoolden. De crisis van de jaren dertig dreef de kiezers ook niet in de armen van de sdap en de nvv. Sterker nog: de aanhang stagneerde. Bij de verkiezingen van 1933 boekte de partij een licht verlies. In deze omstandigheden stonden partij en vakbond met lege handen. De sdap protesteerde in de Tweede Kamer en daarbuiten luid tegen de loonsverlaging van leraren en ambtenaren, ze stemde tegen de verlaging van de steun, maar met welke ideeën wilde ze het stukgelopen systeem repareren?

Het Plan is extra aanstekelijk omdat het een poging was de impasse in het politieke systeem te doorbreken. De politieke verdeeldheid was in die jaren dertig niet minder dan die nu is. Toen deden 54 partijen mee aan de verkiezingen van de Tweede Kamer (die toen nog honderd leden telde). Daarin zaten uiteindelijk veertien partijen, waaronder de eenmansfracties van De Nederlandse Boeren-, Tuinders- Middenstandspartij en het Verbond voor Nationaal Herstel, net iets minder dan de zeventien partijen en partijtjes die het Binnenhof op dit moment bevolken. Die impasse werd door de sdap en de nvv extra gevoeld omdat de grote christelijke partijen weigerden om met de socialisten samen te werken.

In de tekst en in de voorstellen werden pogingen gedaan een brug te slaan. ‘Uitvoering van dit plan brengt nog geen socialisme’, schreven de opstellers bijvoorbeeld. ‘De bezittingsmacht van de productiemiddelen’ zou ten gunste van het ‘algemeen belang’ wel worden ingeperkt. Zo werd afstand genomen van de socialistische utopie. Het woord ‘proletariaat’ kwam in het rapport nergens voor. Het richtte zich nadrukkelijk op alle werkenden, dus ook op ‘den boer en den tuinder’ en op ‘den middenstander’.

Verder lees je voorstellen terug die aansluiten bij het corporatistische denken van katholieke politici; het idee dat je geen klassenstrijd moet voeren, maar dat werkgevers, werknemers en overheid samen dienen te werken. In het rapport wordt daarom de introductie van bedrijfschappen voorgesteld. Daarin moesten vertegenwoordigers van overheid, werkgevers en vakbonden de belangrijkste beslissingen voor hun sector nemen. Een overkoepelende Algemene Economische Raad, ook met vertegenwoordigers van overheid, werkgevers en werknemers, moest op nationaal niveau beslissen over zaken als gewenste investeringen en rationalisaties (dit voorstel ging dus veel verder dan de uiteindelijke adviesrol die de Sociaal-Economische Raad na de Tweede Wereldoorlog kreeg).

Het oude Plan verscheen in een tijd waarin niet alleen de politiek versplinterd was, maar ook in de samenleving diepe verdeeldheid heerste. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen leefden in strikt gescheiden werelden (in een eigen bubbel, zouden we tegenwoordig zeggen), met elk hun eigen politieke partijen, kranten, vakbonden, omroepen, scholen, universiteiten, sportclubs en culturele beweging. Om die verdeeldheid te doorbreken werd het in 1935 gepresenteerd als een rapport voor iedereen.

Bij de presentatie in de zaal Tivoli in Utrecht zaten volksvertegenwoordigers van de andere partijen, bazen van grote bedrijven, leiders van werkgeversorganisaties, voormannen uit de landbouw en het midden- en kleinbedrijf, topambtenaren en economen. In de zaal werd nu eens niet een strijdlied aangeheven door het koor Stem des Volks, maar klonk Beethovens ouverture Egmont. Voor de gelegenheid was het Planlied gecomponeerd (de tekst was geschreven door de voorzitter van de plancommissie Hein Vos), waarvan de muziek op het carillon van de – katholieke – Domkerk werd gespeeld en in heel Utrecht klonk. Willem Albarda, partijleider van de sdap, deed in zijn toespraak een dwingend beroep op ‘hen die niet tot de beweging hoorden’, en partijvoorzitter Koos Vorrink bood het rapport aan het hele volk aan. ‘Hier is mijn hand’, sprak hij, ‘pak aan!’

Er wordt wel gezegd dat die politieke doorbraak is mislukt – aan de politieke verdeeldheid kwam zelfs na de Tweede Wereldoorlog geen einde, zij het dat het aantal partijen afnam. Dat is slechts ten dele waar. Al in 1939 werd de politieke isolatie doorbroken, toen de sdap toetrad tot het kabinet-De Geer. Na de oorlog werd de Partij van de Arbeid opgericht, een partij bedoeld voor alle werkenden, dus ook voor katholieken, protestanten en sociaal-liberalen. Nog belangrijker was dat de andere partijen toen vatbaar bleken voor de ideeën die in het Plan van de Arbeid stonden.

Spoorwegmannen werken aan de Nederlandse infrastructuur in de jaren vijftig © Henk Nieuwenhuijs / MAI

Het Plan spreekt me verder aan vanwege iets wat niet in het 312 pagina’s dikke rapport wordt genoemd, maar wat je meteen duidelijk wordt als je op bladzijde 2 leest dat het in 1935 verscheen. Teruglezend ruik je de dreiging die in de lucht hing. Het Europa van 1935 was er een van staatsgrepen, politieke moorden, werk- en concentratiekampen. Uit het grote buurland Duitsland kwamen dagelijks berichten over politieke tegenstanders die in kampen verdwenen. In Italië barstte de fascistische leider Mussolini van zelfvertrouwen. De opstellers van het Plan zullen ook weinig illusies hebben gehad over wat er in de Sovjet-Unie gebeurde.

De levens van de opstellers zijn ook verbonden geraakt met de jaren die volgden. Dat gold zeker voor de twee joodse opstellers. Bob van Gelderen pleegde op 14 mei 1940 samen met zijn vrouw en twee kinderen zelfmoord. George van den Bergh werd na de Duitse inval opgesloten in Buchenwald. Hij wordt verder herinnerd vanwege de beroemde rede (niet zo lang geleden herdrukt) die hij in 1936 bij zijn aantreden als hoogleraar staatsrecht uitsprak. Daarin betoogde hij dat je – om de democratie en de vrijheid te beschermen – antidemocratische partijen moet verbieden.

Het doel van een nieuw Plan zou in twee woorden kunnen worden samengevat: ertoe doen. Omdat we er als levende wezens toe doen, omdat we er als mensen toe doen

Die dreiging was in 1935 een extra reden om met een democratisch alternatief te komen dat de hoop op vooruitgang herstelde. Want ook in Nederland spraken de autoritaire alternatieven tot de verbeelding. Overal ontstonden fascistische en semi-fascistische partijtjes. 1935 was het jaar waarin de fascistische nsb meedeed aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Ze haalde in één klap acht procent van de stemmen. In verschillende bewoordingen betoogden fascisten en communisten dat hun voorbeeldlanden beter in staat bleken de crisis te bestrijden. Fascisten wezen op Duitsland, waar de werkloosheid met de helft daalde en de Duitse arbeiders voor het eerst een betaalde vakantie kregen. Communisten wezen op de vijfjarenplannen waarin de Sovjet-Unie in een razend tempo werd geïndustrialiseerd. Dat de werkelijkheid dramatisch anders was drong toen nog minder door.

Ik kan het oude Plan natuurlijk niet lezen zonder te denken dat ook in deze tijd de democratie wankel is. Misschien minder dan toen, maar er gebeurt veel te veel om de ongerustheid weg te nemen. Zou je met een alternatief zoals het Plan van de Arbeid niet de hoop op vooruitgang en daarmee het vertrouwen in de democratie kunnen versterken?

En dan is er nog iets wat bij mij het verlangen naar een Plan zoals in 1935 aanwakkert. Dat is de nadruk op arbeid. Bij het woord denk ik meteen aan de manier waarop we al werkend de wereld om ons heen vormgeven. Het spreekt me aan omdat de betekenis van de arbeid in de afgelopen tientallen jaren wat ondergesneeuwd dreigde te dragen. Geleidelijk aan is de status van bezit en rendement op kapitaal toegenomen; een gevoel dat werken voor de dommen is. Een private investor met Porsche voor de deur wordt al snel hoger aangeslagen dan een leraar voor de klas (ik bedoel dan: op het gebied van status, de winst uit vermogen wordt juist minder belast dat die op arbeid).

Het woord ‘arbeid’ spreekt verder aan omdat het ook voor onszelf van enorme betekenis is. Ik werd me daar weer extra scherp van bewust naar aanleiding van een nogal ongemakkelijk moment dat niet zo lang na mijn ontdekking van dat rapport plaatsvond. Dat was een toevallige ontmoeting met een vroegere buurtgenote, die ik tot mijn verbazing in zo’n blauw-oranje uniform van PostNL aan zag komen lopen. In al die jaren dat ik in haar buurt woonde had ik haar daar nooit in gezien en ik concludeerde daaruit dat zij kortgeleden bij PostNL was aangenomen. Op het moment dat ze vlak bij me was, vroeg ik: ‘Hé, heb je een nieuw baantje?’ De woorden bedierven al in mijn mond voor ik ze had uitgesproken. ‘Ik doe dit werk al meer dan vijftien jaar’, zei de vrouw terwijl zij me even strak aankeek. Daarna liep ze door.

Ik heb me daarna afgevraagd hoe ik het in mijn hoofd haalde om dat verkleinwoord te gebruiken. Er was een tijd dat niemand het beroep van de vrouw een ‘baantje’ zou hebben genoemd. Ik dacht aan de schaatser Piet Kleine. Oudere lezers herinneren zich vast nog de wens die hij koesterde, nadat hij in 1976 bij de Olympische Winterspelen in Innsbruck de gouden medaille op de tienduizend meter had gewonnen: postbode worden. Niemand keek daarvan op. Het was in ieders ogen een mooie kans voor Kleine, die op dat moment werkloos was (schaatsen was toen zelfs op topniveau een amateursport). De minister die verantwoordelijk was voor Sport regelde persoonlijk dat die wens werd vervuld.

Maar door het incident realiseerde ik me dus ook hoe sterk het werk dat we doen verbonden is met wie we als mensen zijn. Het bepaalt vaak in hoge mate onze trots. Het is onderdeel van onze identiteit, zozeer zelfs dat we het niet kunnen laten om bij een eerste ontmoeting al te vertellen over het vak dat we uitoefenen of uitoefenden. Daarom komt een afwijzing bij een sollicitatie hard aan en kan een sollicitatieplicht voor degenen die weten dat ze op de arbeidsmarkt weinig kans maken, voelen als een vernederingsplicht. Daarom is een ontslagvergoeding of afkoopsom – hoe hoog ook – voor iemand die bij een reorganisatie ‘boventallig’ is verklaard geen compensatie voor een diep gevoel van gekwetstheid. Daarom blokkeerden boeren, die zich in hun bestaan bedreigd voelden, wegen en distributiecentra van de grote supermarkten en trokken ze met hun tractoren op naar de huizen van politici. En daarom was de vrouw uit mijn vroegere buurt terecht kwaad. Ik maakte met dat woord ‘baantje’ niet alleen het werk dat ze deed klein, maar ook haarzelf.

Werk is verbonden met waarden die niet in geld of getallen zijn uit te drukken. Als ons wordt gevraagd wat er leuk is aan werken, dan vertellen we over de relaties met collega’s en over de creativiteit die je erin kwijt kunt. De socioloog Richard Sennett voegt daar in zijn boek The Craftsman (2008) nog een intrinsieke waarde van werk aan toe: het plezier dat het verschaft om je werk gewoon zo goed mogelijk te doen.

Die positieve betekenis van arbeid wordt net iets te gemakkelijk vergeten, ook door de aanhangers van de anti-werkbeweging. Veel van hun klachten over de kwaliteit van werk en het beslag dat het op onze sociale levens legt zijn zeker niet ongegrond. Maar is dat niet juist reden voor een Plan waarin we daar een einde aan maken?

Wat mij betreft moet het niet bij het verlangen naar een nieuw Plan van de Arbeid blijven. Ik zou willen onderzoeken of we in deze tijd niet weer zo’n poging moeten wagen een Plan te maken waarin we ons voorstellen hoe Nederland er in 2060 uit gaat zien. Het Plan zou, net als het oude, richting kunnen geven aan wat we in Nederland moeten doen, en aansluiten bij internationale initiatieven als de New Green Deal van de Europese Unie.

Er is alle aanleiding voor zo’n Plan. Per slot van rekening is het doel in dat rapport uit 1935 – bestaanszekerheid bij een behoorlijk bestaanspeil – nog lang niet voor iedereen gerealiseerd. Al voor de huidige inflatiegolf deelde een groot deel van de bevolking niet mee in de welvaart. Je moet daaraan toevoegen dat door de vernietiging van het milieu en de gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen onze bestaanszekerheid op de meest existentiële manier op het spel staat. Het is duidelijk dat die nieuwe bestaansonzekerheid samenhangt met een economisch systeem en politieke keuzes waarin steeds meer van wat voor ons van waarde is, wordt uitgehold. In dat systeem is bijna alles ondergeschikt gemaakt aan het rendement dat op de financiële markten wordt geboekt: van de kwaliteit van werk tot zelfs de overleving van onze planeet.

Het doel van zo’n nieuw Plan zou dan in twee woorden kunnen worden samengevat: ertoe doen. Omdat we er als levende wezens toe doen, willen we de planeet leefbaarder maken. Omdat we er als mensen toe doen, willen we werken voor een behoorlijk levenspeil. We willen ertoe doen voor anderen. Als ons werk ertoe doet geeft dat plezier en voldoening, en als het plezier en voldoening geeft, doet het ertoe.

Bij dat onderzoek komt een aantal vragen aan de orde. Het zal over de grote werken gaan die verricht moeten worden. Hoe we aan een samenleving bouwen waarin wat van waarde is niet langer wordt uitgehold. Over hoe we erin slagen arbeid meer betekenis te geven. Maar het zal er bovenal over gaan of we in staat zijn definitief een periode van enkele decennia achter ons te laten waarin overheden opnieuw dachten dat je de oplossingen van deze tijd aan het ‘vrije spel der maatschappelijke krachten’ kunt overlaten.

Dit is een voorpublicatie van het boek Plan van de Arbeid dat in 2023 bij uitgeverij Querido verschijnt en mede mogelijk is gemaakt dankzij het Matchingfonds van De Coöperatie.