Energiek scepticus

John Kenneth Galbraith *15 oktober 1908

In 1998, veertig jaar na zijn eerste verschijning, wordt John Kenneth Galbraith’ The Affluent Society opnieuw herdrukt. Ter gelegenheid van deze feestelijkheid voorziet Galbraith zijn boek van een nieuwe inleiding. Daarin citeert hij de passage die eerder waarschijnlijk de grootste bijval en de meest verbitterde kritiek had gewekt, in ieder geval de meeste publiciteit had veroorzaakt: ‘Het gezin dat in zijn zacht paars en kersenrood gespoten, met airconditioning, stuur- en rembekrachtiging uitgeruste auto een tochtje gaat maken, moet zich voorbereiden op smerige straten vol kuilen, verwaarloosde gebouwen, reclame-borden, telegraafpalen met leidingen die allang onder de grond hadden moeten liggen. Ze rijden door een landschap dat grotendeels niet te zien is omdat er commerciële kunst voor staat. (De goederen waarvoor reclame wordt gemaakt hebben op onze schaal van waarden een absolute prioriteit. Dan pas komen de genoegens van de natuur. Daarin zijn we consequent.) Het gezin gaat picknicken, haalt de lekkernijen uit de koelbox, pakt alles uit, geniet aan de oever van een vervuild riviertje en brengt de nacht door in een park dat een bedreiging voor de volksgezondheid en de publieke moraal is. Vlak voor ze in een nylon tent op een luchtbed in slaap vallen, denken ze misschien nog even aan dit merkwaardige mengsel van zegeningen. Is dit werkelijk de Amerikaanse geest?’

Dat was in 1958, en het was een openbaring. Niemand had zo scherp gezien hoe de consumptiemaatschappij van het Westen onder aanvoering van Amerika bezig was zichzelf te wurgen in haar nieuwe welvaart. In West-Europa was de armoede van de oorlog definitief voorbij. We kregen hier langzamerhand een vermoeden van het luilekkerland dat achter de horizon wachtte. De Amerikanen woonden er al en ze maakten het iedere dag nog lekkerder. Dat dachten ze in elk geval.

Het boek van Galbraith verstoorde een illusie. De eindeloze productie van verbruiksgoederen in onbegrensde verscheidenheid leidt niet tot een rijker en gelukkiger leven voor iedereen. Integendeel. Het gevolg is dat er steeds minder aandacht wordt besteed aan de publieke voorzieningen, het net van wegen en spoorwegen, onderwijs, de beschikbaarheid van medische voorzieningen voor iedereen, herstel van achterbuurten en bestrijding van armoede. Als de vrije markt van de consumptie het nationale leven op deze manier onverminderd blijft beheersen, ontstaat er een samenleving die we niet willen en niet mogen willen. Dat is de ideologische boodschap van The Affluent Society.

Er is veel meer ideologie in het 48 boeken tellende oeuvre van Galbraith. Soms is het moeilijk te zeggen wie het overwicht heeft: de econoom wiens scherpe analyses onvermijdelijk tot politieke conclusies met een ideologische ondertoon leiden, of de ideoloog uit wiens consistente kritiek op economische en politieke verhoudingen onvermijdelijk het concept van een rechtvaardige samenleving groeit.

Op 29 april is hij op 97-jarige leeftijd gestorven. Hij heeft de tijdvakken van zijn leven met zijn vlijmende, soms ironische, dan weer sarcastische commentaren begeleid, maar hij heeft geen afgerond concept voor ‘een betere wereld’ nagelaten. Wel lijkt het me zeker dat in zo’n concept geen ruimte was geweest voor de vrije markt met de oppermacht die we er in deze tijd aan hebben gegeven.

Galbraith is opnieuw actueel. Er is daarvoor een aantal oorzaken. In The Affluent Society houdt hij een requisitoir tegen de reclame, die pseudo-behoeften schept. In The New Indus-trial State (1967) beschrijft hij de ‘technostructure’, het geleidelijk gegroeide systeem waarin de deskundigen, de managers, de leden van de raad van bestuur achter de coulissen van de democratie in feite bepalen wat er in de natie gebeurt. Het idee is verwant aan dat van Dwight Eisenhower, die een jaar of tien eerder had vastgesteld dat in Amerika een militair-industrieel complex was gegroeid, een zich aan de openbaarheid onttrekkend geheel dat grote invloed had op de bewapening en dientengevolge ook op de buitenlandse politiek.

In 1955 verschijnt The Great Crash 1929, over de fatale ineenstorting van de beurzen. Sindsdien is het talrijke malen herdrukt. Dat is niet zozeer te danken aan de verdiensten van de auteur, schrijft Galbraith in zijn inleiding tot de editie van 1997. Het komt eerder door de ongeneeslijke kortzichtigheid van de speculanten die niets hebben geleerd van de vorige catastrofe. De economische domheid van de homo sapiens blijft hem zijn leven lang bezighouden. In 1993 verschijnt zijn A Short History of Financial Euphoria, een ironisch essay over de manier waarop de mensen, door onverzadigbare hebzucht geleid, zich aan oever-loze speculaties te buiten gaan en ten slotte de krach, de ineenstorting van de beurs veroorzaken. Te beginnen bij de speculaties in tulpenbollen in Nederland in de zeventiende eeuw en voorlopig eindigend in de krach van Wall Street, 1987. Profetisch. Dertien jaar later barst de zeepbel van internet.

Maar telkens laten de mensen zich weer verleiden. De conventional wisdom, de communis opinio van degenen die met het grootste kabaal het langst verkondigen dat ze het ontegensprekelijk bij het rechte eind hebben, weet opnieuw de grote meerderheid te overtuigen. En dan komen ze terecht in situaties die ze in de verste verte niet hebben gewild. Zo gaat het op de beurs, in de politiek en het grote bedrijfsleven, in de oorlog en ten slotte ook in de dampkring. De uiteindelijke oorzaak ligt in de menselijke hersenen. In zijn levensfilosofie toont Galbraith verwantschap met Bertolt Brecht: ‘Der Mensch lebt durch den Kopf, sein Kopf reicht ihm nicht aus, versuch es nur, von deinem Kopf lebt höchstens eine Laus.’

In zijn werkzame leven is Galbraith voort-durend een overtuigd scepticus geweest, maar allerminst een cynicus. Je kunt geen hoog-leraar zijn en een reeks hoogst oorspronkelijke boeken schrijven als je bij voorbaat wanhoopt over de intelligentie van zowat de hele rest van de mensheid. Galbraith was een optimist en een opvoeder in de liberale zin, met uiteindelijk een vertrouwen in de publieke zaak. Hij is adviseur geweest van de presidenten Roosevelt, Truman, Kennedy en Johnson, was onder Kennedy ambassadeur in India en hij heeft tweemaal de presidentiële Medal of Freedom gekregen, de eerste keer van Truman en in 2000 van Clinton. Galbraith is er gedurende zijn hele carrière van overtuigd gebleven dat de rede kan zegevieren maar dat dit niet vanzelf gebeurt. De rede heeft hulp nodig, van mensen zoals hijzelf, de Kennedy’s, het gezelschap dat de president om zich heen had, van verlichte Amerikaanse liberalen.

Critici hebben Galbraith verweten dat hij een elitaire levenshouding had. Dat mag waar zijn, maar niet iedereen kan op alle gebieden even deskundig zijn. De liberale elite waarvan hij een vertegenwoordiger was, onderscheidde zich naar Amerikaanse traditie door een maximale openheid. Iedereen die zijn kritische vermogens niet op stal had gezet ter wille van de conventional wisdom had er vrij toegang. Met andere woorden: je moest je plaats in de elite verdienen. En voor Galbraith stond het als een paal boven water dat de post-industriële maatschappij met haar drang tot oeverloze consumptie een duidelijke besturing vereist. De nieuwe democratische staat kan er niet mee volstaan Gods water over Gods akker te laten lopen. Democratie is niet synoniem voor afwezigheid van leiding, maar juist de eerste voorwaarde voor een leiding die het volk past.

Sinds de opkomst van Newt Gingrich in 1994 is deze zienswijze in onbruik geraakt, en met het verschijnen van George W. Bush radicaal afgeschaft. Alles wat Galbraith niet had aanbevolen, is onder het nieuwe Republikeinse bewind ingevoerd en consequent toegepast. De nieuwe president heeft zich ontwikkeld tot de volmaakte profeet van de conventional wisdom en zich daarbij ook nog in een uitzichtloze oorlog gestort. Het zal jaren duren voor de gevolgen daarvan volledig kunnen worden geïnventariseerd.

Verschijnen er nieuwe krachten van het type Galbraith aan de horizon? Ze zijn er wel, ze publiceren boeken, ze schrijven in de liberale kranten en tijdschriften, ze publiceren voortdurend op internet. Maar ook na de nederlaag van Bush bij de verkiezingen van november dringt dit alles niet tot Washington door. Bij de dood van Galbraith besef je opnieuw hoe diep de leidende politieke klasse in Amerika verstrikt is geraakt in een moeras van vergissingen, waandenkbeelden en bewuste leugens. Ik aarzel het op te schrijven, maar ik denk dat bij gebrek aan mensen als Galbraith en soortgelijke talenten die kunnen doordringen in de leidende kringen, de Amerikanen prooi blijven van de intellectuele Verelendung waarvan we nu al bijna zes jaar getuige zijn. Zijn type wordt nu overwegend gehaat.

29 april 2006