TONEEL Zomergasten speelt ‘Party Time’

ENG STUK

Party Time is een toneeltekst van Harold Pinter geschreven na de Eerste Golfoorlog, voorjaar 1991. Er zijn acht feestgangers, er is een afwezige naar wie een paar keer wordt geïnformeerd, klaarblijkelijk de broer van een van de party timers. De tekst (nog geen dertig pagina’s) ploft uit elkaar van small talk en van sluimerende agressie. Een aantal mannen op de party lijkt iets te maken te hebben met de toestand buiten – wegversperringen, uitgestorven straten – maar hier binnen is hun voornaamste wapen de taal. En de creatie van een griezelig soort saamhorigheid.
Party time is een eng stuk. Een groep jonge toneelspelers, vorig jaar met Gorki’s Zomergasten afgestudeerd aan de Arnhemse toneelschool, voert die titel nu als naam van hun collectief. Zonder regisseur studeerden ze Party Time in, met hier en daar wat toegevoegde teksten (zo hoorde ik een flard uit Pinters Thuiskomst). Na een zestal voorstellingen in Oostende zijn ze nu in Amsterdam-Noord neergestreken. Desgewenst wordt er voor de toeschouwers gekookt, daarna spelen ze hun voorstelling in dezelfde loods van de Schram Studio’s, na afloop staan ze weer achter de bar. Een soort totaalpakket. Dat heeft de zowel plezierige als bedrieglijke schijn van een doorlopend feestje en sluit derhalve goed aan bij de geniale besodemieterij waarop Pinter ons trakteert.
Het lijkt me overigens een misverstand om de voorstelling in de flyer aan te kondigen met dezelfde gemeenplaatsen waarin Pinters personages excelleren: ‘Centraal in de voorstelling staat de ontmoeting tussen spelers, tekst en toeschouwer. Zomergasten gaat die ontmoeting aan met als gevolg dat er elke avond een unieke voorstelling ontstaat.’ Ja! En? Mond spoelen, dames en heren, geen kalfjes voor koeien verkopen.
Een lekker energieke speelploeg vormen de Zomergasten zeker. Ze hebben in een hoekje van de loods een soort gribus gebouwd waarin iedere feestelijk bedoelde aangelegenheid evenveel kans heeft als een sneeuwbal in de hel. Ze smeren de primaire kleuren in de conversatie van deze party tigers met verve en kleddervet op het canvas. Ritme, timing en muzikaliteit zijn pico bello in orde, het samenspel is verzorgd, er is ruim baan voor veel grimlachen bij de toeschouwers.
Tot om en nabij minuut veertig. Dan gaat er iets mis. In een robbertje ruzie over een achteloos in de vriezer geflikkerde homp kaas wordt er eerst een speler weggemoffeld (die in de slotminuut de verloren broer gaat spelen), dan hijst iedereen zich in iets wits, er wordt een paars lichtje op het geheel gezet, en iedereen begint psychedelisch te hossen. Nu gun ik iedereen een verzetje en ik wacht dan altijd keurig tot het overgaat. Maar het ging niet over. Want toen het gewone licht weer aanging en de spelers waren toegekomen aan Pinters cynische hommage aan het fenomeen van de ‘onwankelbare en onbuigzame club’, lazerde dit spelerscollectief in het misverstand dat perverse pathologie (waarvan in de tekst sprake is) iets te maken zou hebben met geluid, meer in het bijzonder: toneelspelersgeluid. Het stuk werd letterlijk aan flarden geschreeuwd, van het exact en raak opgebouwd venijn bleef weinig meer over dan stof en lucht. Het collectief had derhalve precies een kwartier nodig om van een bloedlink mijnenveld in een kelder vol holle vaten te geraken.
Ik wil niet meteen met het cliché van huur-eens-een-regisseur op komen draven. Maar soms helpt het om de collectieve ‘opwellingen van energie’ (flyer) van binnenuit te controleren en te leren beheersen. Om zodoende weg, kan het zijn: vér weg te blijven van een ongetwijfeld onbedoelde bombast waarmee Harold Pinter in ieder geval geen dienst wordt bewezen.

Zomergasten, Party Time, t/m 24 augustus, Schram Studio’s, Amsterdam-Noord. 19.15 uur diner, 20.30 uur voorstelling. Reserveren: 06-41643221. www.zomergasten.org