Eggers de wereldverbeteraar

Engagement voor dummies

Over literatuur en werkelijkheid kan eindeloos worden getobd, maar een schrijver als Dave Eggers geeft alle theorieën het nakijken.

Op het moment dat het laatste nummer zich stilletjes aankondigt als zijnde het definitief laatste nummer - echt, kijk maar, in het redactioneel staat er zomaar aan het eind dat dit de laatste Revisor in deze vorm is - is het niet meer dan gepast om nog eens een blik te werpen in het eerste nummer van vijf jaar geleden, toen het tijdschrift twintig jaar bestond. Toen stelde de redactie de vraag aan een aantal auteurs hoe het nu verder moest met de Nederlandse literatuur. Inderdaad, zo'n vraag waar je niet moe van wordt en die dan ook het afgelopen jaar in menige krant, bijlage of forumdiscussie de kop opstak, zij het meestal in de nagloed van de verontwaardiging over de roep van hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens om meer engagement in Nederlandse romans.
Waarom nu precies zijn boek De revanche van de roman: Literatuur, autoriteit en engagement zoveel polemiek veroorzaakte, is overigens een beetje onduidelijk. Toch het feit dat hier een hoogleraar aan het woord was, die een nieuwe generatie literatuurbeschouwers dreigde te vergiftigen met zijn ‘populistische’ visie op literatuur? Het vijf jaar eerder verschenen Een verhaal dat het leven moet veranderen van voormalig literair criticus Hans Goedkoop was doordesemd van eenzelfde pessimistische visie op de Nederlandse roman en de literaire kritiek. De schrijvers bevonden zich met hun losgezongen werkjes volgens Goedkoop in een doodlopende steeg, ver verwijderd van het woeden der gehele wereld. De critici vertegenwoordigden volgens hem de wereld van de bange mannen, het echte leven volop vrezend, zich in hun stukjes lekker veilig concentrerend op heilige zaken als stijl en compositie.
Persoonlijk raakte dit boek mij meer dan dat van Vaessens, misschien omdat de inzet van Vaessens toch een beetje vlak en academisch bleef, waar die van Goedkoop hoog en oprecht getergd leek. Al werd het me door Vaessens’ analyse wel voor het eerst goed duidelijk dat de studie Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam een bepaalde generatie schrijvers en critici heeft afgeleverd - die van mij namelijk - die ook maar grootgebracht is in een bepaalde, door Vaessens humanistisch genoemde leestraditie. Deze generatie zou er van huis uit toe geneigd zijn literatuur te beschouwen als een autonome kunstvorm en neer te kijken op het al te direct connecties leggen met de omringende werkelijkheid. Een besef dat aan het eind van het jaar een echo vond in de klacht van Renate Dorrestein jegens de vaderlandse kritiek, die volgens haar aan smetvrees lijdt - 'een roman zou je eens wat over jezelf en de wereld kunnen vertellen’ - en bovendien verdacht unaniem. 'Vijfennegentig procent heeft waarschijnlijk dezelfde colleges bij dezelfde docenten gelopen.’ Aan het adjectief 'bang’ van Goedkoop, voegt Dorrestein nog 'wit’, 'atheïstisch’ en 'Amsterdams’ toe.
Dorrestein hield haar betoog op de Literatuur en Moraal-conferentie die de Jan Campertstichting in december in de Koninklijke Bibliotheek organiseerde, waar ook de documentaire Letter en geest (1998) van Jan Louter over Frans Kellendonk werd vertoond. Ik was nog op Dorresteins woorden aan het kauwen toen ik werd opgeschrikt door het berustende stemgeluid van Kellendonk. 'De mens wordt eenzaam geboren’, zegt Kellendonk in die film, 'en hij moet zich een plaats zien te verwerven in een wereld die er al is.’ In dat zo terloops geformuleerde drama leek opeens alles besloten te liggen, in ieder geval oorsprong, zin en functie van de literatuur. Uit de wereld die er al is, een ongeordend geheel van feitjes, moet immers een wereldbeeld gevormd zien te worden, en de romanschrijver kan hierin een rol vervullen. 'Zijn werk gaat over hoe moeilijk het is om te leven’, zegt Bas Heijne in dezelfde documentaire. En Kellendonk zelf: 'De roman is iets wat mensen helpt bij het nadenken.’
Waarmee we terug zijn in 2004, bij het aan het begin genoemde nummer van De Revisor over de toekomst van de Nederlandse literatuur. De aanleiding van dit nummer was namelijk de Kellendonklezing die Bas Heijne het jaar ervoor had gehouden, waarin hij had gerefereerd aan De Revisor als pleitbezorger van een type literatuur dat op niets anders dan zichzelf betrekking heeft. (Bent u er nog?) Hij verguisde zulke literatuur en pleitte voor een hernieuwde waardering voor maatschappelijke betrokkenheid en voor een nieuw soort… realisme. Ook hem viel pek ten deel, maar lang niet zo'n volle emmer als die boven Vaessens’ hoofd werd leeggekieperd. Bovendien werd Heijne in de gelegenheid gesteld om een jaar later dus in diezelfde smetvrezige Revisor zijn standpunten nog eens te verduidelijken, in een bijdrage getiteld 'Twee misverstanden’.
In de donkere dagen van januari hoef je maar één keer een bezoek te brengen aan een kringloopcentrum als De Arm in Utrecht, of een braderie in Purmerend, om voorgoed doordrongen te raken van de eeuwige wederkeer der dingen. Of dat vrolijk stemt of treurig heeft misschien met de bredere context van dat moment te maken, feit is dat de beide misverstanden van Bas Heijne uit 2004 zonder veel aanpassingen in de recycling kunnen. In zijn Kellendonklezing had hij hardop nagedacht over een kwestie waar hij een jaar later nog steeds niet helemaal uit was: 'Hoe kon ik enerzijds vol overtuiging pleiten voor kunst die in alles autonoom was, en die dus ook aan niets en niemand verantwoording af hoefde te leggen, en anderzijds voor kunst die moreel betrokken was bij de wereld, een kunst die wel degelijk iets wilde bewerkstelligen?’ Via de ontvangst van Kellendonks roman Mystiek lichaam en zijn afkeer van journalisten (critici kon je ze niet noemen) die een antisemitisch personage verwarden met een antisemitisch boek, schetste hij zijn aanvankelijke wantrouwen tegen 'herkenbare’ literatuur. Gaandeweg echter, in een epoque die stijf stond van het halleluja-geroep over een autonome, eigenzinnige en intelligente literatuur, tégen herkenbaarheid en realisme, begon hem steeds meer dwars te zitten dat de afkeer van de werkelijkheid gepaard ging met angstvalligheid, dat het een vlucht in estheticisme of in de persoonlijke binnenwereld met zich meebracht. En dus had Heijne in zijn Kellendonklezing gepleit voor een rehabilitatie van de werkelijkheid in de literatuur. Het eerste misverstand dat hierna ontstond, was dat hij zou vinden dat de kunst iets móet. Het ging hem echter om de vraag of de kunst misschien nog iets kón. Het andere misverstand was dat hij een pleidooi zou hebben gehouden voor het realisme, of voor een hernieuwd politiek engagement van de kunstenaar. Nee natuurlijk. Het 'enige echte engagement’ is het verbéélden van de werkelijkheid. Echte literatuur valt nu eenmaal nooit samen met de werkelijkheid.
Even op z'n boers gezegd: dit zijn moeilijke dingen. Zo moeilijk misschien dat ik me afvraag wie het hier nou níet mee eens kan zijn. Bas Heijne, Thomas Vaessens, Hans Goedkoop, Renate Dorrestein, ik, u, wij willen als het op literatuur aankomt hetzelfde, en daarom zijn er uiteindelijk toch ook nooit écht grote meningsverschillen over welke schrijvers of boeken er wezenlijk toe doen. Nee, geen romans die zogenaamd aan onze morele codes morrelen. Of die ons inlevingsvermogen oprekken. Of die ons in staat zouden stellen te dromen (dat lijkt toch vooral een Zuid-Amerikaanse uitvinding). Dat is allemaal veel te braaf, te humanistisch en vooral te bedacht geformuleerd. Echte literatuur is misschien uiteindelijk toch wat je van tevoren niet had kunnen verzinnen.
Na afloop van een lange avond in De Balie in Amsterdam, we spreken april 2000, waarop werd gedebatteerd over vrouwenromans en herenkritiek (over de eeuwige wederkeer der dingen gesproken) schoof iemand een bierviltje naar me toe met daarop een naam en titel gekrabbeld. Dave Eggers, A Heartbreaking Work of Staggering Genius. 'Moet je lezen.’ Het is ongetwijfeld geromantiseer achteraf, net zoals op oude klassenfoto’s feilloos de latere held eruit te halen is, maar zo lijkt het altijd te gaan met boeken of schrijvers 'die iets gaan doen’. Nooit zal ik de opwinding van uitgever Vic van de Reijt vergeten toen hij bezig was met de redactie van Blauwe maandagen, het debuut van Arnon Grunberg. Evenmin de vrolijke tred van Connie Palmen in de toenmalige onderdoorgang van het Rijksmuseum. Kort leren jasje, handen in de zakken, vastgelegd door de cameraploeg van Nova vlak na de publicatie van De wetten. Hier ging iets gebeuren. Zo ook met Dave Eggers en diens duizelingwekkende roman, narcistisch in het kwadraat en tegelijkertijd hemel- en aardebestormend. Hij daverde de literatuur binnen, werd genomineerd, beloond, en vooral: gelezen.
Over literatuur en werkelijkheid kan eindeloos worden gedaan en getobd, maar een schrijver als Dave Eggers geeft alle theorieën het nakijken. Literatuur en werkelijkheid zijn in zijn werk zó direct op een wereldverbeterende manier met elkaar verbonden dat het op het eerste gezicht literair engagement voor dummies lijkt. Hij tekent het levensverhaal van een zielige Soedanees uit diens mond op, giet het in een romanvorm, en zet achterin dat alle opbrengsten van het boek naar een stichting gaan ter bevordering van het levensgeluk van andere zielige Soedanezen.
Iets soortgelijks doet hij met een in New Orleans woonachtige Syriër die voor zijn heldendaden tijdens de nadagen van de orkaan Katrina in het racistische Amerika wordt beloond met arrestatie en gevangenisstraf. Ook hier: alle opbrengsten naar een nieuw in het leven geroepen stichting. Een vorm van literatuur bedrijven die ook voor zwarte gelovige vrouwen uit de provincie te simpel, en te pathetisch ook, voor woorden zou zijn. Ware het niet dat Eggers een buitengewoon geraffineerd schrijver is. Een raffinement dat wij allemaal tot wasdom zagen komen in zijn eerste werk.
Tien jaar na dato doen alle grappig bedoelde richtlijnen en suggesties om van Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit te genieten een beetje gedateerd aan, net als de vele verantwoordingen en leeswijzers (in totaal een pagina of vijftig), maar de overige vijfhonderd bladzijden treffen nog immer doel. Eggers’ eersteling is een rite de passage-roman en schrijversmanifest ineen. Onverbloemd autobiografisch geïnspireerd lijkt dit boek op niets anders dan op zichzelf betrekking te hebben, en daar dan weer de overtreffende trap van. Maar wat is dat zelf? 'Binnen in mij straalt iets wat aan anderen overgedragen moet worden, want anders klap ik uit elkaar en zal de mensheid zonder het te weten een groot verlies lijden’, merkt de verteller op.
Hier is niemand minder dan een Messias-achtige figuur aan het woord, bezeten van de gedachte een grootscheepse organisatie op touw te moeten zetten. 'Ik heb niets gezien en ik heb alles gezien. Ik ben vierentwintig maar voel me duizend jaar oud. (…) Ik heb geen wortels, ben losgerukt van mijn grondvesten, een wees die een andere wees opvoedt en die alles wat er is weg wil hebben en wil vervangen door zijn eigen maaksels.’
Eggers slaagt erin om in dit boek heel letterlijk, en inderdaad: hartverscheurend, het menselijk drama onder woorden te brengen en er tegelijkertijd een ironisch getoonzette schwung aan te geven door het drama ook telkens als zodanig te onderstrepen. Om de kern, het verlies van de moeder, wordt eindeloos heen gedraaid, tot op de laatste pagina het monster in de bek wordt gekeken. Aan zoveel ongeremd voortdenderend proza moet een grote beheersing ten grondslag liggen. Ook met dit gegeven drijft Eggers de spot, door voortdurend een overbewustzijn van zichzelf als schrijvend genie tentoon te spreiden. Zo schrijft hij in zijn voorwoord dat hij écht binnenkort met zijn verhaal van wal zal steken, en dat hij echt wel weet wanneer je dat moet doen om de lezer niet helemaal hoorndol te maken.
Dat hij de wetten van de soap beheerst, laat hij zien in Wat is de wat: De autobiografie van Valentino Achak Deng. De bezwerende verteltoon, de slimme structuur waardoor alle afzonderlijke belevenissen opgenomen worden in één stuwend verhaal, ze bewerkstelligen een onmiddellijke betrokkenheid van de lezer bij de lotgevallen van de Soedanese Lost Boys, zonder dat het een kitschroman wordt zoals Khaled Hosseini die afscheidt. Waar dat ’m in zit? Waarschijnlijk in het vertelperspectief, dat van meet af aan getrapt is - immers, dit is een door Eggers gecreëerd verhaal - en tegelijkertijd volkomen authentiek 'gemaakt’. Het maakt van Wat is de wat een uitdrukkelijk niet-sentimentele roman, die toch niet uit te lezen valt zonder dikke ogen en waarvan je zou willen dat iedereen die bang is voor Afrika hem leest. Simpele beelden, de gele jurk van de vluchtende moeder, de brede glimlach waarmee geliefde Tabitha van de roltrap afkomt, ze zijn voor eeuwig vastgelegd en - op z'n soaps gezegd - om nooit te vergeten.