Euroscepsis in het Verenigd Koninkrijk

Engeland is een schiereiland, indeed

Vijftig jaar geleden was Charles de Gaulle tegen Engelse deelname aan Europa. Churchill was voor, Thatcher weer tegen. Vandaag staan, net als vroeger, de Britten aan de zijlijn hun Europese vrienden aan te moedigen om nauwer samen te werken. De verschillen tussen Groot-Brittannië en het vasteland blijven groot.

‘Een mile is 1,6 kilometer. Een ounce 28,3 gram. Een foot 30,5 centimeter. Een yard 0,91 meter. Een gallon 3,8 liter.’ Britse leerlingen moeten rijtjes als deze binnenkort weer leren tijdens de wiskundelessen. Een opmerkelijke wending, want een paar jaar geleden liepen marktkooplieden die hun appels en asperges hardnekkig in ounces en pounds te koop aanboden nog de kans om strafrechtelijk te worden vervolgd. De Conservatieve minister van Onderwijs Michael Gove wil tegemoetkomen aan de Britten die vier decennia na de invoer van het metrieke – lees: continentale – stelsel nog steeds plegen te rekenen in hun uit het dagelijkse leven gegrepen maten. Het eerherstel van de imperial measures, echter, heeft vooral ook een symbolische betekenis.

Dezelfde Gove is een van de bewindslieden die afgelopen maanden heeft gezinspeeld op iets wat voorheen ondenkbaar was: het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Waren de eurosceptici jarenlang een soort F-side binnen de Conservatieve Partij, nu hebben ze de macht gegrepen, met devote steun van de achterban. De jongste generatie Kamerleden bestaat vrijwel geheel uit ‘kinderen van ­Thatcher’ en binnen het Conservatieve deel van het kabinet is alleen de bejaarde minister – zonder portefeuille, stel je voor – Kenneth Clarke nog eurogezind. Voor de rest zitten alle eurofiele Conservatieven, warm gehouden door een hermelijnmantel, na te kaarten in het rustoord van de Britse politiek, The House of Lords.

De pragmatische David Cameron zelf is een van de gematigde geluiden waar het gaat om Europese politiek. Hij verlangt niet terug naar een Merry Old England, ziet weinig in Engeland als een soort half ondergelopen Zwitserland in de Noordzee en beschouwt zichzelf als een goede Europeaan, eentje die zijn vakanties viert in Chiantishire, zoals de Britten Toscane noemen. De premier is echter schatplichtig aan de euro­sceptici, want zij hebben hem in 2005 een meerderheid bezorgd tijdens de leiderschapsverkiezingen. Als dank haalde Cameron de Conservatieven uit de fractie uit de Europese Volkspartij, hopend dat hij verder kon gaan als euro-agnost, al was het maar omdat hij moest regeren met de Liberaal-Democraten van voormalig eurocraat Nick Clegg.

Deze hoop was tevergeefs. Door de eurocrisis is het onmogelijk gebleken het voze vasteland te negeren. De eurosceptici vierden het eigen gelijk en zelfs eurogezinde politici – alsmede topmensen binnen de zakenwereld – moesten toegeven dat het toch een puik idee is geweest om niet aan de euro mee te doen. In een soort overwinningsroes – versterkt door de glorieuze Olympische Spelen en het Diamanten Jubileum van Hare Majesteit – willen de Britten nu een status aparte, op veilige afstand van het politieke eenwordingsproces. En als ze hun zin niet krijgen, dan zal er na het raadplegen van de overwegend eurosceptische bevolking een einde komen aan een ongelukkig verstandshuwelijk dat toch nog veertig jaar heeft mogen duren.

Camerons ‘Grote Europa-toespraak’ – die hij had willen geven in de Beurs van Berlage – doet denken aan het hoorcollege dat Margaret Thatcher een kwart eeuw geleden gaf bij de eurocratenopleiding in Brugge. Met haar frontale aanval op de socialistische commissievoorzitter Jacques Delors en diens plannen voor een Verenigde Staten van Europa werd ze de geestelijk moeder van het euroscepticisme, dat zelfs uitgroeide tot een van de weinige succesvolle Britse exportproducten. Maar om een vollediger beeld te krijgen van de moeizame geschiedenis tussen het Verenigd Koninkrijk en het vasteland moet worden teruggegaan naar een andere redevoering van een Conservatief leider, die van Winston Churchill, een jaar na het einde van de oorlog.

Aan de Universiteit van Zürich pleitte Churchill, inmiddels oppositieleider in eigen land, voor de vorming van een Verenigde Staten van Europa, geleid door de Fransen en de Duitsers. En de Britten? Die zouden goedkeurend aan de zijlijn staan. ‘Groot-Brittannië, de Britse Gemenebest der Naties, het machtige Amerika en, naar ik vertrouw, Sovjet-Rusland moeten vrienden en steunpilaren zijn van een nieuw Europa’, zo stelde Churchill zich de nieuwe wereldorde voor. De parallel met het heden is interessant. Net als toen staan de Britten nu aan de zijlijn hun Europese vrienden aan te moedigen om nauwer samen te werken. Londen heeft wel last van de eurocrisis, maar het is toch vooral een probleem van de landen die zich bij de munt hebben aangesloten.

Het superioriteitsgevoel van de Britten heeft nog een andere reden. Hun land is in de Eeuw van Uitersten nooit bezet geweest, heeft nooit een ander Europees land bezet (al denken de Ieren er anders over) en heeft nooit geleden onder een dictator. Binnen de Europese Unie kunnen alleen de Zweden dat nazeggen. Een groot deel van de Europese landen is onderdrukt geweest door de nazi’s en/of door de communisten, terwijl de landen rond de Middellandse Zee een dictatoriaal verleden hebben. De trauma’s hebben ertoe geleid dat de eenwording voor de meeste landen een emotionele lading heeft. Dat sentiment ontbreekt bij de Britten, die dan ook geen scrupules bezitten om de eurocrisis uit te buiten. Voor hen is Europese samenwerking altijd praktisch van aard.

Na de Zürich-rede zouden de Britten zichzelf nog een goede tien jaar beschouwen als een wereldmacht die te groot was om aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal deel te nemen. In 1955 stuurde de Britse regering een met bolhoed getooide ambtenaar naar Brussel om de onderhandelingen voor de vorming van een Europese Economische Gemeenschap te observeren. ‘Gentlemen, you’re trying to nego­tiate something you will never be able to nego­tiate’, liet Russell Bretherton de Europese ministers weten. ‘If negotiated, it will not be ratified. And if ratified, it will not work.’ Twee jaar later werd de e.e.g. opgericht en in de tussentijd had de Suez-crisis een einde aan alle Britse illusies gemaakt. De Sovjet-Unie en de Verenigde Staten waren de twee overgebleven supermachten.

En op het Europese vasteland was een derde in de maak. In Londen druppelde het besef door dat het een strategische fout had begaan en de Conservatieve premier Harold Mac­millan besloot Charles de Gaulle te benaderen. Het overleg in Rambouillet, exact vijftig jaar geleden, werd voorafgegaan door een jachtpartij. De Franse president nam niet deel, maar achtervolgde de Brit in zijn Citroën. ‘Pas de chance’, riep hij plagend als Macmillan miste. Geen kans had ook Macmillans politieke missie. De Gaulle beschouwde het pro-Amerikaanse Groot-Brittannië als een Paard van Troje. Supermac reageerde geëmotioneerd. ‘Wat anders kon ik voor hem doen dan Ne pleurez pas, Milord zingen’, verklaarde De Gaulle achteraf tegenover zijn ministers. Het was duidelijk dat zolang de anglofobe Fransman in het Elysée zat de Britten buiten de e.e.g. bleven. Begin jaren zeventig wist de eurogezinde Conservatief Edward Heath de gaullist Georges Pompidou te verleiden tot een ‘oui’ tegen het Britse lidmaatschap en in 1973 trad het Verenigd Koninkrijk toe. Het moreel van de Britten was laag. Het wereldrijk was tot enkele belastingparadijzen gereduceerd, het land was in de greep van vakbonden en de economie stond er belabberd voor. De toetreding zorgde vooral voor onrust binnen de Labour Partij, waar de linkervleugel de e.e.g. als een kapitalistisch project zag. In 1975 schreef de socialistische premier Harold Wilson, die verklaarde geen emotionele binding te hebben met Europa, een referendum uit.

De radicaal-linkse Tony Benn en de conservatieve nationalist Enoch Powell voerden afzonderlijk campagne voor een ‘nee’, maar de meeste politici waren voor, evenals de zakenwereld en vrijwel alle kranten. Oppositieleider Thatcher voerde campagne in een wollen trui met daarop de vlaggen van de lidstaten. Hoe meer bewegingsruimte de onzichtbare hand van Adam Smith krijgt, des te beter, zo moet ze hebben gedacht. Tweederde van de bevolking stemde voor, maar dit mandaat berustte op een misverstand. De Britten verkeerden in de veronderstelling, niet geheel ten onrechte, dat ze voor een gemeenschappelijke markt stemden. Dat politieke eenwording het eigenlijke doel vormde, had iets weg van een publiek geheim.

Margaret Thatcher, die in 1979 aan de macht kwam, toonde van begin af aan veel meer belangstelling voor Amerika, en met name haar grote leider. Het ontbreken van elke vorm van Europese romantiek bij haar kan in vijf woorden worden samengevat: ‘I want my money back.’ Gaandeweg begon Thatcher te beseffen dat het ultieme doel een politieke unie was, welke in haar ogen geen rekening hield met verschillende culturen en tradities. Toen Delors zei te streven naar een Europese regering, met een socialistisch tintje, ontplofte ze. ‘We hebben niet met succes de grenzen van de staat teruggedrongen’, donderde het in Brugge, ‘om ze op Europees niveau weer terug te zien komen, met een superstaat die een nieuwe heerschappij uitoefent vanuit Brussel.’

Thatcher werd verdreven door haar eurofiele collega’s, maar haar scepticisme leefde voort. Haar opvolger John Major werd na het ondertekenen van het Verdrag van Maastricht gek van de eurosceptische ‘bastards’ die hem het regeren onmogelijk probeerden te maken. Tijdens een partijcongres legde Thatchers trouwe vazal Norman Tebbit de partijleden de retorische vraag voor of ze ‘burgers van de Europese Unie willen zijn’. Terwijl de Tories afstand namen van de eenheidsgedachte veranderde Labour onder Tony Blair in een eurogezinde partij. De internationaal georiënteerde sociaal-democraten kunnen het verlies van soevereiniteit beter aanvaarden omdat ze toch al argwanend staan jegens de eeuwenoude instituties in Westminster, zoals het Lager- en Hogerhuis.

Het euroscepticisme van de Conservatieven gaat echter verder dan een nostalgische liefde voor het eigen land. Het sluit ook aan bij de filosofische traditie waar behoudende denkers als David Hume en Edmund Burke toe behoren. De eurocrisis heeft de verschillen blootgelegd tussen het empirisme in Groot-Brittannië en het idealisme op het vasteland. In de Angelsaksische cultuur speelt ervaringswijsheid een belangrijkere rol dan bij de idealisten, die liever proberen de realiteit te veranderen als deze onverhoopt in de weg blijkt te staan van een utopisch project. Britse sceptici hebben altijd beweerd dat het onverstandig is de euro te gebruiken om een politieke eenwording af te dwingen. De economische realiteit trekt zich niets aan van politieke vergezichten.

Een andere realiteit is de publieke opinie. De Britten zijn eurosceptischer dan ooit, gevoed door kranten die dagelijks schrijven over bizarre regeltjes, het democratische tekort en de geldverkwisting in Brussel. Het helpt niet dat Britse ambtenaren roomser dan de paus zijn waar het gaat om het implementeren van richtlijnen, terwijl rechters uitspraken van hun confrères in Straatsburg op zo’n wijze interpreteren dat het begrip ‘human rights’ een scheldwoord is geworden. Zwarte Woensdag – de dag in 1992 waarop de pond uit het Europees wisselkoersmechanisme viel – ging bekendstaan als Witte Woensdag. Dat de Belgische hoofdstad door de jaren is gaan lijken op een politiek Benidorm voor gemankeerde bestuurders doet haar imago evenmin goed.

Dankzij het districtenstelsel, waarbij kiezers dichter bij de door hen uitverkoren politici staan, heeft het populistische sentiment een respectabele stem in de Britse volksvertegenwoordiging. Tijdens zijn uitgestelde toespraak zal Cameron dan ook refereren aan de kloof tussen de Brusselse elite en de Europese bevolking, wat zich onder meer uit in referendumvrees bij zijn vakgenoten. Met zijn pleidooi voor de saillante status van blindedarm binnen de EU geeft hij De Gaulle vijftig jaar na diens ‘non’ gelijk. De Generaal wist dat de pragmatische Britten nooit een toegewijd lid van de club zouden worden. Deze halfslachtigheid is fraai zichtbaar op de Britse autowegen, waar de automobilist in metrieke liters tankt, om zijn weg in imperiale mijlen te vervolgen.