Britse geschiedschrijving

Engeland tegen de rest

Ze zijn opgedragen aan Thatcher of vertolken een heftig anti-Europees sentiment; de boeken van de conservatieve Britse historici Andrew Roberts, John Charmley en Niall Ferguson. ‘Mist op het Kanaal, het continent geïsoleerd.’ Geschiedschrijving als demagogie.

MEI 2045: DE Verenigde Staten van Europa vieren hun dertigjarig bestaan. De Europese Commissie beschikt inmiddels over bevoegdheden die doen denken aan Big Brother — niet die van Veronica maar die van Orwells 1984. Europese directieven bepalen welk politiek correct taalgebruik is toegestaan en reguleren zelfs het geslachtsverkeer. Ter bevordering van het Europees bewustzijn wordt de geschiedenis herschreven. Op school leren kinderen de namen van de acht grote Europese ‘eenmakers’ uit hun hoofd: Julius Caesar, Karel de Grote, Philips II, Lodewijk XIV, Napoleon, Adolf Hitler, Jacques Delors en Helmuth Kohl.


Ook Groot-Brittannië, of wat daar nog van over is, maakt deel uit van de VSE. Het Britse koningshuis heeft het land moeten verlaten. De oudste zoon van Charles en Diana regeert als koning William V over Nieuw-Zeeland. Het paleis te Windsor is veranderd in het Mo Mowlammuseum en het voormalige parlementsgebouw huisvest nu een vrijetijdscentrum. Om het Britse nationalisme uit te roeien zijn straten en pleinen van naam veranderd. Waar toeristen vroeger op Trafalgar Square omhoogkeken naar de zuil van Nelson, zien ze nu het beeld van Robert Schuman op Delors Square.


Economisch gezien gaat het niet goed met de Engelse deelstaat. De massawerkloosheid leidt regelmatig tot opstanden. Groot is de onvrede over de corrupte Europese bureaucratie. De English Resistance Movement bestrijdt de legitimiteit van het Europese Parlement in Straatsburg. De gewapende tak van deze verzetsbeweging pleegt aanslagen op Europese instellingen.


De werkelijke macht in Europa is echter niet in handen van de Europese Commissie. Op de achtergrond bepaalt het schimmige Berlijn-Brussel Bureau wat er gebeurt. Onder de dekmantel van het Europese federalisme zijn de Duitsers geslaagd in datgene wat in twee wereldoorlogen niet gelukt was: de vestiging van de hegemonie over Europa en het degraderen van erfvijand Engeland tot slavenstaat.


Dit hele complot wordt ontdekt door de veelbelovende historicus Horatio Lestoq. Deze prize fellow van All Souls College in Oxford weet namelijk de hand te leggen op een geheim cassettebandje. Hierop is het zogenoemde ‘Aachen Memorandum’ vastgelegd, waarin wordt aangetoond dat de uitslag van het in 2015 gehouden referendum over de Europese eenwording is vervalst. In een aantal landen, waaronder Engeland, had de meerderheid tegen de vorming van de VSE gestemd.


Tijdens het staatsbezoek van de Nieuw-Zeelandse koning William V komt het tot een gewelddadige apotheose. Lestoq weet de Memorandumtape in handen van de koning te spelen, die het bandje tijdens een toespraak in Hyde Park laat horen. Dit is het sein voor een volksopstand die resulteert in het herstel van het Verenigd Koninkrijk. Een van de eerste daden van de nieuwe Engelse koning is het in de adelstand verheffen van Horatio Lestoq.



THE AACHEN Memorandum van Andrew Roberts is een vlot geschreven thriller waaraan iedereen met een redelijke kennis van de Engelse geschiedenis en politiek plezier kan beleven. In literair opzicht is het boek niet bijzonder, wel past het in een lange Engelse traditie van populaire romans waarin God’s Own Country onder de voet is gelopen door barbaarse, veelal Teutoonse, horden. Voor de Eerste Wereldoorlog verschenen tal van bestsellers over de gevreesde Duitse invasie. Titels als The Invasion of 1910, When William Came: A Story of London under the Hohenzollerns en P.G. Wodehouse’s The Swoop! waren immens populair en wakkerden de germanofobie van veel Britten aan.


Andrew Roberts is echter niet zomaar de zoveelste tweederangs thrillerschrijver, maar een veelgeprezen, briljant jong historicus die naam maakte met een biografie van Lord Halifax, de Engelse minister van Buitenlandse Zaken in de jaren dertig, en de bundel Eminent Churchillians. Bovendien behoort hij tot een groep van overwegend conservatieve historici, ook wel aangeduid als ‘the Dons of War’, die de consensus over het verloop van de recente Britse geschiedenis de laatste jaren danig hebben verstoord. Zij nemen zeer nadrukkelijk deel aan het debat over de positie van Engeland ten opzichte van de Europese Unie en steken hun anti-Europese standpunt niet onder stoelen of banken. Ze zeggen het allemaal wat netter en genuanceerder, maar het komt allemaal wel erg dicht in de buurt van de enormiteit die Margaret Thatcher eind vorig jaar debiteerde: ‘Al zolang ik leef, komen al onze problemen van het Europese vasteland en zijn alle oplossingen geleverd door de Engelssprekende landen.’ Roberts, die zich in zijn column in de Sunday Times laat kennen als een Engelse Jort Kelder (maar dan met hersens!), heeft nu een boek geschreven waarin hij zijn germanofobie en afkeer van Europa wetenschappelijk onderbouwt.


Dit vuistdikke, aan Thatcher opgedragen boek is een biografie van Lord Salisbury (1830-1903). Toen in de jaren zestig onder conservatieve parlementariërs een enquête werd gehouden wie de beste premier uit de Engelse geschiedenis was geweest, antwoordde slechts één volksvertegenwoordiger dat dit volgens hem Salisbury moest zijn. Van deze politicus is sindsdien nooit meer wat vernomen. Churchill werd veel vaker genoemd, maar het meeste ontzag hadden de Tories voor Benjamin Disraeli, die belichaamde immers het ware conservatisme. Toch domineerde Salisbury in het laatste kwart van de negentiende eeuw, de tijd waarin het Empire zich als een olievlek uitbreidde, de Engelse politiek. In de collectieve herinnering is Salisbury echter op de achtergrond geraakt en is zijn imago verbleekt tussen dat van Disraeli en diens grote liberale tegenvoeter Gladstone.


Hoewel Salisbury tot de conservatieve landadel behoorde, voldeed hij niet aan het beeld van de traditionele Engelse aristocraat. Van ruw vermaak als paardrijden en vossenjacht moest hij niets hebben. Liever bracht hij zijn tijd door in zijn enorme bibliotheek of deed hij natuurkundige experimenten. Zo legde hij op zijn landgoed Hatfield House zelf een elektriciteitsnet aan. Hierbij zette hij overigens wel het gazon onder stroom, hetgeen zijn tuinman fataal werd. Als extreem intelligente, eenzelvige, wat onhandige en niet erg robuuste jongen was voor hem het verplichte verblijf op Eton een ware hel geweest. Het mensbeeld dat hij daaraan had overgehouden was uiterst somber, en zijn vertrouwen in de massa was zo gering dat het algemeen kiesrecht hem een volstrekt krankzinnig idee leek.


Al jong ging hij de politiek in, waarbij hij opviel als een buitengewoon venijnig debater.


Uiteraard behoorde hij tot de Tories, maar Disraeli’s voorstellen om het kiesrecht te verruimen zorgden voor een tijdelijke verwijdering. Vanaf 1874 speelde Salisbury een belangrijke rol als minister voor India en van Buitenlandse Zaken. Samen met Disraeli behaalde hij in 1878 zijn grootste succes, toen op de conferentie van Berlijn de zeeroute naar India werd veiliggesteld.



SALISBURY, DIE in 1881 de overleden Disraeli opvolgde als leider van de Tories en driemaal premier zou zijn, volgde in zijn buitenlandse politiek een vrij duidelijke koers. Zijn fatalistische levenshouding maakte dat hij weinig verwachtte van menselijk ingrijpen in de loop der dingen. Volgens hem kon de Britse politiek zich het beste ‘rustig stroomafwaarts laten drijven en af en toe een boothaak uitsteken om een botsing te vermijden’. Een op het eerste gezicht nogal merkwaardige uitspraak voor een man onder wiens premierschap de omvang van het Britse imperium met 2,5 miljoen vierkante kilometer toenam. Er bleef dus nog wel eens iets aan de boothaak hangen! Toch was Salisbury geen groot voorstander geweest van uitbreiding van het koloniale rijk. De verdediging ervan was immers zeer moeilijk, en kostbaar. Het waren vooral de koloniale ambities van andere landen, Frankrijk voorop, en het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk waardoor Engeland min of meer werd gedwongen zijn rijk steeds maar weer uit te breiden.


Van bondgenootschappen met andere Europese landen wilde Salisbury niets weten. Deze politiek is dikwijls getypeerd als het streven naar ‘splendid isolation’. Volgens verschillende jonge historici, onder wie Roberts, is dit niet terecht. Salisbury wilde gewoon zijn handen vrij houden om in elke situatie met alle Europese grootmachten te kunnen onderhandelen. Roberts, die met deze fraaie biografie in de beste Engelse traditie staat, is van mening dat de geschiedenis Salisbury gelijk heeft gegeven. Na diens dood, in 1903, sloot Engeland immers bondgenootschappen met Frankrijk en Rusland, waardoor de Engelse deelname aan de oorlog die in 1914 op het Europese vasteland uitbrak, onvermijdelijk werd. De uiterst voorzichtige en pragmatische Salisbury zou volgens Roberts zijn uiterste best hebben gedaan om het conflict te voorkomen, of in ieder geval Engeland er buiten te houden.


Hier stuiten we op een obsessie van veel hedendaagse conservatieven: Engeland was ten tijde van Salisbury’s overlijden de sterkste grootmacht, daarna nam het deel aan twee wereldoorlogen en kwam het tweemaal als overwinnaar uit de strijd, om vervolgens te zien hoe het eens zo machtige Empire stukje bij beetje afbrokkelde, terwijl het de verliezers na een tijdje veel meer voor de wind ging. Vooral het succes van Duitsland, dat twee keer een oorlog begon en twee keer verloor, is menige Tory een doorn in het oog.



DEZE FRUSTRATIE BLIJKT ook duidelijk uit het nieuwste boek van de zeer productieve John Charmley. Volgens veel historici werd de Engelse buitenlandse politiek vanaf de zeventiende eeuw gedomineerd door het streven naar de ‘balance of power’. Engeland zou koste wat het kost het machtsevenwicht in Europa hebben willen bewaren, en sloot zich daarom altijd aan bij landen die overvleugeld dreigden te worden door een andere Europese grootmacht. Als gevolg van dit axioma van het Engelse buitenlandse beleid, moest Engeland zich in 1914 en 1939 wel mengen in een Europees conflict waarin het eigenlijk geen partij was.


In zijn boek Splendid Isolation? Britain, The Balance of Power and the Origins of the First World War bestrijdt Charmley deze these. Charmley onderzocht het buitenlands beleid van de periode 1874-1914 en kwam tot de conclusie dat een dergelijke doctrine helemaal niet bestond en dat de Engelse buitenlandse politiek lang niet altijd werd gedomineerd door een streven naar machtsevenwicht. Aanvankelijk, onder Disraeli, was de buitenlandse politiek agressief (‘jingoism’) en imperialistisch. Nadat Salisbury — ook in Charmleys boek de grote held — Disraeli was opgevolgd, werd echter de meer bezadigde ‘boothaak’-politiek gevolgd. Dit legde Engeland geen windeieren.


Vanaf 1905 werd Engeland echter weer geregeerd door liberalen, en was het buitenlands beleid in handen van Sir Edward Grey. In vrijwel elk boek waarin het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt behandeld, wordt Greys uitspraak uit 1914 geciteerd: ‘The lamps are going out all over Europe; we shall not see them lit again in our lifetime.’ Grey, die bij veel tijdgenoten en historici in hoog aanzien stond, voerde wel een typische balance of power-politiek. In de ogen van Charmley is hij dan ook verantwoordelijk voor Engelands deelname aan de Eerste Wereldoorlog, en dus voor de zinloze dood van ruim 900.000 Britse onderdanen.



GREY IS OOK de grote schurk in The Pity of War van Niall Ferguson. Ook deze auteur verwijt Grey dat hij Engeland in WO I heeft gestort, met alle desastreuze gevolgen van dien. Fergusons boek is controversieel, maar het is ook wel heel erg als zodanig bedoeld. Het is geschreven door een gerenommeerd economisch historicus, die onlangs een zeer bejubelde tweedelige geschiedenis van de Rothschild-dynastie heeft geschreven. Bovendien is hij de redacteur van de bundel Virtual History (1997), waarin wordt geprobeerd een plausibel beeld te schetsen wat er gebeurd zou zijn als de geschiedenis op een aantal cruciale punten net iets anders zou zijn gelopen.


Door het vanzelfsprekende ter discussie te stellen, door zich af te vragen hoe de geschiedenis er óók uit had kunnen zien, is het soms mogelijk een beter begrip te krijgen voor de beslissingen van historische personen. Bovendien kan het ons inzicht vergroten in de werkelijke oorzaken van ontwikkelingen. Ferguson heeft de pretentie met een geheel nieuwe visie op de Eerste Wereldoorlog te komen, en heeft zich voor dit doel een tiental vragen gesteld, waaronder: was de oorlog onvermijdelijk? Waarom nam de Duitse leiding de gok van een oorlog? Waarom besloten de Engelse leiders te interveniëren in een Europese oorlog? Waarom was het economisch superieure Engelse Empire niet in staat zonder Amerikaanse hulp een overwinning te behalen? Waarom bleven de soldaten vechten? Wie draaide voor de kosten op?


Deels zijn het interessante vragen, maar vaak zijn ze niet erg to the point. Onvermijdelijk is eigenlijk nooit iets, zodat Fergusons felle aanval tegen het idee van een onvermijdelijke oorlog niet veel meer is dan een gevecht tegen windmolens. In zijn beschrijving van de juli-crisis van 1914 toont hij zich, evenals Charmley, een obsessief Anglocentrisch historicus. Hij houdt immers geen rekening met het feit dat de belangrijkste beslissingen in Berlijn, Wenen en Sint-Petersburg werden genomen, en niet in Londen. De fatale rol van Grey, die met zijn duivelse machinaties Engeland in de oorlog zou hebben gestort, wordt bovendien nogal gerelativeerd door wat een aantal zeer gerenommeerde historici reeds eerder hebben geschreven. In zijn briljante The Struggle for Mastery in Europe 1848-1918, uit 1954, ontkende A.J.P. Taylor dat Grey de oorlog had kunnen voorkomen. Duitsland zou zich door geen enkel argument hebben laten afschrikken. Ook uit het standaardwerk van Paul Kennedy, The Rise of the Anlo-German Antagonism (1981) wordt duidelijk dat de expansionistische politiek van Wilhelm II aan Grey zeer weinig ruimte liet. Dit wil nog niet zeggen dat de oorlog onvermijdelijk was, maar de mate waarin Grey invloed op de gebeurtenissen kon uitoefenen was vrij beperkt. Het waren immers in de eerste plaats Duitsland, Oostenrijk en Rusland die de stoomwals in beweging zetten.



ZOWEL CHARMLEY ALS Furguson besteedt veel te weinig aandacht aan de economische, geopolitieke en ideologische tegenstellingen tussen Engeland en Duitsland. Waar Charmley zich blindstaart op het gescharrel der diplomaten en politici, heeft Ferguson een heel andere, maar even discutabele invalshoek. Om te beginnen wemelt het in zijn boek van de tabellen en grafieken — niet vreemd voor een economisch historicus — maar staat er geen enkele kaart in!


Hoewel hij veel gruwelijke foto’s in zijn boek heeft opgenomen is Ferguson behoorlijk blind voor de realiteit van de oorlog. Zo stelt hij droogjes dat een Duitse overwinning niet zo erg was geweest, aangezien dit had geresulteerd in een soort Europese Unie, maar dan zo’n zeventig jaar eerder, en zonder het bloedvergieten van twee wereldoorlogen en zonder de terreur van communisme en nazisme. Ferguson vergeet dan voor het gemak dat een groot deel van de Duitse elite de oorlog zag als kruistocht van de Duitse Kultur tegen de lichtzinnige Zivilisation van Frankrijk en Engeland, en tegen de barbaarse Slaven. Bovendien verliest hij uit het oog dat het executeren van meer dan zesduizend Belgische en Franse burgers in de eerste twee weken van de oorlog een enorme schok veroorzaakte in de publieke opinie. Vanaf de eerste dag was het een allesbehalve frische und fröhliche Krieg.


Ook Fergusons opvatting dat de soldaten de oorlog over het algemeen niet zo erg vonden, is gebaseerd op bijzonder dun ‘bewijsmateriaal’. Het ligt voor de hand dat hij veel citeert uit In Stahlgewittern van Ernst Jünger, iemand die onmogelijk als representatief voor ‘de’ frontsoldaat kan worden gezien. Voorts heeft hij nogal kinderachtig geturfd in de dichtbundels van Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, waarin hij relatief weinig ‘echte’ anti-oorlogsgedichten kon vinden. Ook bagatelliseert hij de zwaar onderdrukte desertie en muiterijen in het Franse en Engelse leger.


Wat de tot nog toe behandelde historici gemeen hebben, is dat ze het verleden te lijf gaan met aan het heden ontleende vragen en opvattingen. Iedere eerstejaars student geschiedenis leert dat dit nooit helemaal te vermijden is, maar dat je je er wel zeer bewust van moet zijn. Niet alleen ligt het gevaar van anachronismen voortdurend op de loer, ook ontstaat de neiging datgene wat is gebeurd te zien als iets wat onvermijdelijk was. Nu verzetten bovenstaande historici zich weliswaar uitdrukkelijk tegen dit soort determinisme — aangezien ze immers suggereren dat Groot-Brittannië een andere politiek had kunnen en moeten voeren —, maar ze overdrijven juist weer de keuzemogelijkheden die er waren. Zij blijven de gevangenen van hun eigen conservatieve, neo-isolationistische opvattingen.



NA DEZE BOEKEN was Graham Stewarts Burying Caesar een verademing. Het handelt over de rivaliteit tussen Churchill en Chamberlain. Heel lang heeft het beeld bestaan dat deze politici in alles elkaars tegenpool waren en werd de onverzettelijke houding van Churchill tijdens de oorlog afgezet tegen de trillende-knieënpolitiek van Chamberlain tussen 1938 en 1940. Hoewel deze visie al geruime tijd onder druk staat en met name de reeds genoemde John Charmley in zijn uit 1993 daterende Churchill: The End of Glory een poging heeft gedaan de grote held van zijn voetstuk te halen en Chamberlain te rehabiliteren, blijft het kennelijk moeilijk op genuanceerde wijze naar deze periode uit de Engelse geschiedenis te kijken.


Jarenlang is de Churchill-mythe dankbaar gebruikt door de Tories, die het uiterst prettig vonden zich te identificeren met de man die het bedreigde vaderland veilig door de Tweede Wereldoorlog had geloodst. Met name Margaret Thatcher spiegelde zich, vooral tijdens haar eigen Falkland-oorlog, graag aan die onverzettelijke, monumentale en sigarenrokende voorganger. In zijn vorig jaar verschenen Voltaire’s Coconuts or Anglomania in Europe beschrijft Ian Buruma een partijcongres van de Conservatieven halverwege de jaren negentig. In de talloze speeches werd voortdurend verwezen naar de meidagen van 1940. Zo werd bijvoorbeeld het Engelse verzet tegen het metrieke stelsel vergeleken met het ‘wonder van Duinkerken’. Een optimistische parlementariër voorzag zelfs een keerpunt in deze ‘oorlog’ en sprak al over de invasie: ‘The Euro-sceptic tanks are landing in Europe!’ In dit soort, van elke realiteit losgezongen retoriek doet de figuur van Churchill het altijd goed. Historici als Charmley en de onlangs overleden Alan Clark schrijven heel wat minder positief over Churchill, en verwijten hem dat hij Engeland in een tweede rampzalige oorlog heeft gestort. Bij hen scoort de na 1940 veel gehoonde en verguisde Chamberlain veel beter. Hij heeft immers zijn uiterste best gedaan om Engeland buiten het Europese conflict te houden.


Stewart schetst echter een evenwichtig beeld van beide mannen, en hij kan dat vooral doen omdat hij de strijd om de macht binnen de conservatieve partij als uitgangspunt neemt. Niet alleen waren Winston en Neville hun hele politieke leven lang elkaars rivalen, ook hun beider vaders waren dat al geweest. Bovendien laat Stewart zien dat op het einde, nadat Chamberlain het premierschap had moeten overdragen aan Churchill, de wederzijdse waardering en respect de overhand kregen. Churchill was in mei 1940 de man om het roer over te nemen, maar zonder de onvoorwaardelijke steun van Chamberlain zou hij slechts heel kort geregeerd hebben. De conservatieve partij had immers tot kort daarvoor niets van Churchill willen weten en er waren nog altijd genoeg Tories die barstten van de rancune en wachtten op het moment dat ze die arrogante blaaskaak op zijn gezicht konden laten gaan. Chamberlain stelde zich met het volle gewicht van zijn partijleiderschap achter de nieuwe premier en bleef tot aan zijn dood in november 1940 een loyaal lid van het oorlogskabinet.



STEWARTS BOEK onderscheidt zich gunstig van de andere hier genoemde studies doordat een eventuele politieke agenda niet voortdurend zichtbaar is tussen de bladzijden. Hoewel Roberts een mooie biografie heeft geschreven, en hoewel de boeken van Charmley en Ferguson niet geheel waardeloos zijn, blijft het voor niet-Engelse lezers enigszins merkwaardig, om niet te zeggen potsierlijk, om telkens te worden geconfronteerd met dat heftige anti-Europese sentiment. Het doet een beetje denken aan die Engelse krant die midden jaren vijftig in alle ernst op de voorpagina kon zetten: ‘Fog in the Channel, the Continent isolated!’ Het is de nostalgie van de countryclub, de bolhoed, high tea en een van waterdichte schotten voorziene klassenmaatschappij. Het zijn de zelfgekozen oogkleppen die de historici het zicht beletten en het hun mogelijk maken zich te koesteren in rozige dromen van een Engeland dat niet meer bestaat en dat ook eigenlijk nooit bestaan heeft. Het is de toestand waarover Orwell schreef toen hij terugkeerde uit de Spaanse burgeroorlog.


Aan het slot van Homage to Catalonia (1938) beschrijft hij de reis van Dover naar Londen. Het begint met een lyrische evocatie van het Engeland uit zijn kinderjaren en het eindigt met een nachtmerrie, die binnen twee jaar werkelijkheid zou worden: ‘De spoorbaan bedolven onder veldbloemen, de weiden met hoog gras, waar de grote glanzende paarden staan te grazen en mediteren, de trage rivieren met wilgen omzoomd, de groene iepenbosjes, de ridderspoor in de tuintjes; en daarna de grote, vredige wildernis van de Londense buitenwijken, de pramen op de modderige rivier, de vertrouwde straten, de aanplakbiljetten voor cricketwedstrijden en met berichten over koninklijke huwelijken, de mannen met bolhoeden, de duiven op Trafalgar Square, de rode bussen, de blauwe politieagenten — alles verzonken in de diepe, diepe slaap van Engeland, waaruit we, denk ik soms met angst, niet zullen ontwaken tot we wakker schrikken door het donderen van de bommen.’


Nu staan er op de Europese vliegvelden nog geen bommenwerpers warm te draaien om binnenkort hun dodelijke lading af te werpen boven Londen of Coventry. Dit weerhoudt anti-Europese politici en journalisten er echter niet van voortdurend oorlogszuchtige taal uit te slaan. Zo dreigde Michel Portillo als minister van Defensie onder John Major: ‘SAS — drie letters die onze vijanden doen beven: “Don’t mess with Britain!”’ Dergelijke uitspraken zijn natuurlijk een beetje lachwekkend, maar het zijn wel symptomen van iets zorgwekkends. Helemaal dubieus is dat historici en andere intellectuelen steeds vaker bijdragen aan een geestelijk klimaat waarin de scheidslijn tussen goed en kwaad lijkt te worden gevormd door het Kanaal. Buruma wees er al op dat vrijheid, democratie, tolerantie en eerlijkheid steeds vaker worden getypeerd als ‘typisch Britse waarden’. ‘Op het moment dat mensen over politieke vrijheden spreken als zijnde puur inheemse verworvenheden, weet je zeker dat het hen niet langer om vrijheden gaat.’ Volgens Buruma bewonderden de achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers Engeland juist omdat de vrijheid daar geen vage ‘waarde’ was, maar juist verankerd lag in een hele reeks wetten. De Engelse vrijheden waren heel concreet, en daardoor zo waardevol. ‘Het idee dat een samenleving gebaseerd zou moeten zijn op specifieke nationale waarden was in feite het kenmerk van de dictaturen op het vasteland, niet van het Britse liberalisme.’


Het grote publiek zal ook in Engeland geen historische studies lezen zoals die worden geschreven door Charmley, Ferguson of Roberts. De ideeën die met deze boeken salonfähig worden gemaakt, sijpelen echter wel door via de media en laagdrempelige lectuur als The Aachen Memorandum. En dan ontaardt het al snel in demagogie, die gebruikt kan worden om massahysterie mee aan te wakkeren. En de lieden die dat graag doen, lijken, volgens Buruma, ‘net iets te veel op het soort mensen dat Engeland, tweemaal in deze eeuw, heeft proberen te verslaan’.



Andrew Roberts, The Aachen Memorandum,Orion, 265 blz., ƒ24,95 (imp. Van Dithmar); Andrew Roberts, Salisbury. Victorian Titan, Weidenfeld & Nicholson, 938 blz., ƒ95,- (imp. Consul Books); John Charmley, Splendid Isolation? Britain, the Balance of Power and the Origins of the First World War, Hodder & Stoughton, 518 blz., ƒ95,- (imp. Nilsson & Lamm); Niall Ferguson, The Pity of War. Explaining World War I, Basic Books, 563 blz., ƒ95,- (imp. Penguin); Graham Stewart, Burying Caesar. Churchill, Chamberlain and the Battle for the Tory Party, Weidenfeld & Nicholson, 533 blz., ƒ95,-.