Ger Groot

Engelen

In zijn Cahier de Talamanca, het vakantiedagboek dat hij in de zomer van 1966 bijhield tijdens zijn vakantie op Ibiza, schrijft de Frans-Roemeense denker Emil Cioran: ‘Borges citeert zonder enige verwijzing (datum noch plaats, niks) de titel van een boek van Fechner: Vergleichende Anatomie der Engel. Klaarblijkelijk heeft hij het niet gelezen, zelfs niet gezien. In Parijs moet ik het eens nagaan. Zou de schrijver de psycholoog uit de handboeken zijn?’ Dat is een intrigerende opmerking, want Fechner was een van de grondleggers van de experimentele psychologie, die die laatste tot een echte wetenschap heeft gemaakt. Maar in de negentiende eeuw blijken de meest sciëntistische onderzoekers soms ook de meest mystieke te zijn geweest.

Ook Cioran citeert ‘zonder enige verwijzing (datum noch plaats, niks)’ uit Borges, wiens werk hij op Ibiza kennelijk leest. Niet met veel plezier. Eerder in het dagboek heeft hij de Argentijnse bibliothecaris al een ‘praatjesmaker’ genoemd. ‘Al zijn uitgangspunten zijn literair; erger nog: boekenwijsheid. Hij was geschapen voor het succes in Frankrijk, waar ze dol zijn op kunstgrepen, trucjes, onechtheid. Borges of de universele handigheid.’

Maar welk van zijn boeken las Cioran in 1966? Google brengt me naar de site van een zekere Carlos García, die Borges en Fechner in één adem noemt. Inderdaad de grote negentiende-eeuwse psycholoog – en ja, hij schreef een Vergleichende Anatomie der Engel: ‘een titel die gemakkelijk voor een grap zou kunnen doorgaan’. Zoiets maakt wantrouwend, want hoe vaak heeft Borges niet titels, auteurs en zelfs hele oeuvres uit zijn duim gezogen? De Duitse Gutenberg-site geeft inderdaad geen Engel-studie van Fechner – maar wel de aantekening dat deze als Dr. Mises ook ‘satirisch-humoristische Schriften’ publiceerde.

García vermeldt Fechner echter vooral vanwege een andere tekst van Borges: de overbekende allegorie van de bibliotheek van Babel, die alle mogelijke én onmogelijke boeken van de wereld bevatte. Borges zou dat idee ontleend hebben aan een zekere Kurd Lasswitz, een schrijver die het op zijn beurt bij Fechner zou hebben gevonden.

García maakt zich nogal boos op de ‘geleerden’ die Lasswitz voor een borgesiaans fantasma houden. Inderdaad geeft Gutenberg de man mét foto en oeuvre – en zelfs zijn pseudoniem: Velatus (de gesluierde), die dergelijke geleerden alsnog op een idee zou kunnen brengen. Maar van een verwijzing naar een babylonische bibliotheek geen spoor, zoals daarvan in de boektitels van Fechner ook niets te vinden lijkt te zijn.

Erger nog: Fechner noch Lasswitz komt voor in Borges’ eigen verhaal – dat daarmee bedenkelijke trekjes van plagiaat begint te vertonen. Als García het bij het rechte eind heeft. Maar hij redt Borges: de verwijzing staat in een ander, kennelijk nooit gebundeld essay: La biblioteca total, dat in vele vormen op het net te vinden is. Maar waarvan stamt het? Het werk van Borges is notoir slecht ontsloten. Tenslotte vermeldt één van de websites het tijdschrift Sur. Borges zou het verhaal er in 1939 hebben gepubliceerd – dus kort voordat hij De bibliotheek van Babel schreef.

Ben ik van dat laatste werkelijk zeker? Het internet is minder de elektronische tegenhanger van de babylonische bibliotheek dan die van Borges’ Boek van zand: een eindeloos aantal bladzijden die, eenmaal opgeslagen, later nooit meer terug te vinden zijn. Maar dan stoot ik onverwacht op een site over Fechners engelen: Borges zou die vermeld hebben in een tekst over Pascal. Dat moet in Otras inquisiciones zijn, waar Borges zich buigt over de vraag welke vorm geestelijke wezens hebben. En dan in een voetnoot: ‘Origenes meende dat de doden zullen herrijzen in de vorm van bollen; Fechner (Vergleichende Anatomie der Engel) schreef die vorm (…) toe aan de engelen.’

Dat moet het boek geweest zijn dat Cioran las. Het bewijs staat iets eerder in zijn dagboek: ‘Proberen het boek van Philipp Mainländer te lezen: Die Philosophie der Erlösung.’ Waarom? Omdat Borges zíjn voorafgaande essay besloot met: ‘Mainländer [publiceerde] in 1876 zijn boek Filosofie van de verlossing. Datzelfde jaar pleegde hij zelfmoord.’

Dat moet Cioran, die zijn hele oeuvre omschreef als één grote poging zichzelf niet om het leven te brengen, hebben aangesproken. Later zou hij ook over Borges milder gaan denken. Google tovert een voorzichtige lofzang van zijn hand op mijn scherm, gericht aan een zekere cher ami, waarin Cioran spreekt over Borges’ ‘superioriteit’. ‘Alles bij hem is herschapen door het spel in een dans van flitsende vondsten en heerlijke sofismen’, schrijft hij. Opnieuw nergens een bronvermelding. Na enig zoeken vind ik hem, goddank op papier, terug in de dikke verzamelband van zijn Oeuvres. De cher ami blijkt Fernando Savater, zijn Spaanse ontdekker en bewonderaar.