Meester van de Kruisafneming van Figdor, Het martelaarschap van Sint-Lucia,circa 1505-1510. Olieverf op paneel, 132,4 cm x 101,7cm © Rijksmuseum Amsterdam

Nooit zal ik de tijd vergeten, nu zo’n drie decennia geleden, dat ik een dag of twee per week in de Nationale Bibliotheek van Spanje, hartje Madrid, doorbracht, bezig met het tijdperk dat me met de dag sterker in zijn greep kreeg: het breukvlak van de vijftiende en de zestiende eeuw. Een van de sterkste sensaties uit die periode betrof het lezen – snoepen is een beter woord – van incunabelen, wiege- ofwel vroege (dat wil zeggen: van vóór 1500) boekdrukken.

Een van de mooiste die ik destijds in handen kreeg was de zogenoemde Legenda Aurea, het werk van een man die in het Nederlands Jacobus de Voragine wordt genoemd, een dertiende-eeuwse Dominicaan en theoloog die het tot bisschop van Genua bracht en vooral bekend werd door het boek dat hijzelf Legendae Sanctorum (Heiligenlevens) noemde maar dat vermoedelijk vanwege zijn schoonheid en succes nog tijdens ’s mans leven de eretitel Legenda Aurea (Gouden verhalen) kreeg.

Enorm, dat zijn de Legenda Aurea om te beginnen. In de – ik kan het niet anders noemen – verbijsterende vertaling van het echtpaar Hilhorst, beiden classici van opleiding en respectievelijk bijbelwetenschapper en mediëviste van beroep, is deze nieuwe vertaling een kleine duizend pagina’s dik. Met inleiding (circa negentig pagina’s) en register dus waarlijk een kolos. Vandaar dat ik me nu opnieuw realiseer dat ik destijds in de bibliotheek van Madrid geen vertaling maar een selectie of zogenoemde flos (bloemlezing) in handen heb gehad. Het blijkt niet moeilijk te achterhalen welke dat is geweest: een Catalaanse editie van Juan Rosenbach uit 1494. Deze is temeer zo fraai omdat hij vol staat met schitterende houtsneden. En als ik eerlijk mag zijn: eigenlijk was het me vooral daarom te doen; de voor mijn smaak veelal wat te vrome teksten geloofde ik wel.

Dat lag voor het laatmiddeleeuwse en vroegmoderne publiek vanzelfsprekend anders. Dat gelóófde de teksten van Voragine natuurlijk ook. Sterker nog, met zijn boek voorzag de auteur in een leidraad voor het dagelijks leven en een permanente inspiratiebron. Deze functie was niet zozeer het resultaat van de inhoud van de verhalen als van de bij die inhoud passende praktijk. Om daarvan een paar aspecten te noemen. Zoiets als verjaardagen in onze zin van herinneringen aan de geboortedag kende men destijds niet. Iemands ‘verjaardag’ was zijn of haar naamdag, dat wil zeggen ‘dag gewijd aan de heilige naar wie men was vernoemd’. Maar deze individuele vernoeming was niet de belangrijkste. Belangrijker was de vernoeming van het dorp of de stad waarin men woonde, de parochie waartoe men behoorde en het beroep dat men uitoefende.

In de christelijke wereld van vóór de Reformatie had elke groep of locatie zijn eigen patroon(heilige). In de meeste katholieke landen (Polen, Spanje) is dat nog steeds het geval. Spaanse dorps- of wijkfeesten bijvoorbeeld, veelal enorme vertoningen, zijn altijd gecentreerd rond de feestdag van de plaatselijke beschermheilige. Bij deze heilige hoort een verhaal plus één of meer specifieke deugden. Voragine vertelt die verhalen en talloze priesters herhaalden die op de betreffende dag tijdens de preek. Vooral omdat die heiligenverhalen opmerkelijke details bevatten, fleurden ze de saaie mis een beetje op terwijl ze ook nog eens gelegenheid tot morele bespiegeling boden. Verhaal en bespiegeling dienden de toehoorder ertoe aan te zetten het leven, en alle zondes, nog eens te overdenken.

Stefano di Giovanni Sassetta (waarschijnlijk) Een centaur wijst Paulus de weg naar Antonius; hun ontmoeting. circa 1445. Tempera op hout, 47,5 cm x 34,5 cm © National Gallery of Art, Washington DC

Met dit alles is meteen een van de twee redenen voor het succes van de Legenda Aurea gegeven: de complete, saaiere en veelal zuiver tekstuele edities waren bestemd voor priesters en monniken en dienden vooral ter voorbereiding van de preek; de verluchte bloemlezingen waren voor het publiek, ter lering ende vermaak.

Het succes van de Legenda Aurea was aan het eind van de Middeleeuwen dermate dat ze doorgaan voor een van de, zo niet de meest gedrukte incunabel ooit. Het is wat ingewikkeld om dat hard te maken maar dat het boek een van de eerste bestsellers uit de boekgeschiedenis is, staat vast. Alleen al van de Latijnse editie zijn meer wiegedrukken bekend dan van de (Latijnse) bijbel, respectievelijk 97 en 94. En dan zijn de talloze vertalingen (bijbelvertalingen waren vóór Luther, 1522, uiterst zeldzaam) nog niet genoemd. Zo zijn er in de Nationale Bibliotheek in Madrid alleen al meer dan tien verschillende edities te vinden. En van de eerste Nederlandse vertaling – van een anonieme monnik uit het Kartuizerklooster van Herne, Vlaams-Brabant – zijn meer dan dertien drukken bekend.

We kennen dit werk allemaal, ook al hebben we de naam ervan of van zijn auteur nog nooit gehoord

Worldcat, de grote internationale catalogus die tegenwoordig internationaal de standaard is, geeft zo’n achtduizend titels waarin de naam van Voragine voorkomt en bijna vierduizend titels waarin van Legenda Aurea wordt gesproken. Dit succes was er overigens ook al vóór de eerste gedrukte editie (Keulen, 1470): in handschrift. Daarvan zijn er nog zo’n duizend bewaard gebleven. Kun je nagaan hoeveel er ooit bestaan moeten hebben: duizenden!

De mooiste en tweede verklaring voor het succes is dat dit boek van Voragine voor duizenden kunstenaars een inspiratiebron is geweest. Al die laatmiddeleeuwse, renaissancistische, vroegmoderne, barokke en latere schilderijen en tekeningen van heiligen waarmee de musea vol hangen, talloze glas-in-lood-ramen, onnoembaar veel afzonderlijk uitgegeven heiligenlevens en bewerkingen daarvan zijn deels of grotendeels, direct of indirect, gebaseerd op wat Voragine in zijn Legenda vertelt. We kennen dat werk dus allemaal, ook al hebben we de naam ervan of van zijn auteur nog nooit gehoord.

Dit alles roept uiteindelijk de vraag op naar de inhoud. Zoals de titel zegt: heiligenlevens, dat vooral. Plus een heleboel, volgens Voragine en zijn leeftijdsgenoten althans, daarbij passende informatie: over engelen, duivels en de heilige geest, over scheppingsgeschiedenis, liturgie, kerkelijke feestdagen, kerkgeschiedenis, theologie. In totaal heeft de Legenda 178 hoofdstukken. 154 daarvan zijn gewijd aan specifieke heiligen, de rest aan genoemd bijwerk.

De heiligenlevens kennen geen vaste structuur. Toch begint ongeveer de helft ervan, aldus de vertalers, met een etymologie. In het geval van mijn naamheilige ligt die voor de hand. Ferein betekent in het Grieks ‘dragen’ en dus staat in Christophorus, of, zoals ik officieel heet, Christofoor, simpelweg voor Christusdrager. ‘Want hij droeg Christus op vier manieren’, schrijft Voragine in de eerste regels van het betreffende hoofdstuk, ‘met zijn schouders bij het overbrengen, met zijn lichaam door zijn versterving, met zijn geest door zijn vroomheid, met zijn mond door zijn belijdenis en zijn verkondiging.’

Vervolgens vertelt hij over ’s mans afkomst, over zijn ‘reusachtige gestalte’ en ‘schrikwekkend gelaat’. Daarna beginnen de verhalen over deze krachtpatser, met als hoogtepunt dat van een kinderstemmetje dat erom smeekt naar de andere kant van de rivier gebracht te worden. Zo gebeurt. Maar naarmate Christofoor verder waadt, wordt het kind alsmaar zwaarder en zwaarder, ten slotte bijna ondraaglijk. De drager begrijpt er niets van. Het kind wel. ‘Wees niet verwonderd’, laat Voragine het zeggen. ‘Je hebt niet alleen de hele wereld op je gehad, maar ook Hem die de wereld heeft geschapen op je schouders getorst.’

Om dat te bewijzen zegt het (Jezus)kind dat Christofoor zijn staf in de grond moet steken en de volgende dag zal zien dat het dode ding bloeit en vrucht draagt. Hiermee is het verhaal nog niet ten einde want de vrome reus roept wrevel op bij de koning, wordt gemarteld, onthoofd maar bewijst desondanks, door genezing via zijn bloed, zijn vrome status. Vandaar dat Voragine het hoofdstuk besluit met een passage waarin hij een van de kerkvaders citeert. Volgens deze, Ambrosius, zou Christofoor ‘door schitterende wonderen’ maar liefst ‘achtenveertigduizend mensen van de dwaling van het heidendom tot het onderhouden van de christelijke godsdienst’ hebben gebracht. Einde verhaal.

‘Enzovoort’, zou je moeten zeggen, of beter wellicht: idem dito over honderden (sommige hoofdstukken gaan over meerdere personen) andere heiligen. Bernardus. Dionysius. Marcellinus. Petrus. De verhalen zijn vaak als in Amerikaanse B-films – onalledaags, gewelddadig, spannend – en bijna altijd, net zoals in veel van die films overigens, voorzien van een even simpele als zoete moraal, zij het dat deze in dit geval altijd verwijst naar god, geloof en kerk. In nogal wat gevallen vonden latere theologen dat Voragine van al het goede wel wat veel bracht en dat vele bovendien baseerde op gebrekkige bronnen. Zo ook in het geval van de patroonheilige van reizigers, timmerlieden, schatgravers, tuinmannen en kinderen, tevens beschermer tegen besmettelijke ziekten, plotselinge dood, onweer, hagel, droogte en watersnood, vuurrampen, oogziekten, tandpijn en nog zo wat ongemakken, Christofoor dus. In 1969 werd de man van de heiligenkalender afgevoerd ofwel (ik zal een verklaring van de etymologische verwikkelingen achterwege laten) gedegradeerd van legenda tot legende, van ‘dat wat gelezen moet worden’ tot ‘verhaal met betwijfelbare inhoud’.

Exit Christofoor.

Eenzelfde verschuiving in waardering was heel het werk van Voragine ondertussen al lang ten deel gevallen. Na de enorme populariteit op het breukvlak van Middeleeuwen en moderne tijd raakten de Legenda Aurea uit de belangstelling, om zoals zoveel middeleeuwse zaken in de negentiende eeuw herontdekt te worden. Dat gebeurde in dit geval om te beginnen door de protestantse bibliograaf en literair historicus Johann Graesse. Hij verzorgde in 1845 een eerste moderne uitgave. Velen zouden hem volgen, met uitgaven, vertalingen, commentaren en meer. Bij dit gezelschap heeft zich nu dus ook het echtpaar Hilhorst geschaard. Als ik de flaptekst mag geloven – en dat is gezien de zorgvuldigheid van de vertaling, de talloze noten en fraaie inleiding niet moeilijk – hebben zij sinds 1991 aan deze vertaling gewerkt. Dertig jaar dus. Zoiets heet, toepasselijk, monnikenwerk. 