Ger Groot

Engelentaal

Kan een taal mislukken? vraagt de linguïst Marc van Oostendorp zich af in zijn boek Een wereldtaal: De geschiedenis van het Esperanto (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Zijn eerste antwoord is nee. Een taal kan wel uitsterven, maar omdat er aan zijn bestaan nooit een oogmerk ten grondslag heeft gelegen, kun je dat geen mislukking noemen.

Dat lijkt een nogal formalistisch standpunt, alsof iets wat niet door iemand is bedacht ook geen doel zou kunnen hebben. Biologen, die niet ontkomen aan een portie teleologie, zouden daar anders over denken, en de evolutietheorie spreekt dan ook onbekommerd over mislukte soorten en mutaties. Talen zijn er in die visie niet voor zichzelf, maar dienen voor communicatie en expressie. Als ze die niet meer weten te waarborgen, zijn ze niet langer «gelukt».

Eén uitzondering moet Van Oostendorp maken en dat is meteen het onderwerp van zijn boek. Het Esperanto was wel uitdrukkelijk ontworpen voor moeiteloze wereldwijde communicatie van een mensheid die — zo dachten idealistische voorvechters — langs die weg definitief van oorlog zou worden verlost.

Het idee dat menselijke conflicten restloos kunnen worden teruggevoerd op onbegrip is een hardnekkige moderne illusie zonder besef van tragiek. Niet alleen humanistische goedzakken geloofden erin. De allerminst naïeve Wiener Kreis ontwikkelde haar theorie van heldere Protokollsätze mede in de schaduw van een wereldoorlog waarvan herhaling tot elke prijs moest worden voorkomen. Zuivering van de taal als bijdrage aan het menselijk heil galmt — al dan niet via George Orwell — tot op heden na bij filosofen met een logisch-positivistische tic.

Het ideaal van het Esperanto ging mank aan een té rozige mensvisie, die de beweging onvermijdelijk in messianistisch vaarwater bracht. Van Oostendorp beschrijft die geschiedenis op aandoenlijke wijze, uitweidend naar die van andere kunsttalen die — al dan niet als sektarische afsplitsingen van het Esperanto — zijn bedacht. De droom van eenheid sleept nu eenmaal altijd een geschiedenis van splijting en conflict achter zich aan. De godsdienstgeschiedenis getuigt daarvan en ook zij kenmerkt zich meestal door een ontkenning van de tragiek die zij zelf de wereld in helpt.

Wereldeenheid heeft het Esperanto niet gebracht en daarom, zo moet Van Oostendorp constateren, is die taal wel degelijk mislukt. Ook de aanhang en sprekers ervan slinken rap in aantal. De weinige beoefenaars die er nog bij komen hebben hun idealistische leergeld betaald. Voor hen is de taal een literaire of grammaticale hobby geworden, zonder utopische pretenties.

Daarmee is het Esperanto geëindigd als een gewone taal onder de talen en bestaat het — conform Van Oostendorps beginselen — uiteindelijk allereerst om wille van zichzelf. De consequenties zijn ingrijpend. De eenvoud die aanvankelijk de kern ervan uitmaakte, waaiert nu uit in complexiteit. Wie in een taal literatuur wil schrijven, zoekt niet naar de kaalst maar juist naar de rijkst mogelijke woordenschat. Bargoens en lyriek doen hun intrede. De grenzen van de grammatica worden opgezocht en creatief onder spanning gezet.

En daarmee wordt iets zichtbaar van het tweede misverstand waar het Esperanto onder leed. Een taal die slechts gericht is op communicatie redt het evenmin als een taal zonder geboren sprekers. De kunstmatigheid die hij als zijn grootste troef naar voren schuift, vereist dat hij nooit een werkelijk levende taal kan worden.

Kennelijk heeft taal «eigenaren» nodig die deze in hun dagelijks leven voeden: niet door hem te vereenvoudigen, maar juist door hem steeds verder te compliceren. Grammatica is alleen maar het idealistische spook van de taal. Bestaan doet ze uiteindelijk alleen in schrift en spraak. Wie taalstructuur en taalgebruik van elkaar scheidt, veroordeelt deze kunstmatigheid onherroepelijk tot steriliteit. Maar wie ze samenbrengt, ziet de aanvankelijke eenvoud ervan vervliegen in een woekering van idiomatische eigenaardigheden, dialectvorming en grammaticale inconsequentie.

We kunnen het in onze talen nu eenmaal niet stellen zonder een zekere mate van onhelderheid en structurele complexiteit. Dat is niet alleen een linguïstisch gegeven; ook de antropologie vraagt erom. Mensen zijn wezens die zich in hun woorden evenzeer willen verbergen als uiten. Communicatie is voor een belangrijk deel bewust geproduceerde ruis die de eenduidigheid schuwt. Ook dat wist de godsdienst al. Zuivere taal spreken alleen de engelen.