Engels in het hoger onderwijs

De hoogleraar wil aan zijn college beginnen. Hij heeft een laptop in zijn hand kijk wat verongelijkt om zich heen: ‘I’m searching for a stekkerdoos, have somebody seen it?’ Dit is de Nederlandse universitaire onderwijspraktijk anno 2011. Toen minister van onderwijs Jo Ritzen eind jaren tachtig opriep Engels voertaal te maken aan de Nederlandse universiteiten kreeg hij nog een storm van verontwaardiging over zich heen. Inmiddels lijkt het erop dat het gebruik van Engels usual business is aan de Nederlandse universiteit.

Masteropleidingen zijn overwegend Engelstalig, alle universiteiten bieden bachelorvakken aan in het Engels en de Radboud Universiteit Nijmegen heeft onlangs twee en een half miljoen uitgetrokken om het hele onderwijs tweetalig te maken. De commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland (CVN) heeft in 2007 een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar het Engels als onderwijstaal. De cijfers zijn onduidelijk en beleid varieert van faculteit tot faculteit. De kernvraag blijft onbeantwoord. Voor wie internationaliseren we eigenlijk?

Thea van Kemenade, communicatie medewerker van de Radboud universiteit Nijmegen vat het heersende sentiment op de Nederlandse universiteiten samen: ‘Ik wil het geen noodzakelijk kwaad noemen, helemaal niet, maar we moeten nu eenmaal meedoen aan de internationaliseringslag. Engels is, hoe je het ook wendt of keert, de wetenschappelijke taal van het westelijk halfrond. Wil je internationaal een beetje voor de dag komen dan moet je jezelf uit drukken in het Engels.’

De vraag blijft of het Engels altijd de voorkeur geniet boven het Nederlands. Vooral in het onderwijs. De beheersing van het Nederlands door scholieren en studenten is al jaren tanende en met name in de geesteswetenschappen wreekt zich dit. De legitimatie van deze wetenschappen berust voor een groot deel op de aansluiting bij het maatschappelijk debat. Bovendien is het de samenleving die het draagvlak moet vormen voor de wetenschap en in het Engels gaat dit niet.

In het reguliere hoger onderwijs zijn er in totaal ongeveer 47.000 buitenlandse studenten. Dit op een totale studentenpopulatie van 658.620. Aan de universiteiten komt ongeveer negen procent uit het buitenland, aan de hoge scholen is dit zesenhalf procent. Van alle studenten die uit het buitenland in Nederland studeren komt bijna de helft uit Duitsland, vierenveertig procent. In absolute aantallen staat Maastricht University met stip op een. De eerstvolgende universiteit in het lijstje is de TU Delft, op plaats zes. Voor de TU Delft is het totaal aantal buitenlandse studenten als percentage van de gehele studentenpopulatie veertien procent. De Universiteit van Amsterdam - de eerstvolgende reguliere universiteit op de lijst - herbergt zo'n zes procent aan studenten van over de grens, ongeveer 2000 van de ruim 32.000 studenten. Het marktaandeel van Nederland in de totale internationale studentenmarkt is volgens de laatste meting 1.3 procent. De internationaliseringslag is dus nog te overzien.

De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) heeft ruim zeven jaar geleden al een rapport uitgebracht met de veelzeggende titel: Nederlands tenzij… Hierin wordt het belang van een goede vaardigheid van het Nederlands voor de alfa- en gammawetenschappen benadrukt. De commissie onderkent echter het belang van het Engels als wetenschappelijke lingua franca en signaleert de moeilijkheden waarvoor ambitieuze wetenschappers staan wanneer zij (ook ) in het Nederlands willen publiceren. De belangrijkste graadmeter voor wetenschappelijk succes is de plek die een wetenschapper inneemt op de International Citation Index, die gedomineerd wordt door Engelstalige vakbladen. In de race daar een goede positie in te nemen dient een wetenschapper in het Engels te publiceren, een internationaal netwerk te onderhouden en zich te storten in de moordende concurrentie om een Engelstalige uitgever. Tijd en zin om in het Nederlands te publiceren verdwijnt hierdoor, de relevantie lijkt verdwenen.

Filosoof, schrijver en hoogleraar kunstkritiek Maarten Doorman wijst op enkele nadelen. 'Tegenwoordig wordt tekst in het Nederlands als minder wetenschappelijk beschouwd dan dezelfde tekst in het Engels. Dat is vreemd. De geesteswetenschappen worden elitair en marginaal wanneer Nederlandstalige artikelen en boeken niet meer mee mogen tellen. Omdat onderzoek steeds meer in een Engelstalige zogenaamde open competitie gefinancierd wordt, is het conformeren aan netwerken belangrijker geworden dan oorspronkelijke ideeën. Die worden gewantrouwd.’ Ook president van de KNAW Robbert Dijkgraaf onderkent het gevaar van een eenzijdig kwaliteitsbeoordeling : 'Het risico bestaat natuurlijk dat er een cijferfetisjisme ontstaat. Als we alleen nog maar citaten in internationale publicaties meetellen worden we een slaaf van de cijfers. Hieraan kleeft het gevaar van een eenzijdige beoordeling. Hoe meet je een product dat een industrieel ontwerper heeft gemaakt? Of de bijdrage van een geesteswetenschapper aan het maatschappelijk debat?

Het is de vraag in welke termen het debat over het Engels als wetenschappelijke taal gevoerd moet worden. Er rijst een paradoxale kwestie; moet kennis over specifiek Nederlandse kwesties zoveel mogelijk in internationale wetenschappelijke belangstelling komen te staan, of heeft het meer baat bij een groter nationaal bereik dat niet perse wetenschappelijk is? Denk aan een sociologische beschouwing over ´Alphen´, een psychologisch profiel van Robert M., of een filosofische reflectie op de Nederlandse zorg. Het lijkt erop dat het hier ten dele aankomt op het fingerspitzengefühl van individuele wetenschappers. Zij moeten zich bewust zijn van maatschappelijke problemen, hun maatschappelijke verantwoordelijkheden kunnen nemen en zo nodig interveniëren in het debat aan het thuisfront.

Een rondgang langs de Nederlandse faculteiten sociale- en geesteswetenschappen leert dat er halfslachtige keuzen worden gemaakt als het gaat om het gebruik van Engels. Meestal is er geen beleid, pragmatiek overheerst - als er een buitenlandse student college loopt schakelt men over op het Engels. Dit kan ook leiden tot situaties zoals op de Universiteit Maastricht, die tegenwoordig Maastricht University 'the most international university in the Netherlands’ heet. Het klopt dat zij de meest internationale universiteit van Nederland zijn, bijna één derde van de studenten komt uit Duitsland. Hiermee zijn ze tegelijkertijd de meest regionale universiteit van het land. Dus de rigide keuze voor het Engels - zelfs in de bestuurskamer dient men te overleggen in deze taal - is wellicht wat overtrokken. De universiteiten lijken zich allemaal op te willen werpen als voorloper. Na Maastricht is er nu ook de Tilburg University.

Hoogleraar Ger Groot van de Radboud Universiteit Nijmegen: 'Het klinkt buitengewoon sexy om internationaal toegankelijk te zijn, maar in feite richt zich men op een imaginair mondiaal publiek. Ik vind het van een buitgewoon provincialisme getuigen dat een vakgenoot zo ver weg mogelijk moet zitten en een andere taal moet spreken.’ Het ontbreekt Nederland aan een duidelijk beleid, dat universiteiten óók aanspreekt op hun verantwoordelijkheid studenten zich te laten bekwamen in het Nederlands.

_Kamerlid Martin Bosma heeft in 2009 via een breed gedragen motie de minister gevraagd de frequentie en kwaliteit van het Engels in het onderwijs te onderzoeken. Toenmalig minister Plasterk berichtte dat de Nederlandse instellingen voor het hoger onderwijs voldoende doen aan 'kwaliteitsbewaking en verankering’, vaak in de vorm van het jaarlijkse functioneringsgesprek. Met geen woord wordt er gerept over nut of noodzaak van het Engels, anders dan dat het goed is voor 'de internationalisering’ en 'de concurrentiepositie van de Nederlandse universiteit’. De huidige staatssecretaris van hoger onderwijs laat via zijn woordvoerder weten 'hier nog steeds achter te staan’. 'Het trekt buitenlandse studenten. Dankzij de international classrooms die dan ontstaan kan de kwaliteit van onderzoek en onderwijs verder versterkt worden.’ _

De Vlamingen lijken op dit gebied een stuk realistischer. Prof. dr. Piet de Craen van de Vrije Universiteit Brussel: 'De welhaast existentiële roep om het Engels in het hoger onderwijs is misplaats wanneer het niet samengaat met goede begeleiding. Het Nederlands wordt dan ook alleen bedreigd als het Engels blind wordt ingevoerd. Natuurlijk leiden docenten en studenten daar dan onder.’ Nuance, conceptualisering en de mogelijkheid tot een ingewikkelde dialoog met vakgenoten en de maatschappij gaan verloren. Popularisatie van de wetenschap gebeurt ook in de eigen taal en creëert bovendien de kans om nieuw, jong talent aan te trekken. Zelfs in de natuurwetenschappen vergeet men dat soms. Dijkgraaf: 'ook in de bètawetenschappen richten we ons soms misschien te veel op cijfers en te weinig op woorden.’

Niet alleen prestige en de manier waarop kennis verondersteld wordt zich voort te planten speelt een rol. Omdat bijvoorbeeld het Frans, Duits of Russisch domweg niet meer beheerst wordt door aanstormend wetenschappelijk talent is het lastig andere culturen, denkstijlen of tradities te ontsluiten. Hoogleraar Douwe Draaisma noemt dit 'het verdriet van de kosmopoliet’: de veronderstelde kosmopolitische, weidse en open blik wordt door ons easy going gebruik van het Engels eerder ondermijnd dan gepraktiseerd. Veeleer zetten we een stel kolossale oogkleppen op, die onze blik in bijna alle gevallen op de Angelsaksische wereld doen richten.

Zeer recent neuro-linguïstisch onderzoek toont aan dat dit werkelijk kan leiden tot 'culturele blindheid’, bijvoorbeeld in onderzoek. Zoals de van origine Griekse onderzoeker Paros Athanasopoulos van de University of Newcastle e-mailt (in het engels): 'Een klassiek geval is het onderzoek naar kleurperceptie, waarbij verondersteld werd dat het maximaal aantal kleuren die men - in een taal - kan onderscheiden elf is, zoals die toevallig voorhanden zijn in het Engelse vocabulaire. Maar inmiddels weten we dat het merendeel van de talen op de wereld meer basistermen onderscheid, vooral gradaties in blauw en rood.’ Taal is dus van fundamentele invloed op de manier waarop wij de wereld zien. Hadden we eenzelfde gretigheid getoond in een van de meest ingrijpende besluiten in de buitenlandse politiek van de afgelopen decennia als het om een Krieg gegen den Terror was gegaan?

Wat Engels af en toe klinkt wel catchy en als we mondiaal mee willen doen dienen we toch ook wat mee te brabbelen, zo lijkt het. Zoals een hoge Nederlandse diplomaat in 2006 de Europese Commissie zou hebben toegesproken: ’Could you step on the gas peddle a little bit?’ Ook in andere echelons van de samenleving lijkt dit de bezweringsformule te zijn, waarmee de discussie wordt gesloten. Maar is het niet juist zaak duidelijke keuzen te maken? De kwaliteit van taalbeheersing, zowel van het Nederlands als het Engels staat op het spel. Het is onoverkomelijk om je van het Engels te bedienen in de internationaal opererende wetenschap, maar gevaar voor vervlakking, verschraling en verarming voor de verdwaasd achtergebleven thuisblijvers ligt op de loer.

Ook wordt er veronderstelt dat studenten en docenten naadloos over kunnen schakelen op het Engels, maar de realiteit lijkt nog steeds die van een halve eeuw geleden. Toen schreef Hendrik Casimir, de eerste voorzitter van het KNAW: 'There exists today a universal language that is spoken and understood almost everywhere: Broken English. I am not referring to Pidgin English … but to the much more general language that is used by waiters in Hawaii, prostitutes in Paris and ambassadors in Washington, by businessmen from Buenos Aires, by scientists at international meetings and by dirty-postcard peddlers in Greece - in short, by honourable people like myself all over the world.’ Net zoals de hoogleraar, die de multiple socket voor zijn laptop overigens heeft gevonden.