De stad van, met en zonder Jan Schoonhoven

Enigszins Delft

Een getraind oog kan in Delft vele Schoonhovens herkennen – ze zitten in de gevels langs de gracht, in het glas-in-lood van de gotische kerk of in eenniet langer aanwezig afgebroken paaltje.

Medium 11. 20jan 20schoonhoven 20litho 20hekje 20met 20diagonalen 20 7c1987 20 7c 20litho 20 7c 2050 20x 2032 2c5 20cm 20 7c 20particuliere 20collectie 20 7c 20foto 20hans 20roode

Op een steenworp afstand van de Oude Kerk (die al tijdens de bouw verzakte en die door eenieder ‘de Oude Jan’ wordt genoemd) schuilt achter een statige maar toch ook non-descripte gevel het kantoor van Mecanoo, Francine Houbens vermaarde architectenbureau. Zo stil als het buiten is, zo druk is het binnen. Het architectenbureau zetelt in het volledige voormalige ziekenhuiscomplex. Een tuinpad leidt naar de werkplaats waar Henk Bouwer maquettes maakt. Bouwer is een vriendelijke man met dun wit haar en een spijkerbroek die omhoog wordt gehouden door een paar gele bretels dat is bedrukt als waren het twee meetlinten. Hoewel ik hem tegen de zeventig schat, snelt hij de trappen met twee treden tegelijk op.

Bouwer kwam regelmatig over de vloer bij Jan en Anita Schoonhoven. Eigenlijk kwam hij er vooral voor Anita, met wie hij een liefde voor jazzmuziek deelde. Anita was ooit een drijvende kracht achter stichting Smør, die in de loop der jaren een lange reeks aan grootheden uit de jazz naar het kleine Delft haalde. Dat haar man ook van jazz hield is een veel te vaak herhaald misverstand. Dat veel van het geld dat hij verdiende met zijn witte reliëfs naar de jazz ging had alles te maken met liefde, maar niet een voor muziek.

Bouwer heeft een ingelijste foto meegenomen. Het is een nieuwjaarskaart, op de achterzijde heeft Anita ‘een goed 1978’ geschreven. Dat dat het jaar zou zijn waarin ze overleed kon ze niet weten, maar op het beeld zit ze waar ze die laatste jaren steeds vaker zat: thuis, op de eerste verdieping van het huis aan Vrouwjuttenland 19, aan tafel. Ze was zo ziek dat ze niet anders meer kon. Schuin achter haar staat Jan die met een glimlach naar haar kijkt. Bouwer vertelt hoe minimaal de voorzieningen waren. Een koelkast is er nooit in gekomen en nadat op last van de gemeente een douche werd geïnstalleerd kwam de kop nooit uit de verpakking. Bouwer wijst naar een denkbeeldige stoel die net naast het fotolijstje staat: ‘Hier zat ik dan meestal.’ Daartegenover stond de platenkast die hij samen met Aad in ’t Veld, Schoonhovens meest toegewijde assistent, in elkaar zette. Ze kregen allebei een tientje en het advies het bij dove Bertus, de uitbater van café Belvédère aan de overzijde van de gracht, stuk te slaan. ‘Het zat er vol met Jeroen Bosch-achtige types. Zulke neuzen en maar één tand.’ Jan zat er zelf ook vaak. Met zijn jas aan en zijn pet op. Niet zelden alleen. ‘Hij was wat je noemt een kwartaaldrinker.’

Maar uiteindelijk blijft Schoonhoven toch een soort enigma. Een gesloten man. ‘Wat je over Jan Schoonhoven kunt zeggen is dat je weinig over hem kunt zeggen’, zegt Bouwer. In de jaren dat Anita ziek was, dronk hij geen druppel. Als hij thuiskwam van kantoor, rond half zeven, was dat voor Bouwer het signaal om te vertrekken. ‘Maar na Anita’s dood kon het hem allemaal nog maar weinig schelen.’

Het voormalige postkantoor aan de Hippolytusbuurt is tegenwoordig een stijlvol ingericht grand café: ’t Postkantoor. Het menu bevat een beknopte geschiedenisles: ‘Een historische plek waar ontelbare telegrammen, brieven en pakketjes verstuurd zijn, bankzaken werden geregeld en concertkaartjes langs het loket gingen. In onze aparte ruimte voor borrels, vergaderingen en diners, die de toepasselijke naam “de postkamer” heeft, werd in vroegere tijden de post gesorteerd.’

Het menu en de naam ten spijt: het is moeilijk je de eerdere incarnatie van het gebouw voor te stellen. Jarenlang sierde een Schoonhoven een van de muren. Totdat het tijdens een renovatie van de muur werd getrokken. Het was een van de allereerste reliëfs die hij maakte. In tegenstelling tot zijn latere werk was het wit noch strak. Het was groot en donker en schots en scheef.

Toen regisseur Sherman de Jesus een jaar of tien terug een documentaire over Schoonhoven maakte, Beambte 18977, vormde de verdwijning en uiteindelijke vondst van het werk een kleine verhaallijn. In het moment waarop Jan Henderikse zich afvraagt waarom het reliëf na de renovatie niet gewoon kon worden teruggehangen waar nu die ordinaire posters hangen, schuilt een even prachtige als pijnlijke wanhoop. Waarom kunst maken als dit het lot is?

Na de val van de Muur had Schoonhoven gezegd: ‘We komen terug’

Iets later in de film zit een korte maar mooie scène die zich afspeelt in de tabakswinkel van het echtpaar Van Renssen, een paar meter van de voordeur van de Schoonhovens. Toos en Bob praten honderduit over Jan. Op initiatief van Toos haalt Bob zelfs de tekening die de twee van Jan hebben gekregen te voorschijn. Toos zegt hoe mooi ze hem vindt, Bob vertelt dat hij het werk heeft leren waarderen.

Ook tien jaar later verschijnt er bij het horen van de naam Schoonhoven een glimlach op het gezicht van de vrouw achter de kassa van de tegenwoordig wat chiquer ingerichte zaak. ‘Het eerste wat ik voor me zie is natuurlijk die houtje-touwtje-jas’, zegt ze. Ze draait zich om en roept luid in het gat van de deur: ‘Ma, iemand voor Jan Schoonhoven!’ Toos verschijnt en begint vrijwel direct te vertellen: over ‘schorre’ Bertus, de eigenaar van het café aan de overkant; over hoe hij, in de perioden wanneer het minder met hem ging, soms drie keer per dag zijn roes ging uitslapen; over hoe Jan zijn was kwam brengen en halen; over de tekening die ze hadden gekregen en die mooi ingelijst aan de muur hangt – de dankbaarheid is oprecht, terwijl ze tot drie keer toe benadrukt dat ze het werk niet mooi vindt. Als Bob, gekleed in een custard-gele Tommy Hilfiger-trui en een grijze bodywarmer de winkel binnenstapt, hoeft hij niet te schakelen om te kunnen invoegen in het gesprek. Hij vertelt over het moment waarop Jan zijn heup brak en hoe hij daarna snel achteruitging, totdat zijn zoon, ‘Japie’, hem naar het verzorgingstehuis bracht.

Medium 2. 20lr hekje 20op 20de 20oude 20delft

In beambte 18977 zegt Truus Peeters Nienhuis, de vrouw van Nul-groeplid Henk Peeters: ‘Jan was Delft zelf eigenlijk.’ En even later: ‘Jan en Delft is één.’ Ze laat de foto’s zien die ze voor Schoonhoven maakte. Deuren en gevels en architectonische details; stukjes straat en stoep die in sommige gevallen in één directe beweging tot een reliëf zouden leiden. Ze fotografeert voor de filmmaker het afgebroken paaltje op de Oude Delft, zoals ze dat jaren eerder ook voor Schoonhoven deed. Waar ooit een stenen paaltje stond, was een schuin aflopend gat achtergebleven. Schoonhoven was naar verluidt zo gecharmeerd van het afgebroken paaltje, dat inderdaad veel weg heeft van een fragment van een van zijn reliëfs, dat hij het af en toe schoon borstelde.

In 1989 maakte Peeters Nienhuis samen met Schoonhoven een boekje van de foto’s die ze op zijn verzoek had gemaakt. Een eerste bibliofiele uitgave heette Het huis vergaat met zijn meester, een tweede, goedkopere versie Enigszins Delft.

Het negatieve stompje is niet meer, het is een tijd geleden vervangen door een gaaf exemplaar. Marga Schoemaker, samensteller van de tentoonstelling Kijk, Jan Schoonhoven in Museum Prinsenhof Delft, zegt dat ze het graag in de collectie had opgenomen en dat de gemeente dat ook wist, maar dat het toch is verdwenen. Ze toont een foto van de volledige Nul-groep bij het paaltje. Schoonhoven heeft voor de verandering een donkergroene regenjas aan. Armando met rode sjaal, Peeters met bolhoed en Henderikse staan over de leegte gebogen. Ze kijken gek genoeg naar iets wat er toen niet meer was, maar ook naar een niets dat nu niet meer bestaat.

Schoemaker vertelt tijdens een wandeling enthousiast over de vele ‘Schoonhovens’ die een getraind oog in Delft kan ontdekken. Ze doelt daarmee niet alleen op de details die Schoonhoven daadwerkelijk inspireerden (soms verscholen als rimpeling in de stenen rand van een middeleeuwse brug) maar ook op de kleine ritmiek die je, als je goed kijkt, haast overal kunt ontdekken.

Als we langs de Maria van Jesse-kerk lopen bedenk ik hoe zoon Jaap in Beambte 18977 vertelt hoe Jan soms op de weg terug van de kroeg even de kapel binnen stommelde voor een babbeltje met Maria van Jesse en hoe hij er, volgens de overlevering, eens indommelde. Toen hij door de koster wakker werd geschud zou hij hebben voorgesteld katholiek te worden, mits hij mocht blijven slapen. Een week of twee eerder had ik met Jaap op een terras gezeten. Hij had verteld hoe het er thuis zo ongeveer aan toe ging en over wat het hart van zijn vader sneller deed kloppen. De Duitse taal, gotiek, het communisme. Over hoe zijn vader in Huyse St. Christoffel na de val van de Muur had gezegd: ‘We komen terug.’ Jaap had verzucht hoe hij zich soms stoorde aan hoe verhalen die nog niet op een halve waarheid berustten een eigen leven waren gaan leiden, aan hoe mensen zich zijn vader een beetje toe-eigenden, hun eigen rol in zijn leven net wat groter maakten dan die in werkelijkheid was geweest; over hoe Jan Henderikse uiteindelijk misschien wel zijn enige echte vriend was geweest. Ik denk terug aan hoe de sigarenboer die middag op samenzweerderige toon had verteld hoe de dokter (‘Dokter Verschuil, als je uit Delft kwam, kende je die naam wel’) hem had verklapt dat er een Jan Schoonhoven-plantsoen zat aan te komen. Ik denk aan hoe, in een volledig andere context, Kees ’t Hart eens schreef: ‘In Delft is alles mogelijk.’


Beeld: (1) Jan Schoonhoven, Litho hekje met diagonalen_, 1987, litho, 50 x 32,5 cm. Foto Hans Roode / Museum Prinsenhof, Delft; (2) Hekje op de Oude Delft, ‘geen kerk of Prinsenhof, maar m’n eigen privéplekjes’ (citaat Jan Schoonhoven), 1988. Foto Truus Nienhuis / Museum Prinsenhof, Delft._