Truman Capote: kampioen faction

Enkele reis Glamourland

Van wonderkind tot opgebrande relnicht — het levensverhaal van Truman Capote is net zo befaamd geworden als zijn meesterwerken ‘Tiffany’s’ en ‘In Cold Blood’. Joost Zwagerman over de kampioen van het faction-genre en het grote Amerikaanse falen.

ZOU ER IN DE twintigste eeuw één Amerikaanse schrijver zijn geweest die meer en heviger op zijn collega’s heeft gescholden dan Truman Capote? Vooral in de nadagen van zijn carrière, toen hij nauwelijks nog tot schrijven kwam en inmiddels in de greep was van drank en tranquillizers, was er geen schrijver veilig voor Capotes scherpe tong. Naarmate zijn literaire kracht afnam verscheen hij meer en meer in talkshows en maakte daar goede sier met snedige en vaak vernietigende oneliners die bij nadere inspectie verrassend ongefundeerd bleken te zijn. Sommige ervan werden klassiek, dat wel, met voorop zijn uithaal naar Jack Kerouac, in de talkshow van Johnny Carson: ‘That’s not writing, it’s typing.’


Zoiets komt áán, al boet de sneer enigszins in aan kracht als blijkt dat Capote van mening was dat bijna ál zijn beroemde tijdgenoten niet aan schrijven, maar aan typen deden. Wat te denken van Saul Bellow? Volgens Capote niets meer dan ‘a nothing writer. (…) Dull, dull!’ Donald Barthelme? ‘The most boring, fraudulent writer.’ William Faulkner? ‘He fell into a sloppy style, over which he had no real control.’ Bernard Malamud? ‘Unreadable.’ Philip Roth? ‘Only more so… forget it.’ John Updike? ‘A writer with a mannered style, not a stylist, because it’s not even his own.’ En dan Joyce Carol Oates. Capote noemt haar ‘the most loathsome creature in America. She’s a joke monster who ought to be behaded in a public auditorium.’


En dat zijn dan nog maar de Amerikanen. Ook in het buitenland hielden zich de kleine talenten op die bij vergissing door de wereld met égards waren onthaald. Er kwamen er niet veel door de ballotage van Truman Capote. Ja, Flaubert, Toergenjev, Isak Dinesen, Graham Greene en nog een handvol anderen. Maar dan hield het ook op. Jorge Luis Borges? ‘A minor writer’, stelde Capote ooit in een interview vast. Albert Camus? Idem dito, ‘very minor’. Capote noemde het een slechte grap dat Camus ooit de Nobelprijs won. Dostojevski? ‘A lousy stylist.’ Virginia Woolf? ‘Fake’, alleen haar dagboeken en literaire kritieken konden ermee door.


Hier, in het ridiculiseren van de boegbeelden van de twintigste eeuw, verspreidt het gescheld van Capote al de geur van het angstzweet van iemand die zijn hand overspeelt. Hij was zó sterk gaan vertrouwen op zijn kracht als vilein causeur dat hij zichzelf begon te overschreeuwen. Intussen was het niet altijd duidelijk of Capote al die schrijvers die hij geen knip voor de neus waard vond ook écht had gelezen. In ieder geval is er na zijn dood openlijk aan getwijfeld of Capote van de schrijver die hij altijd zei te hebben bewonderd, Marcel Proust, daadwerkelijk ooit iets van A la recherche du temps perdu had gelezen, de romancyclus die hij in vele interviews zijn hoogstpersoonlijke maatstaf noemde wanneer hij vertelde over zijn magnum opus in wording Answered Prayers. Alleen die vergelijking al met de Recherche wekte grote verwachtingen, die Capote tot schier olympische hoogten wist op te schroeven door te beweren dat Answered Prayers het finale Amerikaanse antwoord op Proust zou worden. Vermoedelijk heeft hij het zichzelf met die pompeuze aankondigingen onmogelijk gemaakt om aan de roman te werken.


Toen er in 1975 en ’76 dan eindelijk vier hoofdstukken uit de langverbeide roman in Esquire verschenen, overheerste de teleurstelling. Het waren vier vakkundig geschreven verhalen, daar niet van, waarin Capote met vileine pen het doen en laten van de Amerikaanse high society neerzette — maar een Amerikaanse evenknie van A la recherche du temps perdu? Capote heeft altijd volgehouden dat de voorpublicaties maar het topje van de ijsberg vormden; ook mocht hij graag snoeven over de vele versies die hij van zijn magnum opus in de la had liggen, maar in de nalatenschap zijn slechts die vier hoofdstukken gevonden.


Nu hield Capote van bluffen en snoeven en nam hij het vaak niet zo nauw met de waarheid. Maar vóór het debacle rond Answered Prayers kwam hij altijd weg met zijn hele en halve leugens. Zo heeft hij bij herhaling verkondigd dat hij ooit een korte verhouding had met Albert Camus, in Frankrijk zijn editor. Voor dit wapenfeit is nooit enige aanwijzing gevonden, ook niet door Capotes biograaf Gerald Clarke. Maar het verhaal over Camus, van wie alleen heteroseksuele relaties bekend zijn, was zó gedurfd dat de meeste betrokkenen ervan uitgingen dat het wel waar móest zijn. Alleen Gore Vidal nam nog wel eens de moeite om Capotes sterke verhalen te ontzenuwen. Vidal, die Camus goed heeft gekend, noemde Capotes claim op een romance met Camus ‘een van de meer knullige verzinsels van een doorgaans toch inventieve pathologische leugenaar’. Later zou Capote overigens over Vidal beweren dat hij tijdens een diner op het Witte Huis eigenhandig door Robert Kennedy het Huis zou zijn uitgezet, dit na een al te familiaire speech. Die roddel vond Vidal duidelijk minder amusant. Hij sleepte Capote wegens smaad voor de rechter en de zaak Vidal versus Capote zou zich nog jaren voor vele rechtbanken voortslepen.


Truman Capote noemde zich graag America’s greatest living writer, en hij liet niet na zichzelf in interviews omstandig te lauweren en bejubelen. Des te verrassender is het om in het voorwoord van Music for Chameleons (1980), een bundel met reisverhalen, interviews en korte non-fictie impressies, te lezen hoezeer hij in de loop der jaren aan de kracht van zijn werk was gaan twijfelen. Capote weidde in het voorwoord uit over de groeiende onzekerheid die het werken aan Answered Prayers had veroorzaakt: ‘Ik vond dat mijn schrijven te traag werd, dat ik drie bladzijden nodig had om het effect te bereiken dat ik in één enkele alinea zou moeten neerzetten.’ Capote besloot zijn oude werk grondig te herlezen, inclusief de alom erkende meesterwerken Breakfast at Tiffany’s en In Cold Blood. Zijn bevindingen waren tamelijk onthutsend: ‘Ik herlas In Cold Blood en had dezelfde reactie: er waren te veel passages waar ik niet zo goed had geschreven als ik kon, waar ik niet al mijn krachten had gebruikt. Langzaam, maar met steeds groter wordende ontsteltenis, las ik elk woord dat ik ooit had gepubliceerd, en stelde vast dat ik nooit, niet eenmaal in mijn schrijversleven, alle energie en esthetische prikkelingen die het materiaal bevatte volledig had uitgebuit. Zelfs als het goed was, kon ik zien dat ik nooit meer dan de helft, soms slechts met een derde van de krachten die tot mijn beschikking stonden had gewerkt.’


Die conclusie stemde Capote, die toch al in een creatieve impasse verkeerde, bepaald somber. Hij probeerde erachter te komen waarom hij nooit al zijn vermogens volledig had benut en moest tot de conclusie komen dat het de vorm was die hij indertijd had gekozen voor met name In Cold Blood, die hem had verhinderd om alles wat hij van schrijven wist te benutten en exploreren. Maar wie Capotes zelfkritiek nader bekijkt, ontdekt dat hij wel heel gewiekst zijn twijfels etaleert. Door te beweren dat de manco’s van zijn eerdere werk hem op het spoor hebben gebracht van een beter en vollediger gebruik van al zijn talenten, dirigeert Capote de lezer van Music for Chameleons richting één conclusie: alles in dit boek is nóg beter dan wat ik tot nog toe heb gemaakt. Het maakt dit openhartig inkijkje in de getroebleerde schrijversziel en zijn worsteling met de taal, het materiaal, de vorm, het ambacht, tot misschien wel de allerijdelste onthulling die Capote ooit over zijn schrijverschap heeft gedaan.



IJDEL EN ZELFBEWUST, dat was Truman Capote al sinds zijn vroegste jeugd. Verwaarloosd, getraumatiseerd was hij ook — door zijn moeder, de southern belle Lillie Mae Faulk, die hem maar een blok aan haar been vond, zeker nadat ze was gescheiden van haar eerste echtgenoot, Arch Persons. Over de jonge Truman hadden beide ouders zich gedurende hun rampzalige huwelijk nooit werkelijk ontfermd en toen de scheiding een feit was, gebeurde datgene wat de kleine Truman Persons had zien aankomen: zijn moeder stond hem af en stalde hem in een huis van drie oudere ongetrouwde tantes in het gehucht Monroeville. Truman groeide er op en viel alleen al vanwege zijn uiterlijk op in het boerendorp; hij was veel te klein van stuk voor zijn leeftijd en die geringe lengte werd nog eens benadrukt door zijn kogelronde en, naar verhouding, veel te grote hoofd. Hij stak zijn broodmagere kinderlichaampje in puntgave kleding; te midden van de hillbillies profileerde hij zich als een piepjonge, smaakvol geklede dandy.


Overigens stond Lillie Mae hem af nadat ze een hele reeks minnaars had afgewerkt, met wie ze vaak de nacht doorbracht in het directe bijzijn van haar zoontje. Lillie Mae dacht dat hij te jong was om het tumult in mama’s bed op te merken. Maar jaren later zou Truman erover zeggen dat hij zich al die minnaars, rijp en groen, grof en gewiekst, tot in de meest intieme details kon herinneren. Na een aantal jaren trad zijn moeder voor de tweede keer in het huwelijk, met Jack Capote. Zij haalde Truman terug in huis en verhuisde naar New York. Met stiefvader Jack Capote heeft Truman nooit overweg gekund, maar zijn achternaam nam hij direct over; een ideale schrijversnaam, slechts één letter verschil met Capone.


Zo gauw hij de meerderjarige leeftijd had bereikt verliet Truman het ouderlijk huis. Hij vond een baantje als manusje-van-alles bij het toen al legendarische tijdschrift de New Yorker. In die jaren begon hij te werken aan Other Voices, Other Rooms, dat in 1947 juichend werd onthaald.


Other Voices, Other Rooms is diep in het zuiden van de VS gesitueerd en beschrijft het opgroeien van een homoseksuele jongen in een even pittoreske als conservatieve en homofobe wereld. ‘Een waardige opvolger van Faulkner’, noemde de Chicago Tribune hem en de in die tijd gezaghebbende criticus James Gray kwam superlatieven te kort: ‘Capote seemed destined to be one of our century’s bright angels of destructions.’ Vanwege de voor die tijd ongewoon suggestieve foto op het boekomslag verwierf Truman een zekere buitenliteraire bekendheid; de piepjonge Truman, toen drieëntwintig maar met een uitstraling van een faun van zeventien, keek met broeierige ogen in de lens, de handen in het kruis, dweepziek en fataal.


Nadien publiceerde Capote de korte romans The Tree of Night en The Grass Harp, beide even enthousiast onthaald als zijn debuut. Wie die eerste boeken nu terugleest, zal zich vermoedelijk verbazen over die juichkreten van eertijds. Ja, Truman Capote bewees dat hij in staat was tot, zoals dat heet, splendid writing. Maar alledrie de romans hebben geregeld te lijden onder omslachtige mooischrijverij die soms neigt naar bombast, typisch voor wel meer auteurs die over het Amerikaanse diepe zuiden schrijven.



CAPOTES EERSTE ECHTE meesterwerk verscheen in 1958. Het is het kleinood Breakfast at Tiffany’s, het gedempt vertelde verhaal van een eenzame jongen die, groen achter de oren en behept met schrijversambities, een goedkoop huurappartement vindt in downtown Manhattan en zich de buurman weet van de onvergetelijke Holly Golightly (alleen de naam al spreekt boekdelen), de hartveroverende, welbespraakte, brutaal-charmante maar helaas af en toe onnozele femme fatale aan wie de ik-figuur onmiddellijk gehecht raakt.


De ‘ik’ ontmoet Holly aanvankelijk incidenteel en dan ook nog slechts wanneer zij haar sleutel kwijt is en via de brandtrap naar binnen wil, of wanneer zij licht beschonken is en uit balorigheid zijn appartement binnenvalt. Holly Golightly heeft zich in het hoofd gezet een rijke man te vinden. De ik-figuur is rijk noch geslaagd, maar zijn schrijversambities vindt Holly erg amusant. Financieel en seksueel vormt hij voor haar geen partij; de ‘ik’ is straatarm, en hoewel zijn seksuele identiteit in het vage wordt gelaten, maakt Holly een enkele vage toespeling op zijn homoseksualiteit. In ieder geval is er sprake van een intieme kameraadschap tussen de twee, ook in fysiek opzicht: zo geeft de ik-figuur een verlichtende rugmassage. Maar hun camaraderie is gevrijwaard van enige erotische spanning.


Breakfast at Tiffany’s gaat niet slechts over een aspirant-schrijver maar is eveneens, net als bijvoorbeeld The Catcher in the Rye en Titaantjes, typisch zo’n boek dat iedereen met schrijversambities regelmatig blijft herlezen, omdat je er in kort bestek zoveel in terug kunt vinden dat van beslissend belang is voor het vertellen van een goed verhaal: timing, geraffineerde eenvoud, afwisseling van humor en melancholie en een mooi evenwicht tussen schaamteloos romantische effecten en subtiele understatements. Breakfast at Tiffany’s ademt de koorts die je voelt bij het verhuizen van de provincie naar de grote stad. Capote heeft een perfect oor voor de eigengereidheid, de bluf en de quasi-onverschilligheid waarmee een type als Holly Golightly al haar bijdehante meisjeszinnen de wereld in slingert. Dankzij het weergaloze portret van Holly en de onbestemde literaire ambities van de ‘ik’ ademt Tiffany’s een sfeer van ‘Great Expectations’. Het tijdsbeeld-aspect van de novelle is door Norman Mailer — in alle opzichten een aan Capote tegengestelde auteur — vergeleken met het beste werk van F. Scott Fitzgerald.


Na verschijning van Breakfast at Tiffany’s gebeurde er iets zeldzaams; meestal levert een romaneske kroniek boze geluiden op van mensen die zichzelf ten onrechte of op onjuiste manier gekarakteriseerd zien, maar naar aanleiding van Tiffany’s verdrongen sommige jonge vrouwen uit de society zich om te verklaren dat zíj het waren naar wie Holly was gemodelleerd. Capote sprak zich er niet over uit op wie de figuur Holly was geïnspireerd. Het was voor het laatst in zijn carrière dat er enige onduidelijkheid was over de verknoping van feit en fictie, want ná Tiffany’s maakte hij er een literair principe van om zijn werk direct te baseren op een voor iedereen te achterhalen werkelijkheid. Met de ‘non-fictie’-roman In Cold Blood (1966) als voornaamste resultaat ontpopte Capote zich als de grondlegger van ‘faction’, literatuur gebaseerd op controleerbare feiten, en verzameld door middel van journalistieke research.



DE VOORGESCHIEDENIS van In Cold Blood is inmiddels bijna net zo bekend als de roman zelf. Begin jaren zestig las Capote een klein bericht in de New York Times over een moord op het boerengezin Clutter in Kansas. Hij reisde af naar de plek des onheils, geassisteerd door zijn jeugdvriendin en vroegere buurmeisje uit Monroeville, Harper Lee, die later naam zou maken met de roman To Kill a Mockingbird. Capote ging in Monroeville als een journalist te werk, zij het één die geen genoegen nam met de grote lijnen van de moordzaak. Hij verzamelde zo veel materiaal dat hij, behalve de details van een gruwelijke moordzaak, ook een heuse fenomenologie van het Amerikaanse provincialisme kon schetsen.


De daders bleken twee ex-gedetineerden die in de gevangenis hadden gehoord over een verborgen kluis ten huize van de Clutters. Het gerucht over die kluis bleek niet juist, en het gezin Clutter werd uiteindelijk om het leven gebracht zonder dat de daders er een noemenswaardige ‘buit’ aan over hielden. De moordenaars, Dick Hickock en Perry Smith, zijn indertijd uitvoerig door Capote geïnterviewd. Met beiden onderhield hij in de jaren vóór hun executie een intensieve correspondentie. Met name van Smith, een verwarde, vaak goedgelovige maar ook verbitterde meeloper die zich liet inpalmen door de stoere taal van zijn medegevangene Hickock, heeft Capote een scherp snijdend portret geschetst. Gaandeweg de research raakte hij geobsedeerd door deze neurotische, onberekenbare maar in beginsel goedwillende jongen Smith.


Intussen bleef In Cold Blood vele jaren lang in statu nascendi; Capote had geen ontknoping voor zijn verhaal zolang er geen definitief uitsluitsel was gegeven over de uitvoering van het doodvonnis: daadwerkelijke ophanging of een omzetting in levenslang. In de ‘oral biography’ Truman Capote (1998), opgetekend door George Plimpton, herinneren intimi zich Capotes reactie toen hij vernam dat Hickock en Smith daadwerkelijk ter dood zouden worden gebracht. De schrijver Kenneth Tynan vertelt aan Plimpton over een feestje waar Capote verscheen op de dag dat het nieuws over de executie bekend werd: ‘Truman (…) hopped up and down with glee, clapping his hands, saying “I’m beside myself! beside myself with joy!” ’ Aan vrienden had hij gezegd: ‘It can’t be published until they’re executed, so I can’t hardly wait.’ In de Britse krant The Observer verscheen een felle kritiek van diezelfde Tynan. Hij beschuldigde Capote ervan zich te hebben ingezet voor een hoger beroep, zodat de twee moordenaars de doodstraf hadden kunnen ontlopen. ‘Capote got his two million and his heroes got the rope. (…) the author surely realizes this, although within his pages it is stated that $50.000 might have saved them — that only the poor must hang.’


Het was een morbide aanklacht, daar Capote natuurlijk allesbehalve verantwoordelijk was voor het wel en wee van de beide moordenaars. Zijn enige ‘taak’ was het schrijven van het verhaal zoals hem door de betrokkenen, inclusief de moordenaars, was verteld. Bovendien betekende de executie van de twee een dramatische omslag in Capotes leven. Hij woonde de executies bij en is nooit meer hersteld van de schok die hij daar te verwerken kreeg. Later zou Capote erover zeggen: ‘Niemand zal ooit weten wat dat boek me gekost heeft. Het heeft me geraakt tot in het merg van mijn botten en me bijna vermoord. Op een bepaalde manier heeft het me vermoord. Voor ik eraan begon, was ik min of meer een stabiel mens. Daarna is er iets met me gebeurd. Ik kan het niet van me afzetten, vooral het ophangen van de twee niet.’ Maar dat was een overpeinzing die hij pas veel later zou prijsgeven. Eerst was er het immense literaire én commerciële succes van In Cold Blood. Niettemin kon Capote het moeilijk verkroppen dat hij ondanks de juichende kritieken werd gepasseerd voor de Pulitizer Prijs en de National Book Award van dat jaar.



VANAF MIDDEN JAREN zestig liet Capote zich steeds meer fêteren door de allerrijksten van de aarde, onder wie de zuster van Jackie Kennedy. Capote zwelgde in de wereld van de glitterati en omgekeerd werd hij er gevierd als de altijd enerverende causeur. In 1966 gaf hij een groot feest in het Plaza Hotel in New York. Wie er niet voor was uitgenodigd, had grote reden zich zorgen te maken over zijn status. Op de gastenlijst stonden de sjah van Perzië, Oona Chaplin, Frank Sinatra en Mia Farrow, Andy Warhol, Yves Saint Laurent, Candice Bergen en Henry Ford. President Johnson was niet uitgenodigd, want Truman vond het saai als er ook lijfwachten op het feestje zouden moeten zijn. Het feest ging de geschiedenis in als het grootste society-festijn dat ooit in New York heeft plaatsgevonden. Don DeLillo heeft in Underworld een hoofdstuk gewijd aan het spektakel.


En daarna? Daarna schreef Capote geen werk van langere adem meer; en wát hij schreef — portretten, herinneringen, journalistieke fait divers — werd in de regel te licht bevonden in vergelijking met zijn meesterwerken Tiffany’s en In Cold Blood. Capote werd meer fameus om zijn dronkenschap tijdens tv-optredens dan om zijn literaire staat van dienst. Hij werd vaste bezoeker van de legendarische Studio 54, favoriete hang out in de jaren zeventig voor Andy Warhol, Mick Jagger, Liza Minelli en aanverwanten. Intussen herinnerde zijn corpulente gestalte in niets meer aan de bevallige faun die hij ooit was geweest.


In 1975 publiceerde Capote zoals gezegd een eerste verhaal uit het langverwachte Answered Prayers. Hij was direct persona non grata in de kringen van de elite die hij had geportretteerd. Al zijn voormalige society-vrienden lieten hem vallen: toch te weinig klasse, the strange little fag. Toen hij in 1984 overleed, was er slechts een handvol mensen aan zijn graf, van wie er maar eentje destijds het befaamde Black & White Ball had bezocht. Alle anderen wilden ook ná zijn dood niet met hem worden geassocieerd.


Na 1975 boekte Capote nog eenmaal een bescheiden literaire triomf, met een kort verhaal dat naar de vorm ergens zwerft tussen scenario, verhalend proza en journalistieke reportage. ‘Handcarved Coffins’ gaat over acht bizarre moorden waarin slangen die zijn geïnjecteerd met amfetaminen een cruciale rol blijken te spelen. De ondertitel van het verhaal is ‘a Non-Fiction Account of an American Crime’. Op de flaptekst van Music for Chameleons, waarin het verhaal werd opgenomen, werd nog eens benadrukt dat het hier ging om ‘the brutal crimes of a real-life murderer’. ‘Handcarved Coffins’ verscheen onder meer in de Britse Sunday Times dat het verhaal bracht als ‘a true account of a murder in a small American town’. Het leek erop dat de schrijver van In Cold Blood op herhalingsoefening was gegaan en nog eenmaal wilde laten weten wie er ook alweer de kampioen was van het faction-genre. Eén detail echter maakte de zaak gecompliceerd: de moorden waren nooit gepleegd. Truman had wat sterke verhalen vermengd en de rest bij elkaar verzonnen. Niet dat hij daarmee de boel had belazerd — al kon hij zijn neiging tot jokken deze keer natuurlijk prachtig op een literair plan tillen. Capote haalde met dit verhaal een geslaagde literaire grap uit. ‘Handcarved Coffins’ is in plaats van een duplicaat juist een subtiel en speels tegenbeeld van In Cold Blood. Excelleerde Capote met In Cold Blood door met het ‘gereedschap’ van de romanschrijver een waar gebeurde geschiedenis in een literaire vorm te gieten, in ‘Handcarved Coffins’ bracht hij een product van de verbeelding voor het voetlicht in een vorm die bedrieglijk veel op non-fictie leek. In de onopgesmukte stijl van het inmiddels vertrouwd geworden genre van de literaire non-fictie diste Capote een gitzwart sprookje op — faction in travestie.


Voor wie er oog voor heeft stopte Capote talrijke speelse aanwijzingen in de tekst die benadrukken dat het hier om pure fictie gaat. Zo is het begin van ‘Handcarved Coffins’ naar de vorm vrijwel letterlijk ontleend aan de verhalen van Arthur Conan Doyle, bij Capote met de rechercheur Jake Pepper in de rol van Sherlock Holmes en de ik-figuur, ‘Truman Capote’, als aangever Watson. En halverwege ‘Handcarved Coffins’ attendeert ‘TC’ de rechercheur op het boek A Coffin for Dimitrios, een roman uit 1939 van Eric Ambler, waarin een thriller-auteur tegen zijn wil verwikkeld raakt in een ‘echte’ moordzaak. Commentaar van de stoere cop Pepper: ‘Fiction? You really need that junk?’


Ja, blijkbaar. Blijkbaar had Truman Capote die ‘rotzooi’ die fictie heet nodig, misschien wel om zich te ontworstelen aan het genre waarvan hij zichzelf tot grondlegger had verklaard. (Die claim wees overigens uit dat Capote niet beschikte over een groot literair-historisch besef, want vóór hem hadden wel meer schrijvers zich op hetzelfde pad begeven, van Daniel Defoe tot en met George Orwell). Als hoax heeft ‘Handcarved Coffins’ absoluut charme — maar in literair opzicht bleef ook deze novelle helaas achter bij zijn beste werk van vijftien, twintig jaar eerder.



CAPOTES LEVENSVERHAAL en in het bijzonder zijn onttakeling van wonderkind van de Amerikaanse literatuur tot opgebrande relnicht, is in de loop der jaren misschien wel net zo befaamd geworden als zijn meesterwerken Tiffany’s en In Cold Blood. De ironie wil dat deze Werdegang hem in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis tot een mythologische literaire gestalte heeft gemaakt, een Ridder van de Droevige Figuur, in één adem genoemd met Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald, de twee andere great American heroes die na hun aanvankelijke literaire triomfen afstevenden op het Grote Amerikaanse Falen. Hemingway, Scott Fitzgerald en Capote fungeren gedrieën als archetypische gestalten van de glamoureuze poète maudit. Hun roem en aantrekkingskracht berusten paradoxalerwijs voor een belangrijk deel op dit falen, geobsedeerd als het Amerikaanse (lees)publiek is met tragische helden.


Ernstiger voor zijn reputatie is de bijstelling in de literatuurgeschiedenis: niet In Cold Blood maar bij nader inzien Norman Mailers The Executioner’s Song werd beschouwd als de ultieme exploratie van de non-fictie-roman. Capote heeft zich altijd geërgerd aan Mailers non-fictie-proza. Hij vond dat Mailer hem simpelweg had nageaapt. Nog in 1980 schreef Capote: ‘Sommige critici klaagden dat een non-fictie-roman een snelle formule was, een trucje, en dat er niets nieuws was aan wat ik had gedaan. Maar (…) andere schrijvers zagen de waarde van mijn experiment in en maakten er snel zelf gebruik van — Norman Mailer was een van de eersten, en hij heeft er veel geld mee verdiend en veel prijzen mee gewonnen (…), hoewel hij altijd angstvallig heeft vermeden zijn boeken non-fictie-romans te noemen. Het doet er niet toe (…); het doet me deugd dat ik hem van dienst ben geweest.’


De waarheid steekt iets anders in elkaar. Ja, Capote heeft met In Cold Blood de non-fictie-roman als conventioneel genre op de kaart gezet. Maar Mailer combineerde in The Executioner’s Song het genre met literaire technieken die geënt zijn op het modernisme. De twee non-fictie-romans verhouden zich tot elkaar als Zola’s Nana tot Flauberts Madame Bovary — de één de verdiensten van het naturalisme bevestigend, de ander de opmaat voor het modernistische tijdvak.


De meest recente aantasting van Capotes staat van dienst stamt uit 1998. Elizabeth Hardwick verdiepte zich in een lang en hardvochtig essay in The New York Review of Books (het stuk is inmiddels opgenomen in haar essaybundel American Fictions) in de overeenkomsten tussen Breakfast at Tiffany’s en Christopher Isherwoods Goodbye to Berlin (1939). Nu had Capote er nooit een geheim van gemaakt dat hij zich had laten inspireren door Isherwoods puntgave roman over Sally Bowles en haar kring van bewonderaars. Maar Hardwick stelde vast dat Holly Golightly in een aantal opzichten wel erg nadrukkelijk is gemodelleerd naar de flamboyante Sally. Voor Hardwick zijn die overeenkomsten — óók naar de stijl; óók op zinsniveau — zó dominant dat Tiffany’s volgens haar eigenlijk niet meer is dan een ‘transatlantische herschikking’ van Goodbye to Berlin. Het p-woord neemt Elizabeth Hardwick niet in de mond, maar haar conclusie is tamelijk wreed voor de schrijver van Tiffany’s: ‘Perhaps we can think of it in musical terms: Variations on a theme by Haydn. Something like that.’ Capote zelf had het, indien het een andere schrijver had betroffen, niet vileiner kunnen zeggen.


Ter verdediging van Capote kun je aanvoeren dat Isherwood zélf nooit aanstoot heeft genomen aan Capotes ‘herschikking’. Sterker nog: Isherwood behoorde tot de weinigen die zich in latere jaren niet van Capote hadden afgekeerd. Isherwood was aanwezig op Capotes begrafenis en hield er een ultrakorte toespraak. Hij benadrukte dat Truman altijd uitstekend gezelschap was geweest. ‘There was one wonderful thing about Truman. He always made me laugh’, besloot Isherwood. Hierna begon hij aan de rand van het graf daadwerkelijk te lachen, keek het gezelschap rond en ging vervolgens zitten.


Volgens een andere aanwezige, de auteur John Gregory Dunne, was Isherwoods saluut aan zijn collega ‘perfectly graceful and gracious’. Anderen die aan het woord komen in Plimptons oral biography, zijn het daar niet mee eens. Zij spreken schande van Isherwoods amicale lach-aan-het-graf. Bij zijn leven zou Capote vrijwel zeker veel plezier hebben gehad over die heilige verontwaardiging. En hoe zou Capote, even terug van gene zijde, hebben geoordeeld over de stijgende waardering voor The Executioner’s Song en de hardvochtige ontrafeling door Elisabeth Hardwick? Misschien wel in de gevleugelde woorden van zijn hartveroverende personage, het brutale doch bedroefde zondagsmeisje Holly Golightly: ‘It’s so much merde!’