Nederlandse jongeren steunen hun broeders

Enkeltje Den Haag-Syrië

19 juni 2013 - Het conflict in Syrië oefent aantrekkingskracht uit op radicaliserende moslimjongeren. Zoals op Jordi de Jong uit Delft, die zich ging mengen in de strijd. Opvallend is dat de meeste jihadreizigers uit de omgeving van Den Haag komen.

Medium anp 234623102222

Jordi de Jong, een negentienjarige islamitische bekeerling uit Delft, heeft dit jaar een aardig woordje Arabisch leren spreken. Het Syrisch-Arabisch idioom om precies te zijn. ‘Het klinkt apart’, zegt hij over het Syrisch dialect. ‘Het is heel zangerig.’ Hij leerde de taal ter plaatse, tijdens een tweeënhalve maand durend verblijf in het Syrisch-Turks grensgebied Bab al-Hawa. Daar arriveerde hij op 17 februari, samen met een vriend uit Delft. Een kleine maand later werd Jordi in Nederland landelijk nieuws als de jonge bekeerling die in Syrië als jihadist de gewapende strijd voert tegen Bashar al-Assad. Hij zou bovendien geronseld zijn. ‘Ik weet eerlijk gezegd niet of je wat ik in Syrië gedaan heb jihad kan noemen’, zegt Jordi. ‘Ik ken wel mensen uit Nederland die in Syrië voor de fysieke strijd hebben gekozen, maar niemand heeft mij wat verplicht of opgedragen. Vechten, bommen, dat soort dingen is niets voor mij.’ Jordi heeft altijd al mensen in nood willen helpen, vertelt hij. Vroeger droomde hij ervan humanitair werk te verrichten in hulpbehoeftige landen als Brazilië en Cambodja. Hij wilde met de kerk naar Afrikaanse landen waar honger en droogte heerst. ‘Maar ja, nu ben ik moslim. Dit was dus een mooie kans voor mij om naar Syrië te gaan.’

Rond de kerstdagen van 2012 vertrokken enkele Nederlandse moslimjongeren uit Den Haag naar Syrië. Zij legden vervolgens achtergebleven vrienden in Nederland uit hoe ze zich bij hen in Syrië konden aansluiten. Zo werd de ‘Syrië-route’ geboren. Op 23 januari werd Jordi eerst nog vader van een zoontje, Moussa. Drie weken later vertrok hij uit Nederland. Via Haagse en Delftse contacten wist Jordi per vliegtuig (Düsseldorf-Istanbul) en vervolgens over land de grensstreek Bab al-Hawa te bereiken. Daar kon hij zich eindelijk aan zijn verlangde taak zetten om de slachtoffers van het Syrische oorlogsgeweld te helpen.

Sommige Nederlandse moslimjongeren die hij daar ontmoette hadden hun Nederlandse paspoort verbrand, als definitief vaarwel, en mengden zich in de gewapende strijd. Jordi heeft naar eigen zeggen alleen humanitaire hulp verleend. ‘Ik heb dekens uitgedeeld in vluchtelingenkampen. Ik heb vrachtwagens met hulpgoederen uitgeladen. Ik heb medicijnen naar ziekenhuizen gebracht. Ik heb kinderen zonder armen en benen geholpen en ze moed ingesproken omdat ze geen ouders meer hebben die dat doen.’

Hij verbleef in een kamp van een rebellengroepering die hij niet met name wil noemen. Volgens berichtgeving is Bab al-Hawa in handen van de Farouq Brigade, een goed bewapende divisie van het Vrije Syrische Leger. Ze worden omschreven als ‘gematigd islamistisch’. Jordi voelde zich veilig in het kamp. Op de rondes in de vrachtwagen langs vluchtelingenkampen en ziekenhuizen werd hij altijd vergezeld door gewapende rebellen. Syrische burgers waren hem – een bekeerling met weinig kennis van het Arabisch – erg dankbaar voor zijn hulp. Tegen het eind van zijn verblijf werd hij ziek, een voedselvergiftiging, en verloor zeventien kilo gewicht. Enkele weken voordat zijn Turkse visum van negentig dagen zou verlopen, besloot hij dat het genoeg was geweest. Hij vloog van Istanbul naar Düsseldorf en keerde per trein terug naar Nederland. ‘Ik ben blij dat ik het heb kunnen ervaren en dat ik iets heb kunnen betekenen voor de bevolking’, zegt Jordi over zijn tijd in Syrië.

Het enige wat hem dwars zit is wat er tijdens zijn afwezigheid in Nederland is gebeurd. Hij doelt op de mediaophef die zijn familie overviel. ‘De media hebben mij en mijn gezin in gevaar gebracht. Mijn vrouw is echt door een hel gegaan. Media hebben mij een jihadist en een extremist genoemd. Hoe ga ik nu een baan vinden? Het is gewoon omdat ik moslim ben en een baard heb.’

Op 13 maart schaalde de aivd de terreurdreiging in Nederland op naar de op één na hoogste alarmfase: ‘substantieel’. In de eerste drie maanden van dit jaar werd steeds duidelijker dat een grote groep (circa honderd) Nederlandse moslims naar het Syrische burgerconflict was afgereisd. Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (nctv) Dick Schoof sprak zijn zorg uit dat teruggekeerde Syrië-gangers met vechtervaring een gevaar zouden kunnen vormen voor de nationale veiligheid. Diplomatiek, maar met een wrevelige ondertoon, werd door de nctv vastgesteld dat dit honderdtal moslimjongeren naar oorlogshaarden kon afreizen omdat ‘de aandacht van politiek, bestuur en samenleving voor de gevaren van radicalisering in de afgelopen jaren is afgenomen’. Men had volgens de nctv hierdoor in het afgelopen jaar de signalen gemist die duidden op toegenomen jihadistische radicalisering van kleine groepen jongeren in Nederland.

Met name Den Haag, Delft en Zoetermeer werden overvallen door het bericht dat tientallen jongeren uit hun midden vatbaar bleken voor het jihadistisch discours en daar gevolg aan gaven door naar Syrië te reizen. Tekenend was de reactie van Bas Verkerk, burgemeester van Delft, die tegenover Omroep West verklaarde ‘volkomen verrast’ te zijn door de berichten dat moslimjongeren uit de Delftse wijk Buitenhof in Syrië zaten. Hij zei ook geen idee te hebben wie de jongens waren en hoe groot de groep was. ‘Bewoners uit de wijk voelen kennelijk geen vertrouwen om die informatie (over Syrië-gangers – hb) met ons te delen.’

Ook opmerkelijk was het feit dat Amsterdam ontbrak in het rijtje steden met Syrië-gangers. De aantrekkingskracht die het conflict uitoefent op sommige Nederlandse moslimjongeren lijkt het sterkst in Zuid-Hollandse steden.

‘Voorzover ik weet zitten er inderdaad nauwelijks Amsterdammers in Syrië’, zegt Abdullah West (27), een Amsterdamse bekeerling die is aangesloten bij groeperingen als Straat Dawah en Behind Bars. Beide organisaties werden in het laatste jaarverslag van de aivd omschreven als ‘radicale islamistische bewegingen’. Ze speelden volgens de aivd een belangrijke faciliterende en ideologische rol in de gang van jongeren naar Syrië. ‘Het heeft er denk ik mee te maken dat in Amsterdam weinig moslims zijn die onze geloofsleer aanhangen. In andere steden heb je daar meer van. We zijn in Amsterdam wat voorzichtiger. Vroeger had je hier nog de El Tawheed-moskee. Een paar jaar terug hielden ze nog conferenties, je had er elke week lezingen. Maar nu zijn ze mild geworden. Er gebeurt niets meer.’

Tussen 2007 en 2011 voerde de Nederlandse overheid een actief landelijk antiradicaliserings- en antipolarisatiebeleid. Daar is in totaal 28 miljoen euro in omgegaan. De bulk van dit budget ging naar de gemeente Amsterdam (zie kader). Steden als Delft en Zoetermeer participeerden hier nauwelijks in. Dat verklaart voor een deel waarom deze twee steden niet alert waren op radicaal islamistische tendensen die al zeker een jaar speelden binnen hun stadsgrenzen.

Maar hoe zit het met Den Haag? Ook deze stad heeft net als Amsterdam eerder te maken gehad met jihadistisch extremisme (Hofstadgroep). En ook hier is net als in Amsterdam een duidelijk antiradicaliserings- en antipolarisatiebeleid gevoerd. Toch konden moslimjongeren in Den Haag een cruciale rol spelen in de propaganda voor de jihad in Syrië. Zij wezen anderen de weg, letterlijk en ideologisch. Den Haag is tevens de thuisbasis van Straat Dawah en Behind Bars, waarvan een grote afvaardiging op het moment in Syrië zit. Hoe komt het dat Den Haag zo’n leidende rol speelt in het radicaal islamistische milieu in Nederland? Het antwoord: de langdurige en diepgaande invloed van de salafistische As-Soennah-moskee en haar vroegere imam, de Syriër Fawaz Jneid.

‘Heel veel jongeren van Straat Dawah en Behind Bars kennen elkaar van moskee As-Soennah’, zegt Abdullah West. ‘We hebben daar lezingen gevolgd, we hebben elkaar daar opgezocht en zijn vrienden geworden.’

De aantrekkingskracht van de As-Soennah-moskee dateert van meer dan tien jaar terug. Moslims uit heel Nederland reisden voor het vrijdaggebed naar deze moskee in de Haagse Schilderswijk omdat er een charismatische imam zou prediken: Fawaz Jneid. Zeker na 9/11 groeide zijn populariteit bij een grote groep moslimjongeren. Hij sprak niet alleen over theologische zaken maar ook over binnen- en buitenlandse politiek, zoals het lijden van het Palestijnse volk en over de toenemende islamofobie in Nederland. Berucht is zijn vervloeking van Theo van Gogh twee maanden voordat de Amsterdamse filmmaker werd vermoord door Mohammed Bouyeri, een bezoeker van de As-Soennah-moskee. Voor moslimjongeren die zich gemarginaliseerd voelden, waren de felle aanklachten en tirades van Fawaz Jneid een welkom geluid. Invloedrijk was ook de jongerenorganisatie die gelieerd was aan de As-Soennah-moskee, Al Yaqeen. Op hun website (alyaqeen.nl) waren ze net zo antagonistisch als hun imam Jneid en maakten daar onder meer de rechtse Rotterdamse politicus Marco Pastors uit voor nsb’er, ze trapten er na naar Theo van Gogh (‘mislukte cineast’), en islamcriticus Afshin Ellian werd op de site een ‘eng vies mannetje’ genoemd.

Abdullah West zegt dat na de muilkorving van de radicale Amsterdamse El Tawheed-moskee alleen nog de As-Soennah-moskee overbleef die zich onbevreesd in het maatschappelijk debat durfde te mengen. Hij ontmoette er de jongens, grotendeels Hagenezen uit de Schilderswijk, met wie hij later Straat Dawah en Behind Bars zou formeren. Ze konden er vrijuit spreken. Totdat ook deze moskee onder publieke en politieke druk begon te bezwijken.

‘Ze hebben poedels van ze gemaakt’, zegt West over het moskeebestuur. De verandering trad in rond 2008. ‘Opeens zeiden ze tegen ons dat we niet meer in groepjes in de moskee mochten gaan zitten om te praten over politiek, jihad en de situatie van de moslimgemeenschap. En we kregen te maken met aivd’ers in de moskee die openlijk tegen ons zeiden dat ze ons in de gaten hielden. We zijn er toen uitgegooid door het bestuur. Ze waren bang dat we hun verder in een kwaad daglicht zouden stellen.’

Ook Fawaz Jneid verloor veel van zijn glans voor West en zijn vrienden. Predikte hij vroeger nog dat democratie een dwaalleer is en stemmen een zonde, een paar jaar later maakte hij een radicale draai en riep moslims op massaal te gaan stemmen. Een zelfde omslag maakte de moskee door zich voortaan verre te houden van al te nadrukkelijke stellingname in het maatschappelijk debat. De breuk tussen de moskee, de imam en jongeren als Abdullah West is het duidelijkst te merken op internet, waar filmpjes verschijnen die Fawaz Jneids hypocrisie aan de kaak stellen.

‘We hebben een plek voor onszelf gecreëerd in Den Haag’, zegt West. In een bedrijfspand aan de Meppelweg 440 vonden ze een thuis waar ze vrijuit hun interpretatie van het geloof konden beleven. De informele leider van de groep was de Haagse ‘Abou Moussa’, echte naam Azzedine Choukoud. Tegen hem is door enkele ouders van Syrië-gangers uit Den Haag aangifte gedaan bij de politie wegens ronseling. Hij zou hun zonen gehersenspoeld hebben. West zegt dat Abou Moussa niemand geronseld heeft. Die verdenking tegen Abou Moussa is ontstaan doordat hij de onofficiële titel van ‘emir’ (leider) binnen de groep had. Hij werd beschouwd als degene met de meeste islamitische kennis. Op flyers voor lezingen die werden gehouden in het pand aan de Meppelweg werd Abou Moussa vaak aangekondigd als de belangrijkste spreker. Een van zijn lezingen had als titel ‘Democratie is een religie’. Vanaf de Meppelweg werd in september vorig jaar de demonstratie tegen de film Innocence of Muslims georganiseerd. Met aanhang reisden de jongens naar Amsterdam en wapperden er met zwarte vlaggen die een belangrijke rol spelen in de jihadistische traditie. Ook scandeerden ze leuzen als ‘Obama, Obama, wij zijn allemaal Osama (bin Laden)’.

Aan de Meppelweg 440 vinden, vooral in de tweede helft van 2012, veel lezingen en ontmoetingen plaats. De Haagse scene wordt een belangrijk referentiepunt voor radicaal islamistische jongeren. Bestaande contacten met jongeren uit bijvoorbeeld Zoetermeer en Delft worden in die periode geïntensiveerd. Ook worden vanaf de Meppelweg nauwere banden gesmeed met de Al Qibla-moskee in Zoetermeer. Daar worden door ene Abu Bashir lezingen gegeven over de ‘shirk’ (afgoderij) van democratie. Deze Abu Bashir is ook prominent aanwezig op de demonstraties die Behind Bars en Straat Dawah organiseren. Over Abu Bashir wordt later beweerd (onder meer in NRC Handelsblad) dat hij jongeren in de Al Qibla-moskee aanspoorde om de jihad in Syrië te vechten. ‘Ik ben nooit bij die lezingen in de Al Qibla-moskee geweest’, zegt Abdullah West. ‘Ik bleef altijd in ons pand aan de Meppelweg om het open te houden, terwijl de andere jongens in Zoetermeer zaten.’ Een andere regelmatige bezoeker van de Al Qibla-moskee was Mourad Massali. Inmiddels was hij goed bevriend geraakt met Jordi de Jong. Massali stond zelfs ingeschreven op het huisadres van Jordi.

Jordi was vroeger een muzikale jongen met ambities om het te maken in de wereld van entertainment. Als kind speelde hij mee in schoolmusicals en vier jaar geleden beproefde hij nog zijn geluk in de talentenshow X-Factor, waar hij de eerste twee auditierondes doorkwam met r als Baby Are You Down van Jay Sean. Een vroegere vriendin van Jordi, Ramona Wolf, vertelt dat ze Jordi kende als een open en vrolijke jongen die liever met haar ging winkelen dan dat hij met andere jongens omging. Op zijn zestiende nam Jordi zijn intrek in een opvanghuis in Den Haag. Naar eigen zeggen vrijwillig. Volgens Ramona gebeurde het als gevolg van spanningen tussen Jordi en zijn moeder. Ramona is er nooit diep op ingegaan, Jordi liet ook zelden blijken dat het verblijf in een opvanghuis hem aangreep. Uit zijn Twitter-feed (@Alajordi) en foto’s uit die tijd komt een opgewekte jongen naar voren die nog in mei 2011 wereldkundig maakt dat hij een paar biertjes aan het drinken is.

Rond diezelfde tijd krijgt hij weer contact met een islamitische klasgenote – zijn latere vrouw – en bekeert zich tot de islam. Hij wordt geleidelijk orthodoxer. Tijdens een vakantietripje in de zomer van 2011 vertelt hij Ramona en andere meegereisde vrienden dat hij geen alcohol meer mag drinken en geen varkensvlees meer mag eten. Eind 2011 krijgt Jordi een woning toegewezen in de wijk Buitenhof in Delft en raakt daar bevriend met Mourad Massali. ‘Mijn vriend zag Jordi daarna nog een keer op straat in Delft’, zegt Ramona. ‘Jordi had opeens een jurk aan en hij had een grote baard. En naast hem liep een meisje in een boerka. Mijn vriend deed net alsof hij ’m niet zag.’

In 2011/2012 zit Jordi op het Zadkine, een mbo in Rotterdam, waar hij de opleiding sociaal maatschappelijke dienstverlening volgt. Het is al weer zijn vijfde opleiding, nadat hij eerder al vier andere opleidingen voortijdig heeft afgebroken. ‘Jordi vertelde mij dat hij met mensen van Sharia4Holland omging’, zegt Maico Vergara, een oud-klasgenoot van Jordi. ‘Ik zag hem veranderen. Opeens stopte hij met muziek luisteren. Tegen het eind begon hij ook in een djellaba naar school te komen.’

Na de zomer van 2012 keert Jordi niet meer terug op het Zadkine. In een tijdsbestek van anderhalf jaar sinds zijn bekering is hij getrouwd, is zijn vrouw zwanger en is hij samen met een Delftse vriend op bedevaart in Mekka geweest. Kort voor zijn vertrek naar Syrië geeft hij op straat een kort interview aan een cameraploeg van Hizb-u-Tahrir, een islamistische beweging die ijvert voor de terugkeer van het kalifaat. Jordi antwoordt op de vraag wat hij vindt van de roep om een kalifaat: ‘Als een goede toekomst, waar we met z’n allen kunnen leven onder een islamitische staat, incha’ allah.’

‘Hier heb ik Mourad Massali een keer een diep gesprek horen voeren met een politieagent’, zegt het Delftse raadslid (pvda) Abdel Maanaoui. Hij staat voor het portiek van een flatgebouw in de Delftse wijk Buitenhof. In deze flat woonde een handvol Delftse Syrië-gangers, onder wie de broers Mourad en Choukri Massali, die enkele maanden geleden omkwamen tijdens een gevecht in Syrië. ‘Mourad vroeg de agent waar hij nou precies voor leefde’, zegt Maanaoui. ‘Of de agent wel nadacht over een hiernamaals. Mourad was heel rustig, beschaafd.’

Maanaoui kent de wijk Buitenhof goed. Hij woont er zelf, aan de ‘goede’ kant van de weg, in een prijzige koopwoning. In het plaatselijke buurtcentrum The Culture vraagt Maanaoui aan een jongerenwerker of hij nog wat gehoord heeft over jongens uit Syrië. De jongerenwerker knikt naar een voetbalveldje waar een groepje jongens een potje speelt. ‘Ik zie die Antilliaanse jongen daar vaak sms’en met zijn broer die ook in Syrië zit, maar verder…’ Plotseling schiet hem iets te binnen: ‘O ja, ik hoorde dat er een tweede jongen terug is uit Syrië, naast Jordi. Gaat om een Koerdische jongen. Jaartje of 26 oud.’ De jongerenwerker en Maanaoui bespreken wat er van zo’n jongen moet worden. ‘Die wordt vast in de gaten gehouden door de aivd’, zegt Maanaoui. ‘Ik hoop in ieder geval dat hij psychosociale hulp aangeboden krijgt’, zegt de jongerenwerker. ‘Je weet maar nooit met wat voor trauma’s hij is teruggekeerd.’

Toen in maart bekend werd dat uit Delft ongeveer twintig jongeren naar Syrië waren afgereisd, riep Maanaoui een groot aantal vaders bij elkaar in de plaatselijke moskee Al Ansaar. Hij wilde de gebeurtenissen met hen bespreken en nagaan hoe het kon gebeuren dat zoveel jongeren konden verdwijnen zonder dat iemand dat in de gaten leek te hebben. ‘Je gaat puzzelen. Iedereen vertelt wat hij weet’, zegt Maanaoui. Aan de hand van wat de vaders hem vertelden kon hij het beeld schetsen van een groep jongens die bestond uit een sterk ideologisch gedreven en radicale kern en een kleine aanhang daaromheen van makkelijk beïnvloedbare jongens. De spil in dit groepje was Choukri Massali, tevens de oudste van allemaal. Hij en zijn broer Mourad zouden een sterke invloed hebben uitgeoefend op buurtgenoten.

‘Ik ken Choukri’, zegt Maanaoui. ‘Zes jaar geleden organiseerde ik in Delft een debat voor Marokkanen. Hij was ook aanwezig. Hij was heel fel en gefrustreerd. Hij riep dat hij nergens een baan kon vinden. Hij had geen andere keuze dan in de criminaliteit te gaan. Ik schrok er erg van. Volgens mij is hij daarna een tijdje inderdaad het slechte pad op gegaan. Daarna werd hij religieus, maar hij bleef gefrustreerd.’

Maanaoui’s vader is bestuurder in de Al Ansaar-moskee en vertelde dat hij twee jaar geleden een aanvaring had met Choukri. Tegen de huisregels van de moskee in vormde Choukri een groepje om zich heen in de gebedsruimte en besprak er religieuze zaken. Dat is een recht dat alleen aan de imam van de moskee is voorbehouden. Toen Maanaoui’s vader Choukri hierop aansprak, liep die boos de moskee uit en is nooit meer teruggekomen. ‘Choukri heeft toen tegen een buurtwerker gezegd dat hij mijn vader iets had aangedaan als hij niet zo oud was geweest’, zegt Maanaoui.

Choukri is volgens Maanaoui daarna de Turkse Sultan Ahmet-moskee gaan bezoeken. In de buurt profileerde hij zich steeds meer als een religieuze autoriteit. Toen een twintigjarige Delftenaar in 2010 omkwam bij een worsteling tijdens een inbraak ruilden enkele buurtgenoten het criminele leven in voor religie en kwamen onder de invloed van Choukri en Mourad.

‘Ze kwamen bijna nooit in onze moskee’, zegt Maanaoui. Dat ze vaak lezingen bezochten in Den Haag is Maanaoui niet bekend. Straat Dawah en Behind Bars zeggen hem ook niets. Maanaoui noch andere oudere Delftse moslims wisten dat deze jongens lezingen van Abu Bashir in de Zoetermeerse Al Qibla-moskee bezochten. Daarbij: ouders van jongens die vroeger in de criminaliteit zaten waren al lang blij dat hun zonen hun aandacht hadden verlegd naar religie. Was er dan niemand die hun zelfverkozen religieuze isolement zorgwekkend vond?

‘Burgemeester Bas Verkerk verklaarde dat hij verrast is en dat bewoners uit deze wijk geen informatie met hem willen delen, maar dat klopt niet’, zegt Maanaoui. ‘Ik heb denk ik iets meer dan een jaar geleden een telefonisch gesprek met hem gehad. Toen heb ik hem verteld dat moslimjongeren uit Buitenwijk zich buitengesloten voelen door stigmatisering en werkloosheid. Ik heb toen gezegd dat er gevaar voor radicalisering bestaat. Wat Verkerk ook had moeten alarmeren is dat de Turkse Sultan Ahmet-moskee waar Choukri en zijn groep kwamen een keer de politie heeft gebeld en ze over dit clubje heeft ingelicht.’

Volgens Maanaoui doet het jarenlange gemis van een serieus antiradicaliserings- en antipolarisatiebeleid in Delft zich nu des te pijnlijker gelden. Uit zijn jaszak haalt hij een motie die hij binnenkort gaat indienen in de gemeenteraad. Daarin vraagt hij om breed beleid dat de sociaal-economische positie van Delftse moslimjongeren moet verbeteren. In dit pakket moet ook antiradicaliserings- en antipolarisatiebeleid opgenomen worden. ‘Eigenlijk komt het veel te laat’, zegt Maanaoui en bergt het papiertje weer op.

Jordi de Jong verstopt zich op het moment op een onbekend adres in Rotterdam omdat hij naar eigen zeggen niet meer kan terugkeren naar zijn woning in Delft. Buurtbewoners hebben racistische leuzen gescandeerd voor zijn deur en er is acht keer geprobeerd in te breken, vertelt hij. ‘De Kinderbescherming is een procedure gestart om mijn zoon van mij af te nemen. Ze zijn bang dat ik hem naar Syrië ga ontvoeren.’

Hij heeft zijn baard afgeschoren om geen aandacht te trekken en hij draagt moderne kleren van voor zijn bekering. Op zijn onderduikadres voelt hij zich niet veilig omdat hij steeds het gevoel heeft dat hij in de gaten gehouden wordt. Als er een auto voor de deur stopt, schrikt hij en denkt hij dat het iemand van de politie is die hem komt ophalen voor verhoor. ‘Ik wil mijn leven weer oppakken’, zegt hij. ‘Ik weet dat ik dingen verkloot heb en mensen in moeilijkheden heb gebracht maar ik wil het goedmaken. Ik wil weer naar school gaan en later een eigen zaakje openen.’

Hij heeft niets verkeerds gedaan, vindt hij. Laat de politie en media achter echte terroristen aan gaan. Uiteindelijk komt hij terug op zijn eerdere uitspraak dat hij blij is dat hij in Syrië is geweest en iets voor de bevolking heeft kunnen betekenen: ‘Ik heb schuldgevoelens over hoe het er hier allemaal aan toe ging. Als ik dat van tevoren had geweten was ik niet gegaan.’


Deradicalisering Amsterdam

Twee weken na de moord op Theo van Gogh in 2004 kwam de gemeente Amsterdam met een plan – ‘Wij Amsterdammers’ – om radicalisering van individuen en polarisatie tussen bevolkingsgroepen tegen te gaan. In de praktijk kwam het vaak neer op een integratiebeleid in overdrive – interreligieuze dialogen, antidiscriminatieprojecten, buurtbarbecues. Ook werd er een ‘Informatiehuishouding (IHH)’ in Amsterdam opgericht waar ambtenaren, wijkagenten en jeugdwerkers terecht konden als ze radicalisering van individuen signaleerden. De IHH bood ook cursussen aan om radicalisering te leren herkennen. Voor alle projecten werd jaarlijks een budget van 2,5 miljoen euro vrijgemaakt. Amsterdam pionierde hierin en werd een voorbeeld voor andere steden. Critici van dit beleid, zoals de politicologen Floris Vermeulen en Frank Bovenkerk, stellen dat het weggegooid geld is omdat niet te meten is in hoeverre het gevaarlijk radicalisme tegengaat. Verdedigers van dit beleid zijn onder anderen politicoloog Amy-Jane Gielen en jongerenwerker Roemer van Oordt. Van Gielen evalueerde veel antiradicaliserings- en antipolarisatieprojecten en concludeerde dat deze projecten in ieder geval de voedingsbodem voor radicalisering kunnen verminderen. Van Oordt, die in het kader van ‘Wij Amsterdammers’ debatten in buurthuizen en moskeeën organiseerde, denkt dat dankzij dit beleid Amsterdam een stevige informatiehuishouding op poten kon zetten. Daar plukken ze nu de vruchten van: ‘In kleine steden hebben ze hier niets aan gedaan. Wat in Delft is gebeurd, waar zoveel jongens ongemerkt konden radicaliseren en naar Syrië afreizen, was in Amsterdam onmogelijk geweest.’


Beeld: 21 mei 2013. Wilders bezoekt de zogenaamde shariadriehoek in de Haagse Schilderswijk. Bewoners na afloop van het bezoek, midden in beeld Abou Moussa

Update 7 januari 2015: de naam van de jongerenwerker is uit dit artikel verwijderd