DIS

Ephimenco

Dat in de 23 jaar van mijn verblijf in Nederland de aandacht voor de vraagstukken uit de Tweede Wereldoorlog langzaam is gaan afnemen, is logisch. Naarmate de dragers van het collectieve geheugen schaarser worden, vervaagt de herinnering. In vergelijking met de jaren zeventig en tachtig worden nu veel minder boeken en films gemaakt over de bezetting. Niet zozeer omdat de bron zou zijn uitgeput, als wel omdat een publiek hiervoor bijna niet meer is te vinden. In de leeftijdscategorie twintig tot veertig jaar zit men liever uren achter elkaar in de elektronische en virtuele beweeglijkheid van het net dan in de statische feitelijkheid van zwart/wit plaatjes uit de hongerwinter. Leed en verdriet, wrok en frustraties krijgen een andere consistentie als ze niet meer mondeling worden beleefd maar in statistiek- en geschiedenisboeken worden opgeslagen. Daarbij komt dat de traditionele belevenis van de oorlog aanzienlijk is bijgesteld. Het «slachtofferisme» van de natie in haar geheel, de gemanipuleerde kijk op de gebeurtenissen, heeft een knauw gekregen. Of om met Beatrix in haar kersttoespraak van 1994 te spreken: «Het scherpe beeld van goed en fout dat nu zo dikwijls ons oordeel over de oorlog bepaalt, berust op wijsheid achteraf». Sommige «slachtoffers» werden abrupt wakker in het vel van halve daders. Vanuit de joodse gemeenschap klonken eindelijk stemmen op die om rekenschap vroegen. Terugbetaling van geroofde goederen, erkenning van de slechte behandeling en het antisemitisme die overlevenden na hun terugkeer wachtten, werden op de agenda gezet. Toch is er een punt waarin weinig verandering heeft plaatsgevonden. Voor de oud-Indi ëgangers lijkt de oorlog niet voorbij te willen gaan. Naar aanleiding van het bezoek van de Japanse keizer Akihito heb ik me hierover verbaasd en met tal van Nederlanders vond ik dat de tijd was gekomen om de demonstraties te staken en de borden op te bergen. Ik kreeg een paar brieven waarin mij, maar ook «de overheden in Nederland en met hen vele anderen in Nederland» werd verweten het gevoel van de slachtoffers niet «op de juiste wijze te kunnen peilen.» Het klopt. Nooit zal ik in staat zijn me een goede voorstelling te maken van wat men in die verschrikkelijke kampen heeft doorgemaakt. Ik kan bijvoorbeeld ook niet de woede van Opheffer in zijn column van vorige week begrijpen wanneer hij Adriaan van Dis verwijt met Akihito aan dezelfde tafel te hebben gezeten. Dat Opheffer, wiens ouders in een kamp hebben geleden, niet met de Japanse keizer zou willen eten, is zijn goed recht en zijn keus. Hoewel Akihito, zoals Opheffer schrijft, niet de man kan zijn die zijn ouders «eten heeft onthouden». Maar waarom Van Dis typeren als een «snob die zijn ouders verraadt»? Waarom mag de schrijver niet zijn eigen houding bepalen en waarom zou hij zich tot aan zijn dood niet mogen emanciperen? Dat wil zeggen: eindelijk stappen uit de donkere schaduw die het leed van zijn ouders op zijn eigen leven heeft gelegd. Mij lijkt het juist voor kinderen van de tweede generatie een uitstekende manier om spoken en geesten die jonge levens grondig hebben verstoord, eindelijk terug naar hun kasten te verwijzen. Dit is geen verraad plegen maar juist een stap zetten in de richting van wederopstanding. Ik heb mijn hele jeugd lang niets anders van mijn ouders gehoord dan hoe wreed en meedogenloos hun Algerijnse vijanden waren geweest. Niets anders dan verdriet en leed, wrok en rancune. Maar ik weet een ding zeker: als ik morgen een uitnodiging zou ontvangen om met de Algerijnse president en de oud-leiders van het FNL, de terroristen van weleer, te gaan dineren, dan zou ik zeker gaan. En ik zou zelfs in de keuken gaan staan om de couscous te bereiden.