Bondscoach

Ephimenco

Hoe het kon weet ik niet, maar ineens zat ik met hem aan een tafeltje. Ik keek vol ongeloof naar de man in het pak. Had hij in een vorig leven niet een confectielijn, een modehuis of een winkel vol ondergoed gerund? Zeker, het was hem: krullenbol, pruimenmond, verveelde blik. Wat deed ik in godsnaam met de bondscoach aan dezelfde tafel? Ik keek Rijkaard aan. Hij keek terug. «Ik heb geen verstand van voetbal», zei ik. «Ik eigenlijk ook niet», antwoordde Rijkaard. «Ik word misselijk van deze uitbundigheid. De visuele uitroeptekens van Smeets, de gefingeerde woede van Mulder, de vette joligheid van De Leeuw. Al die zittende parasieten die hun geld verdienen door naar bewegende benen op een scherm te turen.» «Kan ik wel inkomen.» «Maar met de rompen en hoofden die op die benen gemonteerd zijn is het niet beter gesteld. Arrogante kwasten, verwende rijkaards die geen zinnig woord kunnen uitbrengen en toch duizenden uren zendtijd krijgen om hun platitudes uit te kramen. Een bende ego ïsten die hele dagen volkletsen als er weer eens een scheurtje in hun sluitspier wordt ontdekt. Er is in die groep geen enkele bezieling. Ze kunnen elkaar niet luchten, hebben maling aan supporters en pers. Ze weten amper wie hun premier is. Ze gruwen van de Hollandse luchten, de files en de fiscus en spelen daarom in luie landen die overgoten zijn met wijn en zon. «Je haat voetbal.» «Ik ben dol op voetbal maar jammer dat je voor dit spelletje voetballers nodig hebt. En vanaf nu wens ik niet meer onderbroken te worden. Luister, je bent een verkeerde keus, dat wist ik vanaf het begin. Was je maar de voetballer gebleven die je ooit was. Driftig, onredelijk, koppig. Iemand met vulling in zijn zelf ontworpen boxershorts. Dertien jaar geleden verliet je Ajax omdat Cruijff je te vaak moest hebben. Op een dag zei je tegen god dat hij zijn grote bek moest houden. Dat was klasse. Je had geen club meer, trainde met amateurs en werd een rebel. Later spuugde je het gehele Duitse elftal onder en tilde je de Italiaanse belastingdienst. Maar toen ze op jouw naam kwamen omdat niemand anders bondscoach wilde worden, begon je aan je gedaantewisseling. Routineus, saai en nietszeggend. Van warhoofd naar watje. Je blik heeft tegenwoordig dezelfde expressie als die van een dooie makreel en je stem klinkt alsof hij uit het massagraf van een brigade Haïtiaanse zombies komt. Op je gezicht staan evenveel emoties als op een betonnen plaat en je lichaamstaal is die van een mammoet die na twintigduizend jaar wordt uitgegraven. En dit allemaal is niet de werkelijkheid. Dit is niet de echte Rijkaard maar een harnas van kunstmatigheid dat je hebt aangetrokken om buitenstaanders geen grip op je ziel te geven. Je zegt bijna nooit wat interessants en verdwaalt telkens weer in een labyrint van kleurloze, risicomijdende woorden: ‘We doen ons best, het was niet slecht maar het kan beter. Morgen weer een dag. Mijn zus is getrouwd, peper en zout.’ Voor je het weet, word je door Jan en alleman onder de voet gelopen. Daarom ben je de eerst verantwoordelijke voor het krakkemikkige collectief dat op de doorgeschoten ego’s van dit stel neoliberale speculanten is ontstaan. Geen ziel, geen bloed, geen passie maar wel, bij elkaar opgeteld, een wandelende berg obligaties en aandelen waaraan Nina Brink niet kan tippen. Frankie, het kan nog, maar daarvoor zul je je masker moeten afdoen. Ga lekker tieren en vloeken. Sla met je vuist op tafel. Verkoop die verwende jochies een voor een een stevige schop onder de kont. Laat ze zweten en buikpijn krijgen. Totdat een hechte ploeg ontstaat. Een multicultureel drama voor de tegenstanders. Voor Volk en Vaderland, kun je dat Frankie? «Peper en zout. Morgen weer een dag.»