GSM (3)

Ephimenco

Vorige week schreef ik dat het 11.55 uur was toen de brief van de onbekende vrouw werd bezorgd. Hetzelfde tijdstip als tien dagen eerder, toen ik de gsm van dezelfde onbekende vrouw in de singel gooide.

Dat was geen toeval. Het is nooit toeval. Alles klopt en heeft een betekenis. De causaliteit zit overal verscholen. Waarom gleed die brief uitgerekend om 11.55 uur in de brievenbus?

Een paar nachten geleden hield deze vraag me uit mijn slaap. Rond drie uur sprong ik uit mijn bed. (Zou dit tijdstip later van enige betekenis blijken te zijn?) Ik rende naar de la waarin ik de brief van de onbekende vrouw had opgeborgen. Niet de brief maar de enveloppe kreeg mijn aandacht. Er zat weliswaar keurig een postzegel op geplakt maar… Ik zette de enveloppe in de lichtbundel van de bureaulamp. De postzegel was niet gestempeld. Nu weet ik dat om de zoveel duizenden brieven de stempelmachine van de ptt wel eens hapert. Maar hier kon het toeval niet in het geding zijn. Ik balde mijn vuist en schreeuwde: ‘Hebbes!’

De onbekende vrouw had de brief zelf bezorgd. Ze had mijn adres in het telefoonboek eenvoudig kunnen traceren. Mijn naam kende ze al van de column (niet per toeval gelezen, schreef ze in haar brief) waarin ze de hoofdrol speelde. Ze had natuurlijk haar brief naar De Groene kunnen sturen. Maar nee, ze koos ervoor om zelf de brief te bezorgen. En om me duidelijk te maken dat ze heel dichtbij was geweest, dat haar hand de klep van mijn brievenbus had vastgehouden, dat haar adem mijn deur had gestreeld, bezorgde ze haar brief om 11.55 uur. 'Zal hij mijn hint oppakken?’ heeft ze zich zeker afgevraagd, terwijl ze zich met snelle tred uit de voeten maakte. Maar hoe teleurgesteld was ze geweest als ik haar spelletje niet had opgemerkt?

De onbekende vrouw van de gsm is niet alleen mysterieus maar ook pervers. Pervers in haar denken en pervers in haar doen. Ze moet ook pervers in de liefde zijn. En ik weiger me aan haar perversiteit te onderwerpen. In het woord gsm zit een deel van haar persoonlijkheid opgeslagen. Niet de mijne. En zeker niet in de derde letter van dat woord.

Mijn vorige stukje verscheen donderdag, en vrijdagochtend lag er al een nieuwe brief van haar in de bus. Ik was van plan om iedere dag rond 11.55 uur achter de deur te gaan posten. Om haar te snappen. Aan te houden. Haar arm in de tang van mijn vuist te klemmen. Weg anonimiteit en mysterie. Maar haar brief kwam om tien uur al. Gewoon met de post mee. Met stempel op de postzegel. Ze vond zeker dat twee keer hetzelfde signaal zenden niet van grote originaliteit zou getuigen. Ze heeft toch wel klasse. En daarom was ik niet teleurgesteld toen haar brief heel gewoon tussen de bankafschriften lag. Maar dit wil niet zeggen dat ik haar onze dans zal laten leiden. Haar brief is precies 350 woorden, de helft van mijn column. Niet te lang en kort genoeg om in zijn geheel binnen mijn stukje te kunnen worden afgedrukt. Ze heeft dus ruimte gelaten voor mijn commentaren. Fifty-fifty. Wat een gulheid. Maar ik laat me niet meer misbruiken. Ik ben haar klankbord niet. Ik zal daarom geen woord van haar brief openbaren.

Krakers opgelet: deze ruimte is mijn eigendom. Door de logica van het spel, haar spel, te breken, breek ik ook haar macht. Voorzover ze die ooit heeft gehad ten aanzien van mijn persoon. Hiermee straf ik haar ego en haar hang naar anoniem exhibitionisme. Ze was aan het verkeerde adres. Er was niemand achter die deur. Dit was wederom een droom.

Maar waarom ruikt haar tweede brief zo sterk naar Samsara?