Het einde van het geschreven woord

Ephimenco


Schrijven is een van de meest onnatuurlijke manieren van uitdrukken. Een van de mooiste ook en daarom zullen in het derde millennium tal van musea worden geopend om het geschreven woord, deze archaïsche vorm van kunst en communicatie, voor het nageslacht te bewaren. Let op: een museum van het geschreven woord is geen bibliotheek. Bibliotheken eisen een actieve participatie van de bezoeker. Daarom zullen ze op den duur voor het merendeel verdwijnen en alleen door wetenschappers, historici en freaks worden bezocht. In een museum van het geschreven woord zal niets anders van een bezoeker worden verwacht dan kranten, bladen, boeken, brochures, graffiti en affiches te bekijken en te aanschouwen.


Schrijven is onnatuurlijk omdat bijna niemand schrijft zoals hij of zij praat. Schrijven was oorspronkelijk een uitvinding van geleerden voor geleerden. Het heeft sinds de vijftiende eeuw natuurlijk een democratiseringsproces doorgemaakt. Desondanks blijft schrijven de bezigheid van een elite. Het gros van de mensheid schrijft niet, nauwelijks of slecht. Om correct of kunstzinnig te kunnen schrijven moet je tal van regels kennen. En dan vormt zelfs een perfecte grammatica en orthografie geen garantie voor een sprankelende en originele stijl. Het schrijven is over zijn hoogste punt heen. Dat moet gesitueerd worden in de negentiende en twintigste eeuw. We zitten nu in de decadentiefase van het geschreven woord. Onze literatuur en schrijfkunst bevinden zich nu in een vergelijkbare situatie als het hiërogliefenschrift rond 300 of 400 na Christus. De zwanenzang is ingezet.


Een paar maanden terug ontving ik thuis een groep journalisten, voornamelijk uit de dag- en weekbladenwereld. Gemiddelde leeftijd veertig jaar. Als een van onze lezers die avond aanwezig was geweest, zouden de rillingen over zijn rug zijn gelopen. De teneur van de gesprekken was: we ontspringen net de dans maar na ons zal de zondvloed komen. Kranten en bladen zijn in hun huidige vorm, omvang, concept en frequentie van verschijning gedoemd te verdwijnen. Je hoeft geen visionair te zijn om te constateren dat het beeld het nu al van het geschreven woord heeft gewonnen. De wildgroei in de jaren negentig van nieuwe tv-stations, de explosie van gsm’s (als toekomstige beelddragers) en de internetrevolutie hebben de trend voor de komende jaren gezet. De totale kranten- en opiniebladenoplage zal in de twee volgende decennia kelderen. De cijfers die deze week zijn gepubliceerd, zijn maar een voorproefje. De totale verkoop van dagbladen is in het laatste kwartaal van 1999 met 0,4 procent gedaald. Kranten die gokken op een groter bereik van lezers door hun toegankelijkheid te verlagen of magazines met veel beelden op de markt te brengen, lijden gevoelige verliezen. Tegen de echte beelden op een elektronisch scherm valt niet te concurreren. Dat Trouw als enig dagblad groeit, bewijst niets. Trouw heeft zich duidelijk tegen de nieuwe trend gekeerd door zijn toegankelijkheid te vernauwen. Deze krant gokt op kwaliteit, dus op de elite. Trouw zal nog een tijd blijven groeien tegen de algemene tendens in tot het reservoir met de laatste der mohikanen is gevuld. Maar nooit meer zullen de oplagecijfers uit de vorige eeuw van kwaliteitskranten als de Volkskrant worden bereikt, om niet te spreken van de monsterscore van een populair dagblad als De Telegraaf.


De jongeren van nu die de kranten-, bladen- en boekenconsumenten van morgen hadden moeten zijn, bedanken lachend voor de eer. Ze lezen niet of nauwelijks. Ze consumeren dagelijks een overvloed aan snelle en direct verteerbare beelden. Videospelletjes, televisie, internet. Lezen is vermoeiend en vooral traag. Het schrijven van brieven is spectaculair gedaald. Voor een deel is dit door e-mails vervangen. Maar een e-mail schrijven vereist niet dezelfde inspanningen als een brief. De zinnen zijn kort en doelmatig. De woordenschat is beperkt. Interpunctie, accenten, hoofdletters ontbreken. En toch is het schrijven van e-mail nog te traag. Er zullen in de toekomst waarschijnlijk steeds vaker e-mails worden verzonden met een gesproken in plaats van een geschreven woord.


Terwijl ik dit opschrijf, in de rust van mijn werkkamer, voel ik me steeds meer verwant met de personages uit een roman van Umberto Eco. Ik ben een soort duplicerende monnik in zijn bijna vergane universum van inkt en perkament.