Epidemie

Laatst vroeg iemand me wat er aan de hand was in mijn leven. Ik kende deze persoon niet goed, we zaten op een terras na afloop van een literaire avond, de vraag was bedoeld als conversation starter maar viel als een steen tussen ons in, en nu moest ik die weer aan de kant zien te duwen.

Koortsachtig zocht ik naar een antwoord. Er was van alles aan de hand in mijn leven, maar niks paste in een gesprek, of althans een gesprek van dit soort, dat ik inschatte als een luchtige uitwisseling tussen twee oppervlakkige kennissen, zonder de kans of hoop op iets groters. Misschien was het nu de bedoeling dat ik met een anekdote kwam, een scène uit het dagelijks leven die het algehele voortmodderen zou illustreren maar tussen de regels toch ook een meer duurzame waarheid verkondigde. Ik was me ervan bewust dat ik me probeerde te voegen naar andermans genre, het genre van deze vage kennis in dit geval, die erg goed was in het in scène vatten van het schijnbaar vluchtige maar niettemin diepzinnige leven dat zich afspeelde rond camping, kinderboerderij, zwembad en dorpsfeestzaal. Ook was ik me bewust van mijn rij-instructeur, die zegt dat de meeste ongelukken gebeuren doordat mensen voortdurend in elkaars plaats denken. Als iedereen nu eens begint met het oplossen van zijn eigen problemen. Als jij nu eens begint met het oplossen van je eigen problemen. En niet de hele tijd bezig bent met wie er allemaal achter je zit.

Het probleem van vraag-en-antwoord is dat het laatste de logische consequentie moet zijn van het voorgaande. De vraag doet zich misschien sympathiek voor, maar blijkt een tiran die alles en iedereen aan zich wil onderwerpen; ieder antwoord dat de vraag serieus neemt, is een ‘ja’ op zich, een bereidheid met de vraag mee te buigen, mee te doen aan een gesprek dat vaak geen gesprek is maar een set eisen.

Misschien blijkt het begin van de filosofie ook het einde ervan, een slang die in zijn eigen staart bijt

Soms lijkt de hele wereld een vraagteken, dat dag en nacht via mensen en schermen je leven overneemt. Schijnbaar leven we momenteel in een ‘burnout-epidemie’: volgens het CBS wordt één op de zeven werkende Nederlanders erdoor getroffen, en gemiddeld duurt een burnout minstens een half jaar tot een jaar. Hoewel de chronische stress een tijdje nodig heeft om op te bouwen, zakken mensen vaak van de ene op de andere dag in elkaar. De wereld heeft te veel van ze gevraagd, ze hebben te veel van zichzelf gevraagd en het lukt simpelweg niet meer om te leven als een antwoord.

Misschien, dacht ik, terwijl ik de kennis nog altijd niet had geantwoord maar met verhevigde concentratie in mijn bierglas staarde, is de vraag na eeuwen van intensieve consumptie bedorven geraakt. Misschien blijkt het begin van de filosofie ook het einde ervan, een slang die in zijn eigen staart bijt.

In haar nieuwe verhalenbundel, Days of Awe, voert A.M. Homes allerlei personages op die lijden onder hun onvermogen ‘nee’ te zeggen: een romanschrijfster die zichzelf terugvindt op een genocideconferentie omdat ze nooit heeft geleerd nee te zeggen op zulke uitnodigingen; een rabbijn die de gemeenschap in zijn synagoge herinnert aan hun voorouders, die onvrij waren en ja moesten zeggen wanneer ze eigenlijk nee bedoelden; een jonge student die tegen zijn wil op een etentje belandt van een familie die niet de zijne is, simpelweg omdat hij niet weet hoe hij iets zou moeten weigeren.

Homes is befaamd om haar uitvergrotingen van hedendaagse levens in de Amerikaanse midden- en bovenklasse. Haar personages sleutelen onophoudelijk aan hun lichamen, eten gerechten van maximaal tien calorieën, gaan uitbundig vreemd binnen de eigen vriendengroep, wensen alleen machinaal gezuiverde lucht in te ademen, lopen godganse dagen rond in niets anders dan hun zwemkleding en blijven (uiteraard) te allen tijde als zombies vastgeplakt aan hun mobiele telefoons. Het gaat bij Homes om de waarheden die zich ophouden aan de oppervlakte en in het exces.

Dat haar verhalen minder absurdistisch klinken dan een paar jaar geleden heeft misschien minder te maken met de verhalen dan met de wereld zelf, die zich in rap tempo lijkt te buigen naar Homes’ fictieve variant.

Een wereld bevolkt door mensen die verstrikt raken in een groot ja dat niet veel meer is dan een angst voor nee is niet bepaald sciencefiction te noemen. Het realisme van Homes mag de hyper-variant zijn, maar doet ons des te meer voelen wat er onder onze eigen oppervlaktes broeit, of weigert te broeien. Dit alles zei ik niet tegen de vage kennis, die bleef wachten op een antwoord, tot het stil werd en het gesprek bleek te zijn afgelopen voordat het was begonnen.