Onderzoek naar obesitas

Epidemische opwinding

De antivetlobby zaait paniek: overgewicht zal in de naaste toekomst elk medisch systeem in de wereld gaan beheersen. Wetenschappelijk gezien is er op zulke ‘voorlichting’ veel aan te merken

Na jaren van alarmerende kostenplaatjes, ‘baanbrekende’ onderzoeken en ‘plannen van aanpak’ was het vorige week zover. Op een congres van tweeënhalfduizend obesitasexperts in Sydney werd opgeroepen tot een wereldwijde campagne van de gezondheidsindustrie tegen overgewicht, in het bijzonder bij kinderen. In Australië loopt al enige tijd zo’n campagne. De overheid bevordert het schoolsporten, subsidieert gezonde voedingsmiddelen en verbiedt of beperkt (reclame voor) het gebruik van vet- en suikerrijk voedsel op scholen. Kinderen worden van overheidswege op de weegschaal gezet en bestookt met gruwelverhalen over welvaartsziekten. Die aanpak verdient volgens de organisatoren in Sydney wereldwijd navolging, want ‘overgewicht wordt een van de grootste problemen van de nabije toekomst’, aldus congresvoorzitter Paul Zimmet in zijn inleiding.

Zimmet is voorzitter van de International Obesity Taskforce van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dat verklaart wellicht de grote greep die hij in zijn toespraak hanteerde: ‘Obesitas gaat als een sluwe, sluimerende pandemie de hele wereld over en vormt een even groot gevaar als de opwarming van de aarde en de vogelgriep.’ Zijn medevoorzitter en landgenote Kate Steinbeck sprak van een ‘ziekte met verwoestende sociale, economische en gezondheidsconsequenties’. Philip James, voorzitter van de Australische Obesity Taskforce, zei dat overgewicht in de naaste toekomst ‘elk medisch systeem in de wereld zal gaan beheersen’.

Vooral de dikte onder kinderen baarde de sprekers grote zorgen. Volgens Steinbeck neemt de kans op suikerziekte, hartkwalen, hoge bloeddruk, hartaanvallen en sommige vormen van kanker onder de nieuwe generatie ernstig toe en dreigen de zorgkosten in de hele wereld daardoor onbetaalbaar te worden. Zelfs demografische rampen zijn niet uit te sluiten: door de stijging van het aantal dikke kinderen wordt dit ‘de eerste generatie in de geschiedenis waarvan de kinderen voor hun ouders overlijden’, aldus de hoogleraar.

Al meer dan vijftien jaar wordt dikte door een deel van de medische stand, met name in de Angelsaksische landen, niet langer beschouwd als een esthetische en in wezen individuele kwestie, maar als een maatschappelijk vraagstuk van de eerste orde dat vraagt om overheidsingrijpen, publieke discussie en grootschalige investeringen. De commerciële afslankcultuur legt ook een steeds groter beslag op de reguliere gezondheidszorg, vooral in landen waar de overheid ruchtbaarheid geeft aan nare berichten en onheilspellende rapporten over overgewicht. Onder Tony Blair besteedt de Britse ‘nanny state’ grote sommen geld aan het zaaien van medische paniek. Het jongste voorbeeld is een golf van misplaatste aandacht voor een aan alle kanten rammelende Zweedse studie naar de ‘overlevingskans’ van dikke mensen. Afgelopen zondag klaagden artsen van de Britse National Health Service dat ze handen en geld te kort kwamen om te voldoen aan alle verzoeken om chirurgische ingrepen tegen overgewicht. Sommige nhs-fondsen hebben de norm om voor een operatie in aanmerking te komen onlangs verhoogd van 35 naar 45 bmi (zie kader).

In de Verenigde Staten heeft de bevolking al lang geleerd te leven met de valse voorlichting en omineuze ‘onderzoeksresultaten’ van de antivetlobby. Niettegenstaande de alarmerende geluiden dat vier op de vijf inwoners te dik zijn, leven Amerikanen immers langer en gezonder dan ooit tevoren. In Groot-Brittannië is gebleken dat de statistische analyse van het Britse ministerie van Gezondheid van de laatste jaren – ‘Eén op de drie kinderen is veel te zwaar!’ – gebaseerd was op verouderde gegevens en definities. Bij toepassing van de moderne standaard, de bmi, blijkt dat het aantal te zware kinderen veel lager is. In mei zijn dan ook alle Britse schoolkinderen van vier en tien jaar oud op de weegschaal gezet teneinde de werkelijke gewichtsverdeling onder de jeugd in kaart te brengen. Volgend jaar mei wordt de weging bij dezelfde kinderen herhaald, waarna de ouders van te dikke kinderen een brief in de bus krijgen waarin Hare Majesteits opperdokter, de Chief Medical Officer, hen wijst op de verhoogde risico’s voor hun kind op het krijgen van allerlei ziekten. Protesten van artsen en epidemiologen dat het stellen van een individuele prognose op grond van statistische gegevens onverantwoord is, mochten niet baten.

Wetenschappelijk gezien is er op zulke ‘voorlichting’ echter evenveel aan te merken als op de cijfers waarop zij wordt gebaseerd. ‘Om te beginnen is het risico op de genoemde ziektes veruit het grootst bij mannen met dikke buiken’, zegt de Leidse internist en obesitasexpert Jaap Fogteloo. ‘Het buikvet van die mannen geeft veel meer vrije vetzuren af dan het onderhuidse vet van te dikke vrouwen. Buikvet richt direct schade aan in de lever, het zorgt voor een verandering in de stofwisseling en leidt tot een verhoogd risico op onder meer suikerziekte en hart- en vaatziekten. Dikke vrouwen hebben meestal helemaal geen extra risico. Hun vet is vooral onderhuids vet en dat is eerder een beschermende factor.’

En net als algemene verklaringen zijn ook generieke therapieën niet van toepassing, wat de producenten ook mogen beloven. Een voorbeeld is het middel rimonabant, dat de Franse farmagigant Sanofi-Synthelabo momenteel met veel bombarie op de markt tracht te brengen. Het gaat maar liefst om een ‘wonderpil’, aldus de makers. De redactie van NRC Handelsblad besteedde een groot deel van het februarinummer van M Magazine aan enthousiaste verhalen over rimonabant die later moesten worden gerectificeerd. Het medicijn werd oorspronkelijk als antipsychoticum ontwikkeld. Die werking heeft het echter helemaal niet. Het zou volgens Sanofi helpen tegen vetzucht, alcohol- en nicotineverslaving, de ziekte van Alzheimer, leerproblemen, depressies, wanen, erectiestoornissen en nog veel meer.

Inmiddels blijkt het nauwelijks beter te werken tegen vetzucht dan veel bestaande pillenkuren en aan de overige verdiensten van het middel wordt nu ook getwijfeld. De vraag hoe zo’n dubieus middel kan worden gelanceerd, is snel beantwoord: de farmaceutische industrie heeft zoveel invloed dat er nauwelijks nog sprake is van onafhankelijk onderzoek. Medio vorig jaar kondigde een van de meest gerespecteerde wetenschappelijke tijdschriften, het New England Journal of Medicine, aan dat zijn peer reviews (beoordelingen van wetenschappelijk onderzoek door collega-wetenschappers) voortaan niet meer werden geschreven door wetenschappers zonder banden met de farmaceutische industrie. Die waren namelijk niet meer te vinden.

Overheden schrijven niet graag pillen voor (duur!) en ook artsen en gezondheidswerkers leggen voorzichtigheidshalve liever de nadruk op preventie, dat wil zeggen op voorlichting en op bevordering van gezonde voeding en meer lichaamsbeweging. Maar juist de intensieve Australische ervaring met dergelijke campagnes wijst uit dat ze doorgaans net zo weinig effect hebben als een wonderpil.

De Australische gezondheidswetenschappers Michael Gard en Jan Wright schreven vorig jaar het geruchtmakende boek The Obesity Epidemic: Science, Morality and Ideology, waarin zij stelden dat de wetenschappelijke onderbouwing van de meeste campagnes tegen overgewicht flinterdun is. Gard en Wright ontdekten dat jonge Australiërs zowel minder als gezonder eten dan vorige generaties én meer bewegen dan hun voorgangers. ‘Kennelijk klopt er iets niet in de vertrouwde gedachtegang over ons energie-evenwicht’, zegt Gard vanuit Sydney. ‘We denken nog altijd dat overgewicht wordt veroorzaakt door ofwel een hogere energie-inname ofwel een lager energieverbruik. In Australië blijkt uit longitudinale studies dat onze generatie in beide opzichten vooruitgang heeft geboekt. Voorts is het verband tussen overgewicht en allerlei ziektes niet zo eenduidig als veel obesitasexperts beweren. En buiten de kring van het obesitasonderzoek is er werkelijk niet één medische onderzoeker die meent dat de levensverwachting van de mens zal teruglopen.’

Nederland springt er, samen met de Scandinavische landen, gunstig uit in de meeste internationale vergelijkingen. Ten onzent bestaat de indruk dat het zogenoemde ‘snackgedrag’ de laatste tien jaar afneemt, maar dat door verminderde lichaamsbeweging (vooral door zittend werk, tv-kijken en computeren) het gemiddelde lichaamsgewicht sluipenderwijs toeneemt. Net als in de meeste westerse landen wentelen het ministerie voor Volksgezondheid, de Gezondheidsraad en veel medici de schuld voor overgewicht graag af op het individu. De morele (zelf)veroordeling van onze beschaving als gulzig, onmatig en verdorven wint het van de nieuwsgierigheid naar alternatieve verklaringen.

Men is nog ver verwijderd van het inzicht van Gard en Wright dat ongezonde dikte niet alleen een sociaal-economisch probleem is, maar wellicht ook sociaal-economische oorzaken heeft, variërend van ongezonde arbeidsritmen tot stadsontwerpen die onze bewegingsmogelijkheden inperken.